Deelbelang moet wijken voor behoud landschap

Deelbelang moet wijken voor behoud landschap

Door De Redactie op 9 juli 2010 Delen  

Volgens Adri Duivesteijn, PvdA-wethouder Duurzame Ruimtelijke Ontwikkeling in
Almere, is onze ruimtelijke ordening ingehaald door een veelvoud van sectorale
wetten en regels. Om een einde te maken aan de verrommeling van onze ruimte,
moet allereerst een einde komen aan de verrommeling van de wet- en regelgeving,
die een integrale ordening van die ruimte in de weg staat. In een opiniestuk in
de Volkskrant pleit hij daarom voor een Wet op de Leefomgeving waarin het geheel
belangrijker is dan afzonderlijke en tegenstrijdige deelbelangen. Klik op lees
verder om het volledige artikel te lezen.

Hieronder het volledige artikel, zoals verschenen in de Volkskrant van 9 juli
2010:

‘De verrommeling van ons land roept niet alleen bij burgers ergernis op, maar
gelukkig ook steeds meer bij vakinhoudelijke experts, politici en bestuurders.
Over de vraag hoe dit vraagstuk aan te pakken, lopen de meningen uiteen.

Een van de maatregelen is de invoering van een tijdelijke Crisis- en
Herstelwet. Deze wet roept nog steeds gemengde reacties op. Toonde de Tweede
Kamer zich voorstander, de Eerste Kamer ging pas na een lang nachtelijk debat
akkoord.

Zelf ben ik ervan overtuigd dat we de bezem door de kast van wet- en
regelgeving van onze ruimtelijke ordening moeten halen. Ik ben er dan ook blij
mee dat de Tweede Kamer in een motie heeft opgeroepen te bezien of de Crisis- en
Herstelwet een permanent karakter zou kunnen krijgen. Maar dat is niet genoeg.
Het werkelijke probleem is dat onze ruimtelijke ordening is ingehaald door een
veelvoud van sectorale wetten en regels. Om een einde te maken aan de
verrommeling van onze ruimte, moet allereerst een einde komen aan de
verrommeling van de wet- en regelgeving, die een integrale ordening van die
ruimte in de weg staat.

De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (1988) was de laatste gezaghebbende,
échte ruimtelijke ordeningsnota. Sindsdien is integraal beleid overvleugeld door
een veelvoud van sectorale wet- en regelgeving. Twintig jaar lang is het aantal
separate wetten en regels explosief gegroeid, vaak goed bedoeld, maar altijd
gericht op enkelvoudige deelbelangen, en is een integrale gebiedsontwikkeling
naar de achtergrond gedrongen. De Tracéwet, de Vogel- en Habitatrichtlijnen, de
Natuurbeschermingswet, de Wet Geluidshinder en het ondoorzichtige moeras aan
milieuwetgeving zijn afzonderlijk belangrijker dan het resultaat als geheel.

Gevolg is dat samenhangende beleidsvorming een theoretisch gegeven is
geworden. De aandacht en concentratie van lokale en provinciale bestuurders
wordt volledig geabsorbeerd door een, vooral juridische, afhandeling van elkaar
beconcurrerende sectorale wetten. De rol van het (politieke) bestuur is
gemarginaliseerd tot het louter afhandelen van administratieve handelingen.

Illustratief is de herontwikkeling van het Utrechtse stationsgebied; niet
alleen moeten zo’n 4.200 vergunningen worden aangevraagd en kan tegen circa 70
procent bezwaar worden gemaakt, ook conflicteren die vergunningen onderling met
elkaar, zowel in inhoud als in tijdstermijnen.

Het wordt helemaal problematisch wanneer sectorale wetgeving vooral
strategische doelen dient. Zo lijken de natuurcompensatieregels logisch, maar
gaat het wel om natuurbehoud of wordt hier een extra financieringsstroom
gecreëerd, buiten de sectorale budgetten om? Zo zie ik niet in waarom burgers
van Almere miljoenen euro’s voor bos- of kiekendiefcompensatie moeten betalen,
voor bossen die als productiebos zijn aangelegd, en het volstrekt arbitrair is
of de enkele kiekendief in kwestie wel gebruikmaakt van die dure
foerageergebieden.

Hoe kan het dat wij van onze bestuurders administratieve boekhouders hebben
gemaakt? Is het niet de taak van het bestuur om te komen tot een doordachte
synthese van belangen, opdat onze openbare ruimte wordt ingericht op een wijze
die trots en respect afdwingt?

Wat is de oplossing? Het nieuwe kabinet moet het vraagstuk in het
regeerakkