C:\Users\Frank\Desktop\Voorkant-Integriteit.png­­

 

 

 

 

 

 

 

Integriteit en Erecode

Een debat dat nooit eindigt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Werkgroep Integriteit

Dorien de Wit

Joop van den Berg

Chris Leeuwe

Herman Tjeenk Willink

Maartje Schrama, secretaris

 

November 2013

Inleiding

 

"Een debat dat nooit eindigt".

Onder deze titel, die ook een conclusie is, presenteert de werkgroep integriteit  haar nota aan het Partijbestuur. Immers:  in de PvdA houden het vraagstuk van - morele en juridische – gedragsregels en het debat over de  waardering van een interne partijcode de gemoederen al langere tijd bezig. Kernwaarden van de partij vormen een stevig anker voor het handelen, maar maatschappelijke en politieke ontwikkelingen veranderen de context waarbinnen dat handelen plaatsvindt. Over die veranderingen en de dilemma’s die daaruit voortkomen moet de partij intern en met de omgeving in gesprek te blijven.

 

De opdracht aan de werkgroep integriteit  (zie paragraaf 1) was in het bijzonder gericht op aanpassing van de Erecode zodat deze in de praktijk beter hanteerbaar wordt. De werkgroep heeft deze opdracht breed geïnterpreteerd. Zij is van mening is dat de Erecode slechts een onderdeel vormt van het integriteitdebat. Deze brede benadering heeft  de werkgroep ook tot een aantal conclusies geleid met betrekking tot de Erecode.

 

Voordat de Erecode aan de orde komt, worden in deze nota eerst enkele uitgangspunten geschetst. Daarmee wordt verdieping  gegeven aan het begrip integriteit en aan de dilemma’s waarvoor bestuurders kunnen komen te staan (paragraaf 2).

Vervolgens wordt een politiek-maatschappelijk kader geschetst waarbinnen die dilemma’s beslecht en beoordeeld kunnen worden (paragraaf 3).

In paragraaf  4 beschrijft de werkgroep wat de partij in de veranderende politieke en maatschappelijke context al doet en wat er, naar de mening van de werkgroep, nog  moet gebeuren.

 

Daarna is, in paragraaf 5, de Erecode aan de beurt: de functie van de code en de vraag op wie de code van toepassing is. De Erecode zou moeten gelden voor  alle PvdA-leden. Politieke vertegenwoordigers en bestuurders dienen  de Code te ondertekenen bij het aanvaarden van hun ambt.  Speciale aandacht besteedt de werkgroep aan  voormalige PvdA-politici en -bestuurders die in (semi)publieke dienst of bedrijfsleven  werkzaam zijn. Het ondertekenen van de Erecode is daar niet aan de orde. Wel is er sprake van een morele verbintenis. Bepleit wordt met die partijleden het gesprek aan te gaan over concrete vragen rond integriteit .

In lijn met het voorgaande doet  de werkgroep voorstellen voor  wijzigingen  in de tekst van de Erecode en voor een enkele wijziging in de statuten van de PvdA.

 

In paragraaf 6 pleit de Werkgroep voor de instelling van een Commissie Integriteit met een drieledige taak: het debat over integriteit actueel houden, het partijbestuur met advies en door onderzoek bijstaan bij concrete integriteitsdilemma’s en advisering over hoe de partij meer in het algemeen kan omgaan met integriteitsdilemma’s en kan leren van concrete gevallen. In paragraaf 7 wordt een route aangegeven om het debat met vrucht  voort te zetten . Dat resulteert in een aantal aanbevelingen.

 

De werkgroep legt verantwoording van haar werkzaamheden af in paragraaf 8.

 

De nota gaat vergezeld van een drietal bijlagen:

Bijlage 1 bevat de tekst van de herziene Erecode.

Bijlage 2 geeft een uiteenzetting over hoe te handelen in geval van aangifte van strafbare feiten.

Bijlage 3 somt de onderwerpen op die in gesprekken met een aantal partijgenoten aan de orde kwamen.

 

Tot slot: De werkgroep heeft met veel plezier en inzet gewerkt aan deze nota. De tussentijdse contacten met verschillende partijgenoten en de partijvoorzitter waren stimulerend voor de onderlinge discussie bij de totstandkoming. De werkgroep hoopt een bijdrage te leveren aan de intensivering van het integriteitdebat en daarbinnen aan een verstandige,  weloverwogen en - daar waar nodig- kloeke toepassing van de aangepaste Erecode.

 

Amsterdam, november 2013,

 

de werkgroep integriteit

 

Dorien de Wit, directeur De Beuk en organisatieadviseur, voorzitter

Joop van den Berg, oud-hoofddirecteur VNG en eerder lid Eerste Kamer

Chris Leeuwe, oud- burgemeester Lelystad

Herman Tjeenk Willink, oud-vice president Raad van State

Maartje Schrama, politiek medewerker partijvoorzitter, secretaris            

 

 


 

1. Opdracht

De werkgroep integriteit[i] is in juli 2012 ingesteld. In de notitie-Spekman aan het partijbestuur van 23 april 2012 is het waarom aangegeven:

"Over de manier waarop de leiding van de PvdA dient om te gaan met personen die niet handelen in lijn met de Erecode wordt nu weinig meer gezegd dan dat de partijleiding hen op hun verantwoordelijkheden dient aan te spreken.

In de statuten is vastgelegd dat een uiterste middel kan zijn hen het lidmaatschap te ontnemen. Tussen aanspreken en royement is niets omschreven. Daarom krijgt de werkgroep ook de opdracht mee om de middelen te identificeren die het partijbestuur tot haar beschikking heeft om leden die in strijd met de Erecode handelen aan te pakken." [1]

 

De opdracht aan de werkgroep luidt:

"Het aanpassen van de huidige Erecode [2], zodat deze in de praktijk beter toepasbaar is en het zo nodig formuleren van voorstellen om de statuten en de reglementen daarop aan te passen”.

 

Het is overigens niet de eerste keer dat een commissie uit de partij zich over integriteitvraagstukken buigt of dat daarover discussie plaatsvindt. In 2005 verscheen de nota "Integriteit is niet te koop" [3]. De huidige Erecode werd in 2009 door het congres aangenomen.  Dat de discussie steeds opnieuw opkomt is niet verwonderlijk. Of in een concreet geval de integriteit in het geding is, is niet zo gemakkelijk te bepalen. Een ongemakkelijk gevoel is onvoldoende, al kan dat een waarschuwing zijn. De grenzen van de beroepsethiek zijn vaak niet helder (meer), morele oordelen verschillen en feiten liggen vaak juist iets anders dan gedacht.

 

Hoe een zindelijk debat over integriteit te organiseren, gebaseerd op feiten en waarden? Hoe te voorkomen dat integriteitvragen tot kwesties worden? Hoe te zorgen dat in integriteitkwesties partij en partijleden niet nodeloos worden beschadigd? Hoe te bevorderen dat in voorkomende gevallen verantwoording wordt afgelegd? Die vragen stonden voor de werkgroep centraal bij het vervullen van haar opdracht.

 


 

2. Uitgangspunten

Om de eigen individuele standpunten zoveel mogelijk te objectiveren, heeft de werkgroep een aantal gemeenschappelijke uitgangspunten geformuleerd.

Deze uitgangspunten kunnen ook een rol spelen in het debat dat de werkgroep aan het eind van dit rapport zal bepleiten.

a.      De werkgroep onderschrijft de kernwaarden die in de Erecode worden genoemd:

“betrokkenheid, geloofwaardigheid, onafhankelijkheid, openheid en verantwoording, respect, soberheid en dienstbaarheid.”

De werkgroep is van opvatting dat deze kernwaarden alles te maken hebben met de kwaliteit van "het politieke personeel”, bestuurders en volksvertegenwoordigers. Kenmerken van die kwaliteit zijn behalve de vakdeskundigheid ook beroepsethiek,  wederzijdse vertrouwen tussen bestuurders en bestuurden, gekozenen en kiezers,  en publieke verantwoording door politici en bestuurders.

 

b.      Niet alleen ‘de partij’ heeft last van integriteitkwesties, en is op zoek naar handvatten voor het ingewikkelde thema integriteit, maar ook de leden die met integriteitvragen te maken krijgen . Hun eigen twijfel over hoe te handelen, mogelijke kritiek vanuit de partij of negatieve media-aandacht roepen bij hen de behoefte op aan een klankbord. Een integriteitkwestie kan dus in verschillende vormen opkomen:

 

c.      Bij integriteitvragen gaat het om belangen. Er moet daarbij onderscheid worden gemaakt tussen algemeen belang, bijzonder belang en persoonlijk belang. Alleen in het laatste geval, wanneer puur wordt gehandeld vanuit  persoonlijke belangen  kan de integriteit ter discussie staan. Bijvoorbeeld als met dat handelen (of nalaten) aan anderen of aan het algemeen belang schade wordt toegebracht, of als  de persoon in kwestie zichzelf of anderen persoonlijk bevoordeelt.  In alle andere gevallen, waarin het dus gaat om de afweging van bijzondere belangen en het algemeen belang, is niet de persoonlijke integriteit, maar het beoordelingsvermogen in het geding.

 

d.      Er moet vanuit worden gegaan dat partijgenoten die (semi-)publieke dan wel private functies uitoefenen dit naar eer en geweten en integer doen,  dat zij persoonlijke belangen van andere belangen kunnen scheiden, het persoonlijke belang zo nodig opzij kunnen zetten en dat zij - waar het politici en publieke functionarissen betreft - een afweging kunnen maken tussen bijzondere belangen en het algemeen belang. Vertrouwen, niet wantrouwen  vormt het uitgangspunt.

 

e.      Ook de PvdA heeft in het verleden ingestemd met privatisering en verzelfstandiging van publieke taken en met de daaruit voortvloeiende marktconforme beloningen (respectievelijk  de politieke controle op deze beloningen verwaarloosd). De onvrede daarover bij burgers moet de partij zich allereerst zelf aantrekken.  Recent zijn dan ook de standpunten van de partij in beloningskwesties  aangescherpt. De partij is alerter geworden op scheefgroei in beloningsverhoudingen in de (semi-) publieke sector. Aan nieuwe wetgeving op dit terrein heeft de PvdA een flinke bijdrage  geleverd.

 

f.        Er moet onderscheid worden gemaakt tussen wetten, zelfregulering en beroepsethiek; tussen statuten, reglementen en erecodes. Beroepsethiek en erecodes behoren tot het terrein van de moraal, niet van het (verenigings) recht. Morele oordelen verschillen. De partij kan die oordelen niet eenzijdig opleggen. Zij zijn eerder een onderwerp van deliberatie dan van beoordeling van personen.  De erecode is  een leidraad voor het voortdurende gesprek over integriteit vanuit de sociaaldemocratische waarden.

 

 


 

3. Het politiek-maatschappelijke kader

Concrete integriteitdilemma’s staan niet op zichzelf maar passen in een breder kader. Dat kader is permanent aan verandering onderhevig: maatschappelijke veranderingen, veranderingen in de economische constellatie, veranderingen  in politieke opvattingen.  Hoewel de PvdA  niet  stilstaat zijn  de veranderingen van de laatste decennia nog onvoldoende in de politieke visie en het handelen van de partij verdisconteerd. Wat is het standpunt van de partij over de rol van de overheid op de verschillende beleidsterreinen? Welke inkomensverschillen zijn naar het oordeel van de partij acceptabel? Welke visie heeft de partij op de economische bedrijvigheid in grote diversiteit?

 

Een korte toelichting:    

a.        Spreiding van inkomen, bezit, kennis en macht is nog altijd datgene waarvoor de PvdA staat. Omdat (individuele) inkomens nu eenmaal meer grijpbaar lijken dan kennis en macht ligt in de publieke discussie van oudsher het accent  op de inkomensverschillen. Daarbij behoort het overigens niet in de eerste plaats te gaan om “afpakken” van datgene wat verworven en verdiend is maar om het “opheffen” van onaanvaardbaar geachte verschillen. Maar de opvattingen over wat wel of niet aanvaardbaar is zijn veranderd. Een inkomensnota zoals in de jaren ‘70 uitgebracht door het kabinet den Uyl met de verhouding  5:1 tussen de hoogste en de laagste inkomens zou binnen de PvdA niet meer als realistisch worden beschouwd.  Tegelijkertijd is het besef dat de laagste inkomensgroepen verhoudingsgewijze het meest van hun inkomen kwijt zijn aan collectieve lasten weggeëbd. Alleen al daarom moet met publieke middelen uiterst zuinig worden omgegaan, allereerst door publieke functionarissen zelf.

            Ook de opvattingen over spreiding van kennis en macht zijn verschoven. Machtsverhoudingen zijn gecompliceerder geworden en de controle daarop moeilijker. Het besef dat om macht te beheersen tegenmacht nodig is, is vervaagd. Tegenmacht wordt al vlug als tegenstand gezien.

Hetzelfde geldt voor het begrip kennis, de wijze waarop en het doel waarvoor kennis wordt gebruikt en het besef dat “tegenkennis” niet gemist kan worden. Er is altijd ook een andere werkelijkheid, ook als dat niet goed uit komt.

Bij de beoordeling van concrete integriteitkwesties kan men niet om deze veranderingen heen. In integriteitkwesties gaat het immers niet alleen om geld maar ook om (misbruik van) macht en kennis(voorsprong).

 

b.        De laatste decennia is het bedrijfsleven voor velen, ook voor veel sociaaldemocraten,  het ijkpunt voor (economisch) succes geworden.

De maatschappelijke positie van dat bedrijfsleven veranderde.  De maatschappelijke eisen werden hoger. Zeggenschapsverhoudingen werden gewijzigd (vaak ten koste van werknemers en ten voordele van aandeelhouders) en grenzen vervaagden (internationalisering). De concurrentie nam toe. Tegelijkertijd werden ook uitwassen zichtbaar.
Deze ontwikkelingen leiden juist in sociaaldemocratische kring tot tegenstrijdige reacties. Tegenover trots over de geslaagde emancipatie – sociaaldemocraten in de top van het bedrijfsleven zijn geen uitzondering meer – staat het gevoel dat sociale en culturele verworvenheden ook door sociaaldemocraten worden opgeofferd aan financieel-economische belangen.

Een op de nieuwe verhoudingen toegesneden partijpolitieke visie is echter nog in ontwikkeling. Het ontbreekt nog aan een breed gedragen sociaaldemocratische visie op de rol en de meerwaarde van het bedrijfsleven en de financiële sector  in de samenleving. Ook ontbreekt vaak het inzicht in de eigen dynamiek waaraan bedrijven onderworpen zijn . Daardoor is moeilijk na te gaan of die eigen dynamiek terecht of ten onrechte wordt aangevoerd  als excuus voor bovenmatige beloningen; een handicap in de beoordeling van integriteitkwesties.

 

c.       In de afgelopen decennia moest de overheid “bedrijfsmatig” gaan werken. Effectiviteit en efficiency scoorden hoger dan politieke legitimatie en publieke verantwoording, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Toch zijn die laatste, meer dan effectiviteit en efficiency, de kenmerken die een democratische rechtsstaat doen verschillen van een autoritair regime. Het besef dat de democratische rechtsstaat geen gegeven is, maar historisch is gegroeid en onderhoud vergt is echter vervaagd. Staatkundige tradities, historisch gevormde waarden en de daarmee verbonden instituties worden vaak niet meer als tegenwicht tegen de waan van de dag gezien maar als belemmering voor een daadkrachtig bestuur .
Het streven de overheid effectiever  en efficiënter te doen functioneren werd verbonden met ‘meer ruimte voor de markt’. Publieke taken werden verzelfstandigd of geprivatiseerd. De grenzen tussen publiek en privaat vervaagden. In de praktijk werd (of bleef) de creditzijde vaak privaat en bleef (of werd) de debetzijde publiek. De politieke verantwoordelijkheid voor de publieke dienstverlening werd onhelder. De beloningsverhoudingen in de verzelfstandigde of geprivatiseerde dienstverlening werden afgestemd op “wat in de markt gebruikelijk is ". De PvdA heeft aan deze ontwikkelingen welbewust meegewerkt. Een doorleefde visie op de verhouding tussen staat en maatschappij en op het evenwicht tussen publieke en private verantwoordelijkheden op verschillende beleidsterreinen heeft lang ontbroken. Dat compliceert een evenwichtige beoordeling van integriteitkwesties.

 

d.      In een complexe en gedifferentieerde samenleving is besturen ook het kunnen omgaan met dilemma’s. Daarin spelen wettelijke regels, zelfregulering en beroepsethiek een belangrijke rol. Codes kunnen een belangrijk hulpmiddel zijn bij het definiëren en handhaven van de beroepsethiek. Codes lossen dilemma’s in concrete gevallen echter niet op.  In een democratische rechtsstaat is het nu eenmaal zo dat steeds een moeilijke afweging moet worden gemaakt tussen verschillende visies, eisen, aspecten en belangen. Dat vergt van bestuurders beoordelingsvermogen waarbij de beginselen van democratie en recht in acht moeten worden genomen, met de uitvoerbaarheid van het beleid rekening moet worden gehouden en de afstand met de wereld waarin de burgers leven niet te groot mag worden.  Op grond van een politieke visie moet de bestuurder dan uiteindelijk bepalen wat het algemeen belang vereist. Dat is lastig als politieke visies vaag zijn geworden. Juist dan is het nodig dat de dilemma’s waarvoor politici en bestuurders in hun afwegingen komen te staan  zichtbaar worden gemaakt. Dat is een onderdeel van de publieke verantwoording. Als publieke verantwoording achterwege blijft en als dilemma’s onbesproken blijven  wordt de ruimte voor snelle, op de persoon gerichte oordelen groter. Vragen naar de integriteit zijn dan nooit ver weg.

 

 

e.       Publieke verantwoording – essentieel kenmerk van de democratische rechtsstaat – kan niet zonder publiek debat.  Juist waar politiek en bestuur zozeer op elkaar betrokken zijn geraakt kan het publieke debat niet worden gemist. De media spelen daarin een belangrijke rol. Door onderlinge concurrentie en de druk om nieuws als eerste te brengen leggen in de berichtgeving de feiten het vaak af tegen beelden en sentimenten, publieke verontwaardiging. De gevolgen doen zich ook in concrete integriteitkwesties voelen. De feiten kunnen onvoldoende snel worden geleverd, het brede kader waarin is gehandeld wordt verwaarloosd, de criteria aan de hand waarvan de integriteitvraag moet worden beantwoord zijn onhelder en de tijd voor reflectie ontbreekt. Specifieke (uitzonderings-) gevallen worden met nieuwe (generieke) maatregelen bestreden (een nieuwe wet, een extra controle). Waar de publieke verontwaardiging groot is, burgers het gevoel hebben niet gehoord te worden (“Ze doen maar”) en een gemeenschappelijk referentiekader over wat redelijk en rechtvaardig is ontbreekt, kunnen en mogen volksvertegenwoordigers en bestuurders niet zwijgen. Zij moeten hun positie steeds opnieuw bevechten en bevestigen. Door ad hoc optreden worden de oorzaken van de integriteitproblemen echter zelden weggenomen.


 

4. Wat moet de partij doen en wat gebeurt er al?

In het voorgaande deel is de politiek-maatschappelijke context geschetst waarbinnen het debat over integriteit plaatsvindt. Zij bepaalt mede de beoordeling van concrete integriteitkwesties. De partij zal de veranderingen in maatschappelijke opvattingen en in de economische verhoudingen in haar politieke visie en handelen moeten verdisconteren. De behoefte daaraan en de noodzaak daartoe is groot , ook om een tegenwicht te kunnen bieden tegen het proces van individualisering en het streven naar persoonlijk gewin, tegen de oriëntatie op de korte termijn, zowel binnen de overheid als in het bedrijfsleven en tegen de bedrijfsmatige benadering van de publieke sector.  De noodzaak van heroriëntatie is door de PvdA erkend, bijvoorbeeld in de partijresolutie "Nieuwe wegen ", over de herwaardering van de publieke sector met de nadruk op toegankelijkheid, kwaliteit, wederkerigheid en betaalbaarheid;  in het project "Van Waarde "over vier sociaal-democratische kernwaarden: bestaanszekerheid, goed werk, verheffing en binding. Inmiddels zijn de standpunten over schaalgrootte, marktwerking en beloningen in de (semi) publieke sector aangescherpt. Dat geldt ook voor de wachtgeldregeling van politici en bestuurders en voor de afspraken over hun nevenfuncties. Door de commissie Melkert wordt de visie op de Nederlandse economie en de functie van het bedrijfsleven daarin herijkt: Op welke manier kan de Nederlandse economie in de komende 10-15 jaar weer groeien én verduurzamen? Wat is de invloed  van  de (internationale) markt en hoe kunnen de Nederlandse overheid en de Europese Unie aan ontwikkeling van deze groei bijdragen?

 

Herijken van politieke visies is één, veranderingen doorvoeren is twee. Gevestigde belangen, bestaande verhoudingen, ingesleten patronen, zowel intern als extern, verzetten zich. Duidelijk omschrijven wat, waarom wijziging behoeft en druk van buitenaf zijn voorwaarden om die wijzigingen doorgevoerd te krijgen. Zo lukte het de afgelopen jaren de beloningen in de top van (semi-)publieke sector aan banden te leggen en het onafhankelijk toezicht op bijvoorbeeld de financiële sector meer gewicht toe te kennen. 

 

De noodzakelijke aanpassingen aan veranderde omstandigheden en verhoudingen vereisen een publiek debat. Het is een taak van een politieke  partij om dat debat te initiëren en te blijven voeren. Niet alleen om externe aanpassingen te bereiken maar ook om intern de bereidheid te vergroten om die veranderingen ook zelf in de praktijk te brengen : “practise what you preach”.

Een partij die eerlijk delen hoog in het vaandel draagt, moet niet verbaasd zijn dat haar wordt gevraagd wat haar vertegenwoordigers daaraan in de praktijk bijdragen.  Zij moet daarop antwoorden. Een lid van een partij die Nederland sterker en socialer wil maken en die de beginselen van die partij onderschrijft kan worden aangesproken op zijn eigen aandeel in dat streven. Dat betekent echter niet dat de partij in alle gevallen actie moet nemen of zelfs een oordeel moet geven als het handelen of nalaten van één van haar leden, in functie of persoon, tot discussie aanleiding geeft. In het volgende deel zal daar nader op worden ingegaan.

 

In alle gevallen is wel nodig dat integriteitkwesties in een zo vroeg mogelijk stadium, eerder dan nu,  worden onderkend en dat dilemma’s zichtbaar en bespreekbaar worden gemaakt. Essentieel in integriteitdilemma’s is bewustwording door open overleg en debat. Over moraal (en daarover gaat het hier uiteindelijk) wordt nu eenmaal verschillend gedacht. Een gemeenschappelijk oordeel kan alleen door “deliberatio” tot stand komen. Dat geldt ook daar waar niet zozeer de integriteit, maar het beoordelingsvermogen in het geding is, bijvoorbeeld bij het gelijktijdig vervullen van verschillende (neven)functies.

Juist omdat het ook in integriteitdilemma’s altijd om afwegingen gaat, moeten individuele partijgenoten in de gelegenheid zijn om advies te vragen als zij daaraan behoefte hebben en moet de partij zich blijven inzetten voor het verduidelijken van het politiek-maatschappelijke kader  en (dus) het aanscherpen van haar eigen standpunten. 


 

5. De Erecode

De opdracht aan de werkgroep integriteit is in het bijzonder gericht op  aanpassing van de Erecode zodanig dat deze in de praktijk beter toepasbaar wordt. Uit de voorgaande onderdelen van dit rapport is duidelijk geworden dat de werkgroep deze opdracht breed heeft opgevat. Zij is van mening  dat de Erecode slechts één van de wijzen is waarop het integriteitvraagstuk moet worden benaderd. Vanuit deze brede benadering is de werkgroep tot een aantal conclusies gekomen met betrekking tot de Erecode.

 

Functie van de Erecode

Het partijbestuur is van mening dat de bestaande Erecode in de praktijk niet altijd even goed toepasbaar is. De werkgroep ondersteunt die conclusie  maar merkt tegelijkertijd wel op dat de Erecode geen juridisch document is. De Erecode beschrijft een aantal kernwaarden die zijn afgeleid van het beginselmanifest van de PvdA. Daarnaast omvat de Erecode een aantal normen voor moreel juist geacht gedrag. Samen vormen zij een moreel kader, een aantal zwaarwegende uitgangspunten die voor de partij leidend zijn in het politieke en bestuurlijke handelen. Omdat integriteit gaat over morele normen is het moeilijk om integer handelen volledig te vatten in enkele regels. De Erecode legt daarvoor een basis, maar zal nooit een voor elk afzonderlijk geval passend antwoord kunnen geven. Altijd zal de Erecode het uitgangspunt zijn voor een gesprek of een discussie over de invulling van integer handelen in concrete gevallen.

 

Dat wil niet zeggen dat er niets gedaan kan worden om de Erecode, of integriteit in zijn algemeenheid, hoger op de agenda te krijgen en meer praktische handvatten te geven dan nu.

Er is een aantal mogelijkheden. Zo kan er duidelijker worden vastgesteld op wie de Erecode van toepassing is, wie de Erecode ondertekent, en wanneer. Ook kan de betekenis van de Erecode voor verschillende groepen leden beter gedefinieerd worden. De Erecode kan ten slotte een duidelijker rol spelen bij het proces van kandidaatstelling voor politieke en bestuurlijke functies.

 

Op wie is de Erecode van toepassing?

De Erecode is van toepassing op alle leden van de Partij van de Arbeid. Het getuigt echter wel van wijsheid om in de betekenis van de Erecode onderscheid te maken tussen politieke en bestuurlijke vertegenwoordigers, voormalige politici en bestuurders en overige leden. De werkgroep zou het ondertekenen van de erecode tot vertegenwoordigers van de partij beperkt willen houden. Andere leden krijgen de Erecode thuisgestuurd, ter informatie en als ijkpunt voor eigen handelen. De werkgroep ziet weinig in een ondertekende erecode voor andere partijgenoten in de (semi- ) publieke dienst of het bedrijfsleven. Want welke gevolgen zouden daaraan moeten worden verbonden anders dan een moreel beroep?

·         PvdA-leden

Alle PvdA-leden krijgen de Erecode toegestuurd bij het aangaan van het lidmaatschap. Zij nemen zorgvuldig kennis van de Erecode en de daarin geformuleerde kernwaarden en gedragsnormen die de partij waarvan zij lid zijn geworden voor zichzelf hanteert. Voor hen kan de Erecode als moreel anker dienen. Naleving daarvan is een verantwoordelijkheid voor deze leden zelf.

De partij kan wel een rol spelen bij het faciliteren van het gesprek over dilemma’s waarvoor PvdA-leden komen te staan. Bijvoorbeeld door klankbordgroepen te vormen voor ‘Rode-bestuurders’ of ‘Rode-toezichthouders’, PvdA-leden die werkzaam zijn in de (semi-) publieke sector.

 

Ook kan de partij PvdA-leden die werkzaam zijn in (semi-) publieke sector  en in het bedrijfsleven aanspreken op de algemene wettelijke normen, specifieke regels en codes voor de betreffende sector  en op de eigen beroepsethiek die elke functionaris behoort te kennen en te respecteren.

 

·         PvdA-politici en –bestuurders

Wanneer een PvdA-lid in aanmerking wil komen voor een politieke functie moet hij/zij zich voor die functie kandidaat stellen.  Bij het bepalen van zijn/haar geschiktheid betrekt de instantie die over de kandidaatstelling besluit ook het thema integriteit in de afweging. In het gesprek daarover vormt  de Erecode de grondslag. 

PvdA-politici en –bestuurders verklaren zich aan de Erecode gebonden te achten  door deze te ondertekenen.

Gaat het om kandidaat-volksvertegenwoordigers (voor Europees Parlement, Tweede en Eerste Kamer, gemeenteraad, provinciale staten, waterschapsbestuur), dan tekent de voorzitter van de kandidaatstellingscommissie mee. Zo wordt zijn verantwoordelijkheid vastgelegd voor het gevoerde gesprek met de kandidaat over de integriteit.

Gaat het om kandidaten voor (materieel) gekozen bestuursfuncties (ministers, staatssecretarissen, gedeputeerden, wethouders, hoogheemraden) dan tekent de fractievoorzitter die de voordracht doet, maar alleen wanneer de kandidaat-bestuurder niet voortkomt uit de volksvertegenwoordiging.

Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor kandidaten voor (onbetaalde) bestuursfuncties binnen de partij. Dat wil zeggen dat bij het bepalen van zijn/haar geschiktheid de kandidaatstellingscommissie ook het thema integriteit in de afweging betrekt. In het gesprek daarover vormt de Erecode de grondslag. De Erecode wordt door de kandidaat en de voorzitter van de kandidaatstellingscommissie ondertekend.

Gaat het om sollicitanten naar het ambt van burgemeester, dijkgraaf of commissaris van de koning – als bekend, in beginsel geen partijpolitieke ambten – dan is er voor de partij formeel geen rol. De integriteitbewaking dient dan plaats te vinden door diegene die de benoeming voorbereidt. Niettemin kan een kandidaat voor een door de kroon benoemd ambt prijs stellen op een gesprek met partijgenoten over integriteit. In dat  geval stelt de partijvoorzitter of het partijbestuurslid, belast met integriteitvragen, zich beschikbaar voor dat gesprek. Ten bewijze daarvan kunnen beiden vervolgens de Erecode ondertekenen.

In beginsel moet de ondertekening van de Erecode eenmalig zijn. Er is geen enkele reden van kandidaten steeds opnieuw te vragen de code te ondertekenen. Daarmee zou de ondertekening ook aan waarde inboeten.

 

·         Voormalig PvdA-politici en –bestuurders

Partijleden die in het verleden een politieke of bestuurlijke functie namens de PvdA hebben vervuld zijn formeel evenzeer aan de Erecode gebonden als gewone leden. Toch hebben zij een bijzondere positie, omdat zij vaak nog direct in verband worden gebracht met de partij. Hun handelen zal altijd in dat kader worden geplaatst en ligt daarom vaak onder een vergrootglas.  Zeker wanneer zij een functie bekleden die (deels) voortkomt uit hun PvdA-lidmaatschap.

Ook hier geldt dat de partij voormalige PvdA-politici en –bestuurders die werkzaam zijn in (semi-) publieke dienst en in het bedrijfsleven altijd kan aanspreken op de algemene wettelijke normen, specifieke regels en codes voor de betreffende sector  en op de eigen beroepsethiek die elke functionaris behoort te kennen en te respecteren.

Hoewel zij de Erecode niet voor hun huidige functie ondertekend hebben, bestaat er voor  voormalige  PvdA-politici en –bestuurders een extra morele verbintenis. Om die reden blijft het een gezamenlijke verantwoordelijkheid van partij én voormalige vertegenwoordiger van de partij om in concrete vragen over integriteit met elkaar in gesprek te blijven.  Alleen zo kan worden voorkomen dat de partij in verlegenheid wordt gebracht en voormalige PvdA politici – en bestuurders zich niet gehoord voelen. Omdat  voormalige vertegenwoordigers op afstand zijn  komen te staan, zal de partij dat contact ook zelf moeten zoeken.  Dit kan via de Commissie Integriteit, maar ook via  daarvoor bestemde klankbordgroepen.

 

Tekstwijzigingen in de Erecode.

 Langs de hierboven uitgezette lijnen komt de werkgroep tot een aantal aanpassingen in de Erecode[4]: 

 

a.      Partijleden die zich kandidaat stellen voor een politieke of bestuurlijke functie tekenen het gehele document en dus niet meer, zoals nu,  alleen de gedragsnormen, maar ook de kernwaarden en de uitgangspunten in de inleiding.

 

b.      De nummering van de gedragsnormen  vervalt, om niet de indruk te laten voortbestaan dat het om (quasi-) juridische ‘artikelen’ gaat. De Erecode is een (zwaarwegend) normatief kader, geen partijwet. Het is irreëel  te denken dat regels een pasklare oplossing bieden voor ieder integriteitdilemma . De Erecode moet dan ook niet die illusie wekken. Dit doet niet af aan het gewicht dat aan de in de code opgenomen gedragsnormen wordt gegeven.

 

c.       Op enkele plekken is de indeling van de code recht getrokken. Zo zijn de punten 1 (over gedrag boven regel) en 2 (over verdiensten in de (semi-) publieke sector) van de gedragsnormen in de inleiding opgenomen. Ook zijn rubriceringen aangebracht. Punten 1, 5 en 6 komen samen terug onder de kop ‘Beloning en vergoeding’, punten 3 en 8 onder de kop ‘Onafhankelijkheid’, punten 3 en 4 onder ‘Nevenfuncties’.

 

d.      Een aantal van de gedragsnormen in de huidige Erecode vervalt. Ze zijn inmiddels wettelijk vastgelegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor delen van de punten 2/inleiding (over het norminkomen van de minister-president) en 6/’Beloning en vergoeding’ (over de sollicitatieplicht).

 

e.       De overige wijzigingen zijn preciseringen (‘relevante politieke leiding’ i.p.v. ‘politieke leiding’ zonder nadere aanduiding bij punt 11/‘Elkaar aanspreken’ ) of nuanceringen.

Zo is aan punt 3/’Nevenfuncties’ toegevoegd dat nevenfuncties onder geen beding aanleiding mogen geven tot verwarring over algemeen en bijzonder belang. In de zin over openbaarmaking van de betreffende informatie is het woord ‘desgevraagd’ weggelaten. Ook wordt ter precisering onderscheid gemaakt tussen politieke of bestuurlijke hoofd- en nevenfuncties. Bij punt 7/’Giften en reizen’ heeft de werkgroep gekozen voor het verleggen van de grens voor het accepteren van giften. Alleen giften met een waarde boven €50,- worden altijd aan de relevante politieke leiding gemeld en openbaar gemaakt. Hiermee wordt aangesloten bij onder andere de algemene gedragsregels van de Tweede Kamer.

Bij punt 8/’Onafhankelijkheid’ is ter nuancering het woord ‘woordvoerders’ opgenomen; volksvertegenwoordigers kunnen hun vermogen moeilijk op afstand zetten, maar van bestuurders mag dat wel worden verlangd. 

Aan punt 9/’Onverenigbare zaken’ is toegevoegd dat ook wanneer zich gedurende de zittingsperiode als vertegenwoordiger van de PvdA nieuwe ontwikkelingen voordoen die het politiek functioneren mogelijk bemoeilijken dit gemeld dient te worden bij de relevante politieke leiding.
Bij punt 10/’Het politieke ambt’ is de volgorde van de tekst aangepast. Toegevoegd is hier dat uit het bekleden van de ene functie geen recht is te ontlenen op een vervolg in een andere politieke functie. Er is ook een nuancering aangebracht in het respecteren van het voor 4 jaar gegeven mandaat. Blijft de morele verplichting niet luchthartig met dat mandaat om te gaan.

Bij punt 11/ ‘Elkaar aanspreken’ is weggelaten dat PvdA-ers die zich niet aan de Erecode houden hier door het partijbestuur op worden aangesproken. De relevante politieke leiding heeft hiervoor een bijzondere verantwoordelijkheid. Mocht de Commissie Integriteit  daar aanleiding toe zien, dan kan het partijbestuur een PvdA-er die zich niet aan de Erecode houdt  daar alsnog op aanspreken.

 

f. Tot slot is ruimte gemaakt voor de handtekening van de voorzitter van de kandidaatstellingscommissie, of in bepaalde hierboven omschreven gevallen de handtekening van de fractievoorzitter. Door mee te tekenen wordt diens verantwoordelijkheid vastgelegd voor het gevoerde gesprek met de kandidaat over de integriteit.  Met deze toevoeging wordt punt 12  van de huidige Erecode (Erecode nadrukkelijk deel uit laten maken van het proces van kandidaatstelling) overbodig.

 

Aanvullend maakt de werkgroep een kanttekening bij de gedragslijn inzake terughoudendheid in het gebruik maken van wachtgeld – en sociale zekerheidsregelingen voor politici en bestuurders. Die  wettelijke regelingen zijn er niet voor niets. Zij moeten het burgers, juist ook burgers met brede maatschappelijke ervaring, mogelijk maken serieus een kandidatuur voor de volksvertegenwoordiging of het aanvaarden van het ambt van politiek bestuurder in overweging te nemen en daarvoor hun (vaste) baan op te geven. De functie van volksvertegenwoordiger of politiek bestuurder is en blijft onzeker. Zij is per definitie tijdelijk en kan met de val van een kabinet of een college van de ene dag op de andere eindigen. Wachtgeld is bedoeld om een plotseling verlies van inkomen op te vangen ter overbrugging naar een nieuwe baan. Daarbij geldt een sollicitatieplicht. De partij neemt de taak op zich om voormalige volksvertegenwoordigers en bestuurders daar waar mogelijk (en betamelijk) te ondersteunen bij het vinden van nieuw werk. Serieus zoeken naar een nieuwe baan is onderdeel van ‘ het terughoudend zijn bij het accepteren van wachtgeld’

In het algemeen valt het te prijzen wanneer een PvdA politicus op korte termijn een nieuwe functie vindt, ook wanneer die in het verlengde ligt van de eerdere politieke portefeuille. Over dat laatste moet dan echter niet worden ‘gemurmureerd’.  Er kunnen echter, binnen de mogelijkheden van de wet,  omstandigheden zijn die rechtvaardigen  dat  volksvertegenwoordigers of politieke bestuurders die langdurig hun veeleisende  ambt hebben uitgeoefend, eerst daarvan enige afstand nemen.

Bij de kandidaatstelling dient ook een gesprek gevoerd te worden over het (gedeeltelijk) behoud van wachtgeld bij de (directe) overstap naar een ander politiek ambt. Hoewel dat wettelijk is toegestaan kan bij deze cumulatie toch de vraag rijzen: hoe verhoudt zich dit tot de afgesproken terughoudendheid in het gebruik maken van wachtgeld. Er moet een zwaarwegende reden zijn.

 

Wijziging Statuten Partij van de Arbeid.

Gelet op het hiervoor geleverde betoog over karakter en betekenis van de Erecode, stelt de werkgroep aan het partijbestuur voor het artikel 17 van de Statuten als volgt te wijzigen en de toelichting op het aldus gewijzigde artikel als volgt te herformuleren:

 

Art. 17. Integriteit

 

1.      Elk lid van de partij laat zich in zijn politieke handelen leiden door de kernwaarden van de partij die tezamen met een aantal gedragsnormen zijn beschreven in de Erecode van de partij. Aan leden die kandidaat zijn voor een vertegenwoordigend ambt of voor een ambt waarin verantwoording dient te worden afgelegd aan een volksvertegenwoordigend orgaan wordt in het kader van hun bereidverklaring resp. benoeming deze Erecode ter ondertekening voorgelegd.

 

Toelichting:

 

Dit artikel maakt duidelijk dat in de partij een erecode bestaat die in beginsel geldt voor al haar leden. Aan nieuwe leden zal die ter informatie worden toegezonden. Leden worden geacht zelf te beoordelen of zij voldoen aan de waarden en normen, zoals die in de Erecode zijn beschreven.

Daarenboven zal aan kandidaten voor vertegenwoordigende en politiek verantwoordelijke functies worden gevraagd de Erecode te ondertekenen, nadat met hen over de Erecode is gesproken. De voorzitter van de kandidaatstellingscommissie, resp. degene(n) die een partijgenoot voordra(a)g(en)t voor een bestuurlijk ambt onderteken(t)en mede, ten teken dat het gesprek over erecode en integriteit daadwerkelijk is gevoerd.

In het kader van de toepassing van deze Erecode is het wenselijk een Commissie Integriteit in te stellen, die het partijbestuur gevraagd en ongevraagd adviseert over het integriteitsbeleid in de partij en zo nodig over concrete kwesties van integriteit. Om zulk advies kan worden gevraagd door of namens het partijbestuur.

 


 

6. Strafbare feiten

De werkgroep  heeft zich ook bezig gehouden met de vraag naar de mogelijke consequenties van een aangifte van een strafbaar feit tegen een politieke ambtsdrager.

 

Het antwoord op die vraag is tamelijk ingewikkeld. Het eenvoudigste en meest correcte antwoord zou zijn dat iedereen onschuldig is, totdat de feiten waarvan hij of zij wordt beschuldigd in een onherroepelijk vonnis zijn vastgesteld (de zgn. presumptio innocentiae). In de praktijk kan een politiek ambtsdrager echter zijn of haar functie al niet meer met gezag  uitoefenen als hij of zij onderwerp is van strafrechtelijke vervolging.

 

Maar, waar ligt het moment dat de ambtsuitoefening moet worden gestaakt of opgeschort? Is daarvoor aangifte bij de politie voldoende? Dat zou, zo meent de werkgroep, voorbarig zijn, want men mag niet uitsluiten dat aangiften tegen een ambtsdrager te kwader trouw en/of op zeer onvoldoende gronden plaatsvinden. Verdachtmaking met behulp van een zo gedane aangifte zou dan al voldoende zijn voor ontslag of schorsing. Er is dus alle reden voor zorgvuldige beschouwing van deze kwestie, ook al omdat onderscheid moet worden gemaakt tussen ministers en staatssecretarissen, alsmede leden van de beide Kamers der Staten-Generaal enerzijds en alle andere ambtsdragers anderzijds.

 

In bijlage 2 heeft de werkgroep uiteengezet hoe naar haar oordeel in geval van aangifte van strafbare feiten te handelen.

 

 


 

7.  Functie van de Commissie Integriteit

De werkgroep adviseert over te gaan tot het instellen van een Commissie Integriteit met een drieledige taak: het debat over integriteit actueel houden, het partijbestuur met advies en door onderzoek bijstaan bij concrete integriteitdilemma’s en advisering over hoe de partij meer in het algemeen kan omgaan met integriteitdilemma’s en kan leren van concrete gevallen.

 

De Commissie Integriteit heeft dus een onderzoekende en adviserende, geen sanctionerende of veroordelende taak. De commissie kan haar bevindingen en overwegingen geven over het handelen van een persoon,  zij oordeelt niet over de persoon.

De Commissie Integriteit dient te bestaan uit mensen met een onafhankelijke positie en gezag. De lijn naar het partijbestuur moet kort zijn.

 

Wanneer zich een integriteitskwestie voordoet, kan de commissie door het partijbestuur worden verzocht de kwestie nader te bekijken. De voorzitter van het partijbestuur is woordvoerder. Een ander gekozen lid van het partijbestuur wordt verantwoordelijk voor de portefeuille integriteit. In overleg beslissen zij wanneer een voorval of een bestaande situatie wordt voorgelegd aan de Commissie Integriteit. Ook kan de Commissie Integriteit eigener beweging besluiten het partijbestuur te adviseren.

 

De commissie zal zich in elk geval  grondig informeren en daarvoor ook zelf gesprekken voeren. Dat wil zeggen dat de commissie niet op stel en sprong een reactie geformuleerd zal hebben, ook niet in gevallen dat de externe druk op de partij om met een reactie te komen hoog is. Zorgvuldigheid is in integriteitzaken  belangrijk, omdat er persoonlijke en professionele reputaties op het spel staan.

 

Wanneer de Commissie Integriteit een integriteitkwestie zorgvuldig heeft bekeken en met de betrokkenen heeft gesproken, kan zij het partijbestuur op verschillende manieren adviseren.

 

·         De Commissie Integriteit kan tot de conclusie komen dat de (wettelijke) richtlijnen onduidelijk zijn en kan fractie en/of het partijbestuur aanbevelen wetgeving te initiëren of aan te dringen op (aanvullende) beleidsmaatregelen dan wel aanpassing van het eigen partijstandpunt te overwegen.

 

·         De Commissie Integriteit kan het partijbestuur adviseren een onderwerp te agenderen voor intern partijdebat.

 

·         De Commissie Integriteit kan in gesprek gaan met personen die te maken hebben met een integriteitkwestie om een uitweg te helpen zoeken.

 

·         De Commissie Integriteit kan het partijbestuur adviseren  personen die te maken hebben met een integriteitkwestie in het openbaar aan te spreken op hun handelen.

 

·         De Commissie Integriteit kan het partijbestuur adviseren om personen die te maken hebben met een integriteitkwestie niet meer in aanmerking te laten komen voor een vertegenwoordigende functie of een andere politiek verantwoordelijke functie.

 

·         De Commissie Integriteit kan het partijbestuur adviseren om personen die te maken hebben met een integriteitkwestie te royeren.

 

·         De Commissie Integriteit kan het partijbestuur adviseren om  personen met een vertegenwoordigende functie of een andere politiek verantwoordelijke functie die te maken hebben met een integriteitkwestie te vragen om terug te treden uit hun functie.

 

Het is ook de  taak van de commissie om integriteit als onderwerp  te blijven agenderen en daarbij steeds de meerdere kanten van integriteitdilemma’s inzichtelijk te maken. De commissie bouwt gaandeweg met behulp van concrete ervaringskennis aan een solide referentiekader.  Dit referentiekader kan dienen als inzet bij het ontwikkelen van nieuw beleid, maar ook als onderwerp voor discussie in bijvoorbeeld het Centrum voor Lokaal Bestuur of netwerken als de Rode toezichthouders.

 

Om haar werk goed te kunnen doen heeft de commissie ondersteuning nodig, niet alleen administratief  maar ook ten behoeve van onderzoek en rapportage.

 

 


 

8. Discussie voortzetten

De werkgroep heeft in deze nota een aantal verklaringen proberen te geven voor het feit dat eerdere inspanningen om integriteitkwesties te voorkomen of op te lossen niet afdoende bleken. Hiervoor heeft de werkgroep in algemene termen de route aangegeven waarlangs dat mogelijk wel zou kunnen worden bereikt. Meer in detail ziet de werkgroep het volgende pad voor zich:

 

a.     Versterken inzicht en bewustwording over integriteit en context.

Om te zorgen dat integriteitkwesties tijdig en juist begrepen worden is inzicht, discussie en bewustwording van dilemma’s noodzakelijk. Discussies over het project Van Waarde en over de notitie Publieke Zaken lenen zich goed om integriteitkwesties in te vervlechten. Dat geldt ook voor de werkzaamheden van de commissie Melkert. Juist omdat de veranderende context zo relevant is om integriteitdilemma’s te doorgronden, is het van belang om integriteit niet apart te bespreken maar in het kader van die veranderende context.

o        De werkgroep stelt voor aan te sluiten op lopende trajecten.

 

b.     Bekendheid en helderheid over kernwaarden:

Het is noodzakelijk om als partij een gedeeld referentiekader te hebben en verder te ontwikkelen.

De resultaten van de discussies onder a kunnen als bron dienen om kernwaarden in integriteitkwesties te herijken en te actualiseren. Vervolgens is het nodig dat deze kernwaarden breed gecommuniceerd worden en goed vindbaar zijn zodat leden de kernwaarden met voorbeelden van gevallen waarin  een grens werd overschreden, als eigen referentiekader kunnen benutten.

o        De werkgroep beveelt aan uitvoerig bekendheid te geven aan de Erecode, de onderliggende kernwaarden en de mogelijke dilemma’s geïllustreerd door (geanonimiseerde) voorbeelden van grensoverschrijdend gedrag in de praktijk (en de glijdende schaal daarin). De commissie ontwikkelt op grond van de concrete gevallen een bestendige beleidslijn.

 

c.      Toegankelijk klankbord

Voor individuen groeien dilemma’s eerder uit tot problemen of conflicten als het ontbreekt aan een platform van gelijkgestemden of van gezaghebbende partijgenoten waar die dilemma's besproken kunnen worden. Netwerken als ‘de rode bestuurders’ en ‘rode commissarissen en toezichthouders’ zijn bij uitstek geschikte gremia voor een uitwisseling van ervaringen en een klankbord bij vragen en dilemma’s. Hetzelfde geldt voor netwerken van sociaaldemocratische wethouders en burgemeesters. Meer bekendheid over het bestaan van deze gremia plus expliciet agenderen van integriteitdilemma’s kunnen bijdragen aan het voorkomen van problemen.

Daarnaast kan er een klankbord zijn in de persoon  van een partijbestuurslid met integriteit in zijn/haar portefeuille, analoog aan de lief&leed portefeuille. Hij of zij is aanspreekbaar voor partijgenoten met vragen of dilemma’s en kan, wellicht met enkele anderen een zichtbare klankbordfunctie innemen.

o        De werkgroep adviseert bekendheid te geven aan bestaande netwerken van bestuurders en toezichthouders, zodat individuen een toegankelijk klankbord vinden als zich integriteitdilemma’s voordoen.

o        De werkgroep beveelt aan dat in het partijbestuur een zichtbare en toegankelijke klankbord functie wordt gecreëerd voor mensen met vragen of dilemma’s over integriteit. Voor raadsleden respectievelijk leden van provinciale staten en wethouders respectievelijk leden van gedeputeerde staten kunnen via het CLB opgeleide oud-bestuurders die rol op zich nemen.

 

d.     Integriteit expliciet en regelmatig op de agenda, ook aan de top

De werkgroep meent dat een  periodiek gesprek  tussen kopstukken uit de partij die geregeld met integriteitkwesties te maken hebben (uit bestuur, Tweede Kamer, lokaal bestuur) waardevol is. Zo kan ook gezamenlijk het door de commissie ontwikkelde referentie kader worden uitgebouwd. Een gesprek over veranderende context en gelijkblijvende principes. Een verkenning van verschuivende normen. Dit referentiekader geeft richting aan reacties en interventies in specifieke gevallen en onderhoudt het voortschrijdend inzicht. Het vormt tevens een voorbeeld voor de wijze waarop de partij communiceert over integriteit.

o        De werkgroep beveelt het partijbestuur aan jaarlijks een gesprek te voeren met bewindspersonen, Tweede en Eerste Kamerleden over integriteitkwesties en –risico’s. Zo zou het partijbestuur ook lokale en gewestelijke besturen moeten aanmoedigen een dergelijk gesprek te voeren met hun bestuurders en volksvertegenwoordigers.

o        De werkgroep beveelt fracties in Eerste en Tweede Kamer, Provinciale Staten en Gemeenteraden aan bij het aangaan van de vierjaarlijkse periode een bijeenkomst over integriteit te beleggen waar de Erecode en het omgaan met praktische kwesties, van geschenken aannemen tot belangenverstrengeling, worden besproken. Hiermee ontwikkelen de fracties vanaf het begin een gemeenschappelijk kompas en een gemeenschappelijke taal om deze zaken te bespreken.

o        De werkgroep beveelt het partijbestuur aan om periodiek partijgenoten op sleutelposities in het maatschappelijk middenveld uit te nodigen om te bespreken welke waarden zij vanuit het sociaaldemocratisch denken inbrengen in branche- en sectorcodes.

 

e.      Training Morele oordeelsvorming.

In het scholingsprogramma dat de partij aanbiedt past een onderdeel : ‘omgaan met integriteitkwesties’. Te denken valt aan een training over morele oordeelsvorming. Onderdeel van een dergelijke training moet zijn het leren communiceren over en bespreekbaar maken van integriteitdilemma’s, als een onlosmakelijk onderdeel van goed bestuur.

o        De werkgroep beveelt aan ervoor te zorgen dat er steeds een actueel en kwalitatief goed aanbod aan trainingen morele oordeelsvorming beschikbaar is, en dat mensen in publieke functies actief worden aangespoord daar gebruik van te maken.

 

f.       Communicatie-leidraad

Er gaat snel veel mis in de communicatie over integriteitkwesties. Oordelen worden soms te vlug geveld, personen worden onterecht ontzien of onterecht beschadigd. Juist omdat de media op het vinkentouw zitten als er geruchten of berichten gaan circuleren over de integriteit van PvdA-bestuurders of prominente leden, en de partij dan niet kan zwijgen,  moet de partij voorbereid zijn op effectieve  communicatie. Inhoudelijk en in toonzetting. Het is raadzaam een communicatieleidraad te schrijven, die richting geeft aan het communicatieve handelen van de partij, zowel in specifieke kwesties als in algemene zin. Onderdeel kan zijn een jaarlijkse verantwoording over de wijze waarop met integriteits kwesties is omgegaan, de  gevolgde aanpak en de overwegingen. Naast algemene communicatie over de kernwaarden kunnen ook specifieke momenten en specifieke doelgroepen worden benoemd (bijvoorbeeld  raadsleden en wethouders bij de gemeenteraadsverkiezingen 2014) om de kernwaarden aan de orde te stellen. 

o        De werkgroep beveelt aan een communicatieleidraad te schrijven die het partijbestuur en andere besturen ondersteunt in de communicatie over integriteitkwesties.

 


 

9. Verantwoording

De werkgroep heeft  aan het begin van haar werkzaamheden gesprekken gevoerd met een aantal  partijgenoten die persoonlijk  te maken hebben gehad met de vele aspecten van het integriteitvraagstuk. Ze maakten afwegingen met betrekking tot bijvoorbeeld beloning of het combineren van functies, die in de publieke opinie, en in sommige gevallen ook door de partij, werden veroordeeld. In bijlage 3 is een schets gegeven van de onderwerpen die tijdens de gesprekken aan de orde kwamen.

 

De werkgroep heeft deze gesprekken als waardevol en respectvol ervaren. Waardevol, omdat uit  de gesprekken naar voren kwam  hoe geworsteld wordt met integriteitvragen in relatie met de Erecode en met de dilemma's bij de beslissing in concrete gevallen. Respectvol, omdat in de gesprekken in hoge mate het besef doorklonk dat het lidmaatschap van de PvdA, het hooghouden van sociaaldemocratische waarden en normen, ook tot soberheid en bescheidenheid verplichten.

 

De gesprekspartners van de werkgroep hebben een gebrek aan waardering en interesse van de partij ervaren voor partijgenoten die in het bedrijfsleven werken als leden van raden van bestuur of raden van commissarissen.  Als de sociaaldemocratie een emancipatiebeweging is, dan groeien sociaaldemocraten ook door naar invloedrijke functies in het bedrijfsleven.

Ook zijn de gesprekspartners van mening dat de partij vaak te snel, te hard en te eenzijdig negatief oordeelt over het optreden van partijgenoten in private en (semi-) publieke organisaties.  Vanzelfsprekend mag de partij na hoor en wederhoor haar eigen  opvattingen publiek maken.

Tegelijkertijd hebben deze partijgenoten  een bredere en transparante discussie over integriteit, de persoonlijke moraal en beroepsethiek erg gemist.  De Erecode kan een handleiding bieden voor die discussie, maar zou geen dictaat moeten zijn.  De gesprekspartners zagen meer in wetten en eigen, democratisch tot stand gekomen branche- en bedrijfscodes. Waar beloningen in het geding zijn zijn wetgeving en belasting voor hogere inkomens  het geëigende instrumentarium, aldus de gesprekspartners.

 

De gesprekspartners hebben een aantal aanbevelingen voor de partij:

·        Een toekomstige Commissie Integriteit moet zich vooral met individuele integriteitkwesties bezighouden.

·        Waardeer en benut  de inzet van partijgenoten in (semi-)publieke organisaties 

·        Ontwikkel voor het bovenstaande een gezamenlijke communicatiestrategie.

·        Breng een dialoog op gang tussen bestuurders en toezichthouders van PvdA-huize.

 

 

Naast deze gesprekken heeft de werkgroep diverse (partij-) documenten bestudeerd en verdiepende gesprekken gevoerd met o.a. de partijvoorzitter, andere partijgenoten en leden van de Tweede Kamerfractie. Zij heeft de Tweede Kamerfractie op een aantal concrete punten per brief geadviseerd. Ten slotte wil de werkgroep mevr. Prof. Mr. C.P.M. Cleiren van de Universiteit Leiden hartelijk danken voor haar deskundig advies inzake de handelswijze in geval van aangifte van een strafbaar feit tegen een politieke ambtsdrager.

 

 

 

 

 

Bijlage 1 Herziene Erecode

Inleiding

Vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, duurzaamheid en solidariteit. Dat zijn de idealen van de sociaal-democratie verwoord in ons Beginselmanifest. Idealen zijn er om waar te maken en na te leven.

Deze Erecode geeft een praktische invulling aan onze idealen. Zij geeft voor alle leden aan hoe te handelen in politieke en bestuurlijke functies. Met onze Erecode stimuleren we ook het debat over integer gedrag in politieke en bestuurlijke functies en versterken we ons bewustzijn van integriteit. Met deze Erecode stellen wij moraal boven regel.

 

Mensen die voor of namens de Partij van de Arbeid een politieke of bestuurlijke functie bekleden leven in hun persoonlijk, politiek en bestuurlijk optreden onze beginselen zichtbaar na. Zij zijn zich er van bewust dat hun gedrag direct afstraalt op de partij. Ook partijgenoten die na een politieke loopbaan de overstap maken naar een bestuursfunctie in de (semi-)publieke sector en hun werkzame leven voortzetten bij maatschappelijke organisaties zijn zich er van bewust dat zij nog nauw in verband gebracht kunnen worden met de partij.  Hetzelfde geldt voor degenen die de overstap maken naar het bedrijfsleven. Als regel worden zij in die functies niet benoemd als PvdA-er maar vanwege hun bestuurlijke kwaliteiten. Hun individuele verdienste straalt positief af op de reputatie van de partij. Tegelijkertijd moeten deze partijgenoten zich realiseren dat ze een zichtbare (publieke) functie vervullen en ze nog altijd gekend zijn als PvdA-er.

PvdA-ers werkzaam in bestuurlijke functies in de (semi-)publieke sector en bij staatsdeelnemingen leven daarom de Wet Normering Topinkomens na en verdienen als regel niet meer dan het zgn. norminkomen van de Minister-President, tenzij daarop in een goedgekeurde salariscode uitzondering gemaakt is.

 

Steeds meer politieke en bestuurlijke organen hebben gedrags- en beloningscodes, ook in de collectieve sector worden deze steeds gebruikelijker. PvdA-politici en -bestuurders streven actief naar de totstandkoming van dergelijke codes en leven ze strikt na. Daarbij worden redelijke beloningsniveaus niet enkel bepaald door referentie aan soortgelijke functies in het bedrijfsleven. Minstens zo belangrijk is dat we ons zelf steeds afvragen of deze regels voldoen aan onze moraal van ‘soberheid en dienstbaarheid’.

 

 

 

 

 

 

 


Kernwaarden

De kernwaarden die ons politiek en persoonlijk handelen richting geven komen voort uit ons Beginselmanifest.

 

Betrokkenheid

De PvdA strijdt voor emancipatie en komt op voor de zwakkeren in de samenleving. Dat vraagt onze zichtbare betrokkenheid bij het lot van de ‘mensen achter de dossiers’.

 

Geloofwaardigheid

Politiek is alleen effectief als zij geloofwaardig, betrouwbaar en authentiek is. PvdA-politici vragen zichzelf en elkaar elke dag opnieuw of onze kernwaarden duidelijk  genoeg zijn in ons handelen.

 

Onafhankelijkheid

We vinden dat macht om tegenmacht vraagt. Wij staan open voor initiatieven vanuit de samenleving, voor opvattingen van anderen en voor tegengeluiden maar maken natuurlijk zelfstandig en onafhankelijk afwegingen.

 

Openheid en verantwoording

Politiek en bestuurlijk handelen raakt het maatschappelijk belang en moet open, transparant en controleerbaar te zijn. Tot de politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid behoort ook het periodiek verantwoording afleggen in de breedste zin van het woord.

 

Respect

In ons Beginselmanifest spreken we over onze vrijzinnige moraal: tegen de achtergrond van voor iedereen geldende grondrechten is er ruimte voor verschillende levensbeschouwingen, levensstijlen en culturen.

 

Sober en dienstbaar

Politici zijn dienend aan de mensen die hen verkozen hebben tot hun vertegenwoordiger. In de manier waarop we politiek bedrijven stellen we het belang van kiezers en van de partij vanzelfsprekend boven ons eigen belang. We gaan verantwoord om met de aan ons toevertrouwde publieke middelen. En natuurlijk willen wij niet het onderste uit de kan als het gaat om persoonlijke geldelijke beloningen of andere tegemoetkomingen.

 

 


 

Gedragsnormen

PvdA-politici en -bestuurders leven een aantal gedragsnormen te allen tijde na. Zowel in de letter als in de geest.

 

Onafhankelijkheid

We staan open voor wat er in de samenleving leeft, maar zijn boven alles onafhankelijk. We mijden situaties waarin (ook indirect) sprake kan zijn van gunsten of wederdiensten en vermijden de schijn van belangenbeïnvloeding of –verstrengeling. Woordvoerders hebben daarom geen aandelen of belangen in bedrijven die hun portefeuille raken of hebben het beheer daarvan op afstand geplaatst. Bestuurders bewaren nog meer afstand.

 

Nevenfuncties

Nevenfuncties naast de politieke of bestuurlijke hoofdfunctie zijn een goede manier om voeling te hebben met wat er in de samenleving leeft. In alle gevallen moet deze meerwaarde afgewogen worden tegen het beslag dat de nevenfunctie legt op de beschikbaarheid voor de hoofdfunctie. Ook zijn er grenzen aan het stapelen van nevenfuncties. Nevenfuncties mogen onder geen beding aanleiding geven tot verwarring over algemeen en bijzonder belang. We melden alle nevenfuncties en inkomsten uit nevenfuncties bij de relevante politieke leiding. We maken deze informatie openbaar.

