Dreesiaans over Europese samenwerking

Willem Dreeslezing

Dreesiaans over Europese samenwerking

Door Jeroen Dijsselbloem op 22 november 2017 Delen  

Dames en heren,

Dank voor de eervolle kans om de Willem Dreeslezing te mogen houden.
Met de Willem Dreeslezing wordt de grote betekenis die Willem Drees
heeft gehad voor de opbouw van de verzorgingstaat jaarlijks gememoreerd
en de principes van de verzorgingstaat geactualiseerd en verdiept. Althans
dat laatste is mijn inzet. Ik wil met een Dreesiaanse blik kijken naar de
discussie over de verdere verdieping van de economische samenwerking in
de Eurozone en hoe dat onze nationale verzorgingstaat kan raken.

Over de houding van Willem Drees ten aanzien van economische en
politieke samenwerking in Europa bestaan veel misverstanden. Hij
besteedt daar in zijn boek “Zestig jaar levenservaring” zelf de nodige
aandacht aan.
Toen hij in januari 1945 een ontwerpprogramma opstelde voor het na de
bevrijding te voeren beleid, stelde hij daarin ook als wenselijk – en ik
citeer – “een zo nauw mogelijke economische en sociale samenwerking
van een zo groot mogelijk deel van Europa, waarbij de staten bereid
moesten zijn een deel van hun soevereiniteit op te geven“.
Met als toevoeging: “Daarbij dient de nationale zelfstandigheid te worden
gehandhaafd, vooral op die gebieden waar geestelijke opvattingen
meespreken…”.

Drees had geen hooggespannen verwachtingen van een volledige politieke
federatie maar onderstreepte bij herhaling de noodzaak van nauwe
verbindingen, ook in supranationale vorm. Met supranationaal wordt
bedoeld dat het het niveau van de staten overstijgt. Hij was geen
voorstander van federalisering ten koste van de invloed van individuele
lidstaten. Zijn reactie op het voorstel van Minister van Buitenlandse zaken
en fervent Europeaan Beyen uit 1955 tot oprichting van een economische
unie met nieuwe suprationale instellingen luidde dan ook:
“Men moet niet verwachten als men langs de weg van internationaal
overleg op weerstanden stuit, dat men langs de weg van supranationale
organen wel bereikt wat men wil”.

Drees vreesde dat men organen ging scheppen zonder het over de
bevoegdheden eens te zijn.. Hij noemde dat quasi-supranationale stappen,
niet geschraagd door economische realiteiten.
Ik voel mij thuis bij Drees, doordrongen van nut en noodzaak van
Europese samenwerking, maar soms sceptisch en zeker kritisch op het
ontwerp van de Europese integratie.

Dames en heren,
Afgelopen week vond in Götenborg, in Zweden, een top plaats van
Europese regeringsleiders over de sociale dimensie van Europa. De zgn
Social Pillar, gericht op grotere sociale cohesie en welvaart, en het
beschermen van sociale rechten.
Directe aanleiding hiertoe is de crisis van de afgelopen periode en de
opkomst van populisme in al onze landen. De Europese Commissie gaat
nu uitwerken hoe de 20 principes van de “Social Pillar” in de praktijk
moeten worden gebracht. Deze principes betreffen oa het recht op gelijke
behandeling, scholing, kinderopvang, minimum inkomen.

Tegelijkertijd vindt er momenteel een intense discussie plaats over de
toekomst van de Economische en Monetaire Unie. Een discussie
voortkomend uit de ontwrichting die de economische crisis op veel
plekken heeft aangericht en waarvan de gevolgen nog overal merkbaar
zijn. Er leeft het breed gedragen gevoel dat verdere integratie nodig is
binnen het eurogebied om de stabiliteit te verbeteren en de economische
groei te versterken terwijl ondertussen de onderlinge verschillen in sociaaleconomische
ontwikkeling moeten worden verkleind.

Opvallend is dat de samenhang tussen de ontwikkeling van een sociaal
Europa en de verdieping van de economische unie nergens wordt
besproken. Dus dat is wat ik vanavond wil doen. Met een Dreesiaanse blik.

