Over Lodewijk Asscher

Over Lodewijk Asscher

‘Ik ben echtgenoot, vader, zoon, broer, vicepremier en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. En sinds 2017 lijsttrekker van de Partij van de Arbeid. Dat had ik niet verwacht toen ik in 2002 toetrad tot de Amsterdamse gemeenteraad.

Ik was docent op de Universiteit van Amsterdam, Nederlands recht was mijn specialiteit. Het is belangrijk om te weten waar onze wetten voor staan, wat het rechtssysteem aan ongelijkheid en onrecht kan doen. Maar het verlangen groeide om directer iets aan onrecht te doen. Daarom ben ik de politiek ingestapt.

Vier jaar later voerde ik als fractieleider van de PvdA Amsterdam campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen, samen met Ahmed Aboutaleb. We wonnen en ik werd wethouder jeugdzorg en onderwijs. Voor het eerst bestuurder, en dat beviel. Je kunt zoveel teweeg brengen als je je hardnekkig druk maakt, mensen meekrijgt, altijd gelooft dat het beter kan.

Op het moment dat ik aantrad waren er 60 zwakke scholen in de stad: daar moet je je druk om maken, anders doe je talloze kinderen onrecht aan. We brachten het aantal terug naar 4 zwakke scholen (eigenlijk nog steeds teveel). Ik stortte me op de talloze bedrijfjes en stichtingen die jeugdzorg bieden, waarvan de gemeente niet genoeg wist of de zorg wel goed was. Ik deed er alles aan om de misplaatste romantiek rondom de Wallen onderuit te halen; achter veel rode ramen zat mensenhandel en gedwongen prostitutie. Loodzware onderwerpen. En toch had ik veel plezier in de raad. Vooruitgang boeken door goed samenwerken met verschillende partijen en soms je poot stijf houden.

Toen ik werd gevraagd om tot het kabinet toe te treden, heb ik getwijfeld. Het zou mijn leven omver gooien, en dat van mijn gezin. En toch heb ik de post aanvaard. Op een nog hoger niveau aan vooruitgang werken, dat kun je niet afslaan. Toen het economisch heel slecht ging met Nederland, zijn wij niet aan de kant blijven staan. Maar hebben we onze verantwoordelijkheid genomen. We hebben onze mouwen opgestroopt om het land weer vooruit te helpen. Dat past in onze traditie. Ik ben er trots op dat wij niet alleen toeschouwers of commentatoren zijn gebleven. Vier jaar lang heb ik mijn morele kompas blijven volgen en heb ik tegenwicht geboden aan de ‘Ieder Voor Zich’-filosofie van de VVD.

Als minister heb ik ervoor gestreden dat iedereen een kans heeft op goed en eerlijk werk voor een fatsoenlijk loon. Ik sloot een sociaal akkoord, iets dat de VVD graag vergeet. Ik voerde de Wet Werk en Zekerheid in, om het ongebreidelde flexwerk te beteugelen. We pakten schijnconstructies aan om het misbruik van grenzeloos flexwerk aan banden te leggen. We voerden een hoger minimumjeugdloon in en verruimden het vaderschapsverlof.

Maar, ik zal de eerste zijn om toe te geven: er is nog heel veel werk te doen. Nederland echt vooruit brengen. Dat kan nu de overheidsfinanciën en de werkloosheid daalt. We hebben eerlijke spelregels nodig. Daar blijf ik voor strijden.

Ik ging de politiek in om zo direct mogelijk tegen onrecht te kunnen strijden; om ervoor te zorgen dat iedereen in Nederland de vrijheid krijgt die onze grondwet belooft. Nu, 15 jaar later, zie ik het aantal politici toenemen die aan de grondwet, aan grondrechten willen tornen. En dat is zorgwekkend. Geen enkel land wil gespleten zijn. We willen allemaal in vrede en vrijheid met elkaar leven, en dat vergt vechten voor vooruitgang, elke dag.

We hebben nu de kans om Nederland écht te veranderen.

Anderen over Lodewijk