Bij het vervullen van  politieke of bestuurlijke nevenfuncties wordt helderheid geboden over de aard van de hoofdfunctie, taken en verantwoordelijkheden.

 

Beloning en vergoeding

We houden ons altijd aan geldende gedragsregels en salariscodes en blijven ons zelf steeds afvragen of deze regels voldoen aan onze moraal van ‘soberheid en dienstbaarheid’.

We zijn sober met onkostenvergoedingen en declaraties. Vrijwel alle politieke en publiek-bestuurlijke functies kennen een forfaitaire onkostenvergoeding en dus zijn we terughoudend met additionele declaraties.

We zijn terughoudend in gebruikmaking van wachtgeld- en sociale zekerheidsregelingen voor politici en bestuurders.

 

Giften en reizen

We zijn terughoudend met het aannemen van cadeaus en uitnodigingen voor festiviteiten en reizen. Giften met een waarde boven €50,- worden altijd aan de relevante politieke leiding gemeld en openbaar gemaakt. Wat reizen betreft betalen we in principe zelf onze buitenlandse reizen. Indien er goede redenen zijn om daarop een uitzondering te maken wordt daarvan vooraf gemotiveerd melding gemaakt bij de relevante politieke leiding. Deze motivering is niet nodig als het gaat om een officiële dienstreis.

 

Onverenigbare zaken

We melden voordat we een politieke functie aanvaarden bij de relevante politieke leiding of er zaken in het verleden zijn voorgevallen die ons politiek functioneren kunnen bemoeilijken. Dit kan reden zijn om een functie niet te aanvaarden. Ook wanneer zich gedurende de zittingsperiode als vertegenwoordiger van de PvdA nieuwe ontwikkelingen voordoen die het politiek functioneren mogelijk bemoeilijken vermelden we dat.

 

Het politieke ambt

Het ambt van politicus is geen springplank naar een andere baan maar een doel op zich. Ieder politiek ambt vereist ook zijn eigen vaardigheden; uit het bekleden van de ene functie is geen recht te ontlenen op een vervolg in een andere politieke functie. We respecteren het mandaat van de kiezer. Kiezers geven voor een vastgestelde termijn het vertrouwen aan een volksvertegenwoordiger. We gaan daar niet luchthartig mee om.

 

Elkaar aanspreken

We hebben de morele verantwoordelijkheid elkaar aan te spreken op elkaars gedrag. De relevante politieke leiding van de PvdA heeft een bijzondere verantwoordelijkheid in het bewaken en het bevorderen van integer gedrag.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kandidaat:

 

Hierbij verklaar ik dat ik de gehele Erecode onderschrijf en naar deze code zal handelen,

 

…………………………………………

(Handtekening)

 

 

 

 

 

 

Voorzitter kandidaatstellingscommissie:

 

Hierbij verklaar ik zowel de letter als de geest van de Erecode met de kandidaat te hebben besproken,

 

…………………………………………

(Handtekening)

 

 

 


 

Bijlage 2

 

Wat te doen in geval van aangifte van een strafbaar feit tegen een politieke ambtsdrager?

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen ministers en staatssecretarissen, alsmede leden van de beide Kamers der Staten-Generaal enerzijds en alle andere ambtsdragers anderzijds.

 

Voor bewindspersonen en leden van de beide Kamers geldt, in het geval van een ambtsmisdrijf, een bijzondere procedure krachtens de Wet ministeriële verantwoordelijkheid. In dat geval is het Openbaar Ministerie niet bevoegd te handelen; een aangifte kan uitsluitend in behandeling worden genomen door de Tweede Kamer of door de regering, hetgeen kan leiden tot een vervolging door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Andere dan ambtsmisdrijven kunnen wel door het OM worden behandeld, maar aangezien de grens tussen gewone en ambtsmisdrijven dikwijls diffuus is, zal het OM het initiatief ook dan aan de Tweede Kamer of de regering laten. Dat is te begrijpen, omdat het eigen handelen van het OM onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt. (Een uitzondering kan worden gemaakt voor strafbare feiten, zoals door rood licht rijden of rijden onder invloed, omdat de feiten daar meestal voor zichzelf spreken en door een politieambtenaar zijn geconstateerd.)

 

Bij deze beide soorten aangiften – de een van regering of Kamer, de andere door de politie -  is voor de partij wel duidelijk wanneer zij haar partijgenoten-Kamerleden zo nodig moet adviseren het ambt neer te leggen of tijdelijk niet uit te oefenen. Zodra de Tweede Kamer dan wel de regering besluit een aangifte in behandeling te nemen, kan de betrokken ambtsdrager zijn normale politieke werk niet meer doen en behoort hij dus (tijdelijk) terug te treden.

 

Voor de genoemde gewone misdrijven, waarbij de zaak eigenlijk van meet af aan duidelijk is, kan de partijleiding evenzeer haar houding bepalen, zij het dat zij de ernst van het feit dient af te wegen tegen het belang van voortzetting van het ambt. Bijvoorbeeld, als iemand te hard heeft gereden zal dat allicht niet dezelfde consequenties hebben dan wanneer een ambtsdrager dronken achter het stuur heeft gezeten en daarbij slachtoffers heeft gemaakt.

 

Ingewikkelder wordt het als aangifte wordt gedaan tegen een politieke ambtsdrager die niet valt onder het bijzondere regime voor bewindspersonen  en Kamerleden. Het onderscheid tussen ambtsmisdrijven en andere misdrijven gaat hier niet op. In alle gevallen is het OM bevoegd. Probleem is hier vooral: wanneer hebben wij het over een serieuze aangifte en mag ervan worden uitgegaan dat serieus onderzoek onder leiding van het OM zal plaatsvinden? De praktijk is, dat de politie een aangifte in ontvangst neemt en een eerste oordeel bepaalt over de ernst van de aangifte. Als zij die onvoldoende acht, zal zij niet overgaan tot proces verbaal. Zodra wel sprake is van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit, zal de politie proces verbaal opmaken en dit inzenden naar het Openbaar Ministerie. Het OM moet vervolgens een besluit nemen tot al dan niet vervolgen.

Daar ligt het belangrijkste moment. In geval aangifte is gedaan tegen een politiek ambtsdrager moet verzekerd zijn dat een (ervaren) Officier van Justitie het proces verbaal onder ogen krijgt (en niet een onervaren parketsecretaris) en daarover zelf beslist. Besluit hij of zij tot vervolging, dan moet de zaak voor eenieder als een serieuze worden beschouwd, ook al staat niet vast dat vervolging tot een veroordeling zal leiden. Van aard en ernst van het misdrijf hangt af of de ambtsdrager moet worden geadviseerd zich tijdelijk of blijvend terug te trekken. Het spreekt vanzelf dat indien een ambtsmisdrijf in het geding is aan terugtreden niet zal zijn te ontkomen.

 

Hoe komt de partij erachter wat het effect van aangifte is? Het heeft weinig zin bij de politie te informeren of het om een serieus te nemen aangifte gaat; zij zal de bepaling daarvan overlaten aan het OM, tenzij zij zelf al heeft besloten dat het om een onzinnige aangifte gaat. Om te weten of het ernst is, doet de partij er verstandig aan om, zodra haar van aangifte iets bekend is geworden contact op te nemen met de partijgenoot waar tegen aangifte is gedaan en met de Hoofdofficier van Justitie in het ressort waar aangifte is gedaan. Aan deze kan worden gevraagd de partij te informeren indien en zodra een aangifte c.q. proces verbaal  in behandeling wordt genomen. De aangifte zelf is dus niet voldoende; er moet sprake zijn van een besluit van de Officier van Justitie de aangifte serieus te nemen.

 

Gelet op de gevoeligheid van kwesties als deze is het van belang dat het contact met de Hoofdofficier wordt voorbehouden aan hetzij de partijvoorzitter hetzij een ander daartoe aangewezen lid van het partijbestuur. Het OM zal immers wel bereid zijn informatie te geven, maar alleen dan als het niet de indruk krijgt onder druk te worden gezet of dat zijn inlichtingen in verkeerde handen komen. De partijwoordvoerder kan aan de juiste indruk bijdragen door alle noodzakelijke medewerking toe te zeggen bij de waarheidsvinding door het OM.

 

 

 


 

Bijlage 3

 

Onderwerpen van gesprek

De werkgroep heeft -gelet op deze meervoudige problematiek gesprekken gevoerd met een aantal betrokken partijgenoten.

Onderwerpen in de gesprekken waren:

 

 

 

 

 



[1] De notitie-Spekman aan het partijbestuur van 23 april 2012: ‘Einde aan de machteloze politiek; werkgroep en commissie integriteit’.

[2] Partijbestuur PvdA, Erecode PvdA, 23 november 2009

[3] Ad hoc werkgroep integriteit, nota "Integriteit is niet te koop”, 7  oktober 2005

 

[4] Zie voor een doorlopende tekst van de herziene Erecode bijlage 1.