Laat ik eerst schetsen hoe we er voor staan. Het gaat steeds beter in de
eurozone. We doen het zelfs beter dan verwacht kon worden. In de
afgelopen 4 jaar kwamen er 7 miljoen nieuwe banen bij. De gemiddelde
werkloosheid daalt snel van ruim 12 naar onder 9% maar is nog niet terug
op het niveau van voor de crisis en er zijn nog zeer grote verschillen.
Ik kom daar zo uitgebreider op terug.
Alle eurozone landen kennen weer groei, gemiddeld 2%, uiteenlopend van
1,5 tot 6%. De groeiverwachting voor de komende jaren is positief omdat
de huidige groei breed wordt gedragen. Zowel export, binnenlandse vraag
als investeringen trekken aan.
Voor de toekomst van de Muntunie is het bovendien cruciaal dat de
divergentie tussen de kern en de periferie is doorbroken. Met andere
woorden het sterk uiteenlopen van welvaart van de eurolanden tijdens de
crisis is gekeerd. Voormalige programmalanden als Spanje of Ierland
kennen de hoogste groei. Verder is het interessant vast te stellen dat landen
die de politiek lastige structurele hervormingen hebben doorgevoerd,
waartoe ook Nederland behoort, nu de sterkste groei kennen.

Dit alles komt na een diepe en lange recessie. En dus zijn we er nog lang
niet. Een diepe recessie veroorzaakt door slecht nationaal en Europees
beleid voor de crisis. Nu gaat het economische weer veel beter maar zijn
de verschillen nog groot. Niet alleen in werkloosheid maar ook in twee
andere belangrijke variabelen: De verwachte ruimte om verder te groeien
en buffers in de economie om tegenslagen op te vangen. Dat maakt dat we
met elkaar moeten kijken wat er gedaan moet worden om de eurozone te
versterken.

Maar pas op: Net zo min als het terecht is alle problemen af te schuiven op
Europa, haar instituties of haar munteenheid, is het terecht alle oplossingen
te verwachten vanuit Brussel. Toch komt de Politieke unie vaak langs als
panacee voor de tekortkomingen van de Monetaire Unie. Een Politieke
Unie met een economische regering, minister van Financien en een forse
begroting. Waar is dat eigenlijk op gebaseerd en wat zouden de
consequenties zijn?

De basis voor dit pleidooi, dat overigens breed gedeeld wordt, is dat
zonder een forse gezamenlijke begroting, een monetaire unie uiteindelijk
te maken zal krijgen met financiële instabiliteit of economische depressie,
tot het punt waar de unie uit elkaar zal vallen. De inspiratie voor deze
theorie komt van de “optimal currency area” theorie van de Canadese
econoom Robert Mundell.

Deze theorie vergelijkt de voordelen van een muntunie, wisselkoersstabiliteit,
met het nadeel van het verlies van de mogelijkheid van
wisselkoers-manipulatie om te reageren op economische tegenslag. De
voordelen wegen op tegen de nadelen wanneer er (1) voldoende prijs- en
loonflexibiliteit binnen landen, (2) voldoende mogelijkheden voor arbeid
en kapitaal om binnen de muntunie zich te verplaatsen en/óf (3) voldoende
overdrachten van private of publieke middelen tussen de landen kan
plaatsvinden om zo economische schokken op te vangen.

De voorstanders van een volledige politieke unie halen uit deze
voorwaarden voor een muntunie met name dat een eurozone budget
noodzakelijk is, om publieke middelen over te dragen aan regio’s die
economische tegenslag kennen.

Dat laatste is wat mij betreft denkbaar, ik kom daar op terug. Maar de
aannames dat alle andere vormen van economische correcties tussen
lidstaten van de eurozone niet bestaan, is onjuist.
Loon- en prijscorrecties doen zich voortdurend voor. De interne markt
zorgt daar voor. Wel is het zo dat afgeschermde markten, beschermde
beroepen, vaste prijzen deze aanpassingen moeilijker maken. Vandaar dat
in veel van onze landen die rigiditeit met hervormingen is aangepakt. En ja
dat betekent ook dat in sommige landen de afgelopen jaren de lonen naar
beneden moesten worden bijgesteld nadat ze in de kredietbubbel van vóór
2008 explosief waren gestegen.

Ook arbeidsmigratie als correctie op tijdelijke economische terugslag in
sommige delen van onze muntunie, heeft zich veelvuldig voorgedaan. En
nu het beter gaat in Spanje en Portugal keren mensen weer terug uit
Duitsland. Maar hier is duidelijk dat belemmeringen in toegang tot
voorzieningen de arbeidsmigratie tussen landen nog tegenhoudt. Het is dus
belangrijk om arbeidsmigratie binnen de muntunie beter mogelijk te
maken. Ook de mogelijkheid om kapitaal binnen de muntunie te kunnen
verschuiven, is cruciaal voor correctie op economische divergentie.
Europese banken zijn als gevolg van de crisis weer steeds meer nationaal
gaan werken. Dit betekent dat de toegankelijkheid van krediet voor
MKB’ers tussen landen sterk uiteen kan lopen, zonder dat dat economisch
rationeel is. Dit maakt dat we de Bankenunie moeten afmaken waarmee de
banken in alle landen te maken hebben met dezelfde regels en hetzelfde
toezicht. Maar zeker zo belangrijk, ook moeten doorwerken aan een
Kapitaalmarkt Unie. Een kapitaalmarkt voor Europa, waar dezelfde
standaarden en waarborgen gelden en waarmee MKB’ers, naast vreemd
vermogen van de bank, ook veel meer toegang krijgen tot risicodragend
vermogen van investeerders. Dit zijn cruciale elementen om een muntunie
‘shockproof’ te maken.

Tenslotte spreekt Mundell in zijn “optimal currency area” theorie over
private overdrachten tussen landen ter correctie van eenzijdige
economische schokken. U kunt zich daar mogelijk weinig bij voorstellen.
Maar laat ik u een voorbeeld geven. In de eerste jaren van de crisis zijn
veel banken gered met belastinggeld. Dat was gegeven de paniek van de
crisis misschien onvermijdelijk maar economisch onverstandig en politiek
onrechtvaardig. Banken werden in heel Europa gered ten koste van hele
hoge staatsschulden. Maar feitelijk lieten we de kapitaalverschaffers uit
Nederland of Duitsland, die tijdens de ‘creditboom’ risicovol hadden
geïnvesteerd in slechte Ierse of Griekse leningen wegkomen zonder
verlies. Die moesten volledig worden gedragen door de belastingbetalers
van die landen in de vorm van een hoge staatsschuld. Er werd ge-bail-out.
Als schragend principe onder de Bankenunie hebben we nu bail-in
ingevoerd. Waarmee ook private partijen bijdragen aan het wegwerken van
verliezen en tekorten in crisislanden. Zoals Mundell het bepleitte.
Conclusie: Om de Muntunie te versterken, is het belangrijkste het goed
laten functioneren van economische principes en mechanismen. Een
eurozone-budget kan dat aanvullen maar kan het zeker niet alleen.

Wat zijn de consequenties van een fors eurozone budget?

Laten we ook die andere vraag beantwoorden. Stel dat het overleven van
de muntunie afhangt van een forse eurobegroting. Wat betekent dat dan?
Wat zijn de consequenties? Deze zijn economisch en politiek fors.
Tenminste er van uitgaande dat een dergelijke eurozone begroting fors
moet zijn om impact te hebben. De optelsom van de nationale begrotingen
van de EU-landen is ongeveer 50 maal de omvang van het huidige EU
budget.
Het creëren van een forse bazooka in de EU-begroting betekent
onvermijdelijk een overdracht van budgetten van nationaal naar Europees
niveau. Wat betekent dat in de praktijk? Dat deze invulling van
“verdieping van de integratie” onze verzorgingsstaten gaat raken.
Onze nationale begrotingen worden gedomineerd door de grote collectieve
voorzieningen: sociale zekerheid en pensioenen, volksgezondheid,
onderwijs. In Nederland in 2018 zo’n 80% van de uitgaven. Allemaal
nationale bevoegdheid. Overdracht van een fors deel van het nationale
budget zou overdracht van die taken moeten betekenen. Maar daar is geen
draagvlak voor. In tegendeel, opkomend populisme in al onze landen laat
zien dat bemoeienis van Europa met onze verzorgingsstaat nergens wordt
verwelkomd. Denk aan onze Nederlandse pensioenfondsen die agressief
worden verdedigd tegen Europese regels in de Tweede Kamer. De
nationale verzorgingsstaat is onderdeel van onze identiteit. En die identiteit
is sterk bepaald op nationaal niveau.

Ook economisch is het creëren van Europese sociale zekerheid, voor zulke
uiteenlopende economieën en samenlevingen, buitengewoon complex en
riskant. Toch liggen er nu voorstellen op tafel in deze richting.
Onderdeel van de discussie over de versterking van EMU is een budgettair
instrument om asymmetrische schokken op te vangen, dat wil zeggen
economische schokken die zich slechts in één of enkele staten voordoen.
Normaal zou dat land ook met monetair beleid een schok op kunnen
vangen. Devaluatie van de munt of verlaging van de rente. Maar dat beleid
ligt tegenwoordig bij de ECB en de ECB richt zich op de eurozone als
geheel. Dan zou een land nog zelf het begrotingstekort op kunnen laten
lopen. Maar daar hebben op dit moment juist landen die budgettair zouden
moeten stimuleren, geen ruimte voor. Lange termijn prudent
begrotingsbeleid kan dat in de toekomst voorkomen maar helpt ons niet op
de korte termijn.

Om uit deze dode hoek te komen vindt er nu veel discussie plaats over het
creëren van een nieuwe budgettair instrument, de fiscal capacity, voor de
eurozone. Deze zou nodig zijn in situaties waarbij één land of regio binnen
de muntunie wordt getroffen door recessie. Wanneer het gehele blok van
euro-landen te maken krijgt met crises is het monetaire beleid van de ECB
het medicijn voor ons allemaal. Maar het monetaire beleid kan nooit
specifiek per land worden afgestemd. Terwijl het land zelf noch de renteknop
kan bedienen, noch de wisselkoers kan manipuleren. Een
competitieve devaluatie is dus niet mogelijk. Hoewel de theorie van de
optimale muntunie laat zien dat een land nog veel kan doen met structurele
hervormingen om economische dynamiek terug te brengen, zijn er veel
mensen die menen dat een stroppenpot onmisbaar is.

Over de vulling van deze pot lopen de ideeën uiteen. Een term die vaak
terugkeert is “Rainy day fund”. Het idee erachter is dat landen in goede
tijden extra afdragen aan dit fonds om in slechte tijden ervan te kunnen
profiteren. Dat kan natuurlijk alleen maar werken als de middelen
collectief zijn en er het vertrouwen bestaat tussen lidstaten dat er in
principe, over een langere periode in gelijke mate gebruik van zal worden
gemaakt.
Het steun trekken uit dit fonds zou kunnen in de vorm van een gezamenlijk
systeem van werkloosheidsverzekering, of herverzekering. In een recessie
lopen de uitgaven sterk op en deze extra uitgaven aan conjuncturele
werkloosheid zouden kunnen worden betaald of gefinancierd uit dit fonds.
Een spiegelbeeldige variant is een “investment protection scheme”. De
aanname hierachter is dat in een crisis de uitgaven aan
inkomensondersteuning (werkloosheidsutkeringen!) snel oplopen en
daarmee de investeringsruimte wordt opgegeten. Om dat te voorkomen
kunnen landen geld krijgen of lenen om publieke investeringen in bijv.
onderwijs&onderzoek of infrastructuur overeind te houden.

Centrale idee dat steeds terugkomt is steun voor landen waarin tijdelijk de
werkloosheid fors oploopt. Zou dat kunnen werken?

Ja als de wijze van inrichting van de arbeidsmarkt en de wijze van
verzekering tegen werkloosheid veel beter op elkaar zouden aansluiten. En
daar is heel veel voor te zeggen. Het zou de inwoners van onze landen
beter beschermen, hun bescherming zou geldend zijn in alle landen en de
mobiliteit door de eurozone zou fors toenemen. En dat zal de economische
stabiliteit van de muntunie verbeteren.
Is het ook praktisch denkbaar? Nee nog lang niet. Daarvoor is het
belangrijk je te realiseren hoe uiteenlopend de landen van de eurozone nog
zijn. Enkele voorbeelden. De totale arbeidsmarkt gerelateerde uitgaven in
onze landen lopen uiteen van 0,5 tot 4% van het BBP van de lidstaten. Dit
hangt sterk samen met de vraag in hoeverre de bescherming van arbeid dan
wel flexibiliteit van de arbeidsmarkt voorop staat. Dat geldt ook voor het
niveau van structurele werkloosheid dat ook zeer uiteenlopend is in de
eurozone van circa 3% in Duitsland tot circa 10% in Spanje.
Maar ook de karakteristieken van de WW-regelingen zijn zeer
uiteenlopend. Alleen al het maken van een vergelijking is heel lastig. De
duur van een WW uitkering loopt uiteen van 4 jaar tot 3 maanden. De
hoogte verschilt van 45 tot 80% van het laatst verdiende loon. Het aantal
werklozen dat daadwerkelijk WW ontvangt als percentage van de totale
groep verschilt ook sterk, van 16 tot 82%.

Al deze verschillen komen voort uit verschillen in economische, sociale en
politieke ontwikkelingen in landen over een langere tijd. In veel landen
spelen sociale partners een grote rol in het vormgeven en besturen van
sociale regelingen. Maar in andere landen is het roer en de portemonnee
volledig in handen van de staat. Gegeven deze zeer grote verschillen, is het
heel moeilijk om één stelsel te ontwikkelen dat passend zou zijn voor
allen. En als we zo’n stap zouden zetten, zou het verregaande gevolgen
hebben voor de inrichting en het functioneren van arbeidsmarkten.

Is het daarmee een slecht idee? Nee een collectieve verzekering tegen
werkloosheid kan een goed idee zijn. Het zal eerst een convergentie van
onze economieën vergen, van de mate van bescherming cq flexibilisering
van de arbeidsmarkt en daarmee samenhangend van de vormgeving van
die nu nog zeer uiteenlopende werkloosheidsverzekeringen. Een
convergentie van economie en beleid die lange tijd zal duren en waarbij
het moet gaan om een convergentie richting “best in class”. Waarbij “best
in class” een goede balans reflecteert tussen zekerheid en flexibiliteit,
tussen in- en outs, tussen werkenden en niet (meer) werkenden, binnen en
tussen de regionale arbeidsmarkten. Dit proces komt niet vanzelf tot stand.
Maar het geleidelijk werken aan principes of standaarden, en het leren van
elkaar, kan een goede volgende stap zijn, voortbouwend op de
uitgangspunten van de Europese Sociale top in Zweden.

In de Eurogroep hebben we de afgelopen jaren al op een aantal terreinen
de samenwerking op deze manier opgezocht. We hebben de duurzaamheid
van pensioenstelsels tegen het licht gehouden. En in vrijwel alle
eurolanden wordt de pensioenleeftijd geleidelijk verhoogd. We hebben de
belastingdruk op arbeid en vooral het verschil tussen bruto en netto-lonen
voor lage inkomens vergeleken. In meerdere landen is de belastingdruk
aan de onderkant van de arbeidsmarkt de afgelopen paar jaar aangepakt.

Ook op andere terreinen hebben we, zonder overdracht van bevoegdheden,
de samenwerking tussen de lidstaten versterkt. Denk aan de strijd tegen
belastingontwijking en ontduiking. In 2016, toen Nederland voorzitter van
de EU was, hebben we een heel pakket aan maatregelen afgesproken
waarmee belangrijke ontsnappingsroutes van internationale bedrijven
worden afgesneden. Het is een mooi voorbeeld waarbij we met
samenwerking tussen landen goede vooruitgang hebben geboekt.

Afrondend

In al onze landen speelt de vraag hoe we onze mensen weer een vaste
grond onder de voeten kunnen geven. Waar sociaal-democratische en
christen-democratische bewegingen in de vorige eeuw voortdurend de
economische kansen èn de sociale zekerheid in de levens van mensen
verbeterden, zal bestaanszekerheid in deze post-crisis periode opnieuw de
centrale boodschap moeten zijn. In de afgelopen decennia accepteerden en
omarmden we dat landsgrenzen minder belangrijk werden en de wereld
mondialer. De internationale samenwerking die tegelijkertijd alles wat
kwetsbaar is, zou moeten blijven beschermen schiet nog tekort. Met als
gevolg onvrede en wrok. In mijn ogen moet het gaan over bescherming èn
perspectief bieden.

Niet door de internationale samenwerking, zoals in de Europese Unie en
de Eurozone weer af te breken en ons achter de spreekwoordelijke dijken
terug te trekken maar door de samenwerking krachtiger te maken. Maar
ook niet door sociale verworvenheden die op nationaal niveau zijn
bevochten, in te ruilen voor kwetsbare arrangementen op Europees niveau.
Te vaak zijn met teveel verwachtingen grote stappen gezet in de vorming
van wat Europa nu is. Als we de Europese route kiezen, laten we het deze
keer dan goed krijgen.

Er zijn veel voorbeelden waar Europese samenwerking beter moet omdat
we anders de problemen niet goed aan kunnen. Denk aan migratie en asiel.
Denk aan klimaat. Denk aan veiligheid en defensie. Of het bestrijden van
belastingontduiking. Maar lang niet altijd betekent dat centralisatie naar
Brussel. Lang niet altijd betekent het dat bevoegdheden moeten worden
overgedragen aan Europese instellingen. Directe samenwerking tussen
landen, soms tussen verschillende grepen van landen binnen de Unie, is
soms de aangewezen methode om solide stappen voorwaarts te zetten.

Zo moeten we ook naar onze sociale voorzieningen kijken. Deze zijn
grotendeels nationaal georganiseerd en dat heeft veel goede redenen. Maar
net als we binnen het onderwijs, met behoud van nationaal
onderwijsbeleid, de diploma’s en standaarden internationaal vergelijkbaar
en dus uitwisselbaar hebben gemaakt, kunnen we dat ook doen voor
sociale rechten die individuen hebben verworven en opgebouwd.
Daarbij geholpen door convergentie, naar elkaar toegroeien, niet alleen
van onze economie maar ook van ons collectieve voorzieningen.

In dat proces kunnen we elkaar veel beter steunen. En daar kan het
Eurozone ESM-fonds, waarvan ik voorzitter ben, een centrale rol in
spelen. De structurele hervormingen die nodig zijn om de arbeidsmarkt
evenwichtiger te maken of het pensioenstelsel houdbaar, zijn soms sociaal
en politiek kostbaar. Landen die die hervorming toch willen inzetten,
zouden moeten kunnen rekenen op onze steun. Het ESM (of EMF) kan
daarbij overbruggingsfinanciering bieden. Dus niet pas nadat landen in
diepe crisis terecht zijn gekomen, zoals de afgelopen jaren, maar
preventieve steun gekoppeld aan de belofte van hervormingen.
Aan landen zonder de euro die willen hervormen om aansluiting te vinden
bij de eurozone kan eveneens steun worden geboden vanuit de Europese
Structuurfondsen. Zodat het versterken van de muntunie evolutionair
plaatsvindt en we onze burgers mee kunnen nemen in de overtuiging dat
hun zekerheid en perspectief gebaat bij is Europese samenwerking.

Tot slot, nog even terug naar Drees.
Het is voor Nederland van het grootste belang zeer betrokken te blijven bij
de discussies over de toekomst van Europa. Er is onmiskenbaar een
nieuwe dynamiek in Frankrijk en ook een nieuwe regering in Duitsland zal
haar historische rol in de Europese eenwording niet snel veronachtzamen.
Achter de schermen vindt tussen Berlijn en Parijs al veel overleg plaats.
Waar compromissen worden gesloten, is het zaak ook tijdig het belang van
kleine open handelsnaties in te brengen.

In de mooie biografie van Hans Daalder en Jelle Gaemers van Willem
Drees beschrijven zij in het deel “premier en elder statesman” een
prachtige anekdote uit 1957.
Het is de fase waarin de laatste hand werd gelegd aan de totstandkoming
van de EEG. Binnen het Nederlandse kabinet bestond nogal wat
meningsverschil over de vraag hoe ver Nederland hierbij moest gaan. (Wat
is nieuw??)
Op 10 en 11 februari 1957 kwamen de zes betrokken premiers en hun
ministers en staatssecretarissen van buitenlandse zaken bijeen in Hôtel
Matignon, de zetel van de Franse premier, dan Guy Mollet, om de laatste
knopen eruit te trekken. Op enig moment liep de discussie vast en werd er
geschorst voor informeel overleg (opnieuw niets nieuws..). Adenauer en
Mollet trokken zich terug in de tuin. Drees stond voor het raam, waar hij
hen innig gearmd in de tuin kon zien lopen en sprak somber “Daar gaat
ons goede geld”.
En zo geschiedde. De Fransen kregen hun zin.

De houding van Drees was pro-Europese samenwerking maar niet naïef
over de Frans-Duitse as, wetend dat als Frankrijk daarin de leiding neemt,
Duitsland uiteindelijk niet blokkeert. Zijn antwoord daarop was een zeer
actieve houding in die cruciale jaren vijftig. Volop actief in de
onderhandelingen, met een scherp oog voor economische en politieke
risico’s èn kansen. Ik hoop dat het nieuwe kabinet zich de komende jaren
in Europa positioneert als Drees.

Delen:
word lid

Word lid van de PvdA!

Samen kunnen we onze idealen waarmaken.

Doe mee en word nu lid!

Word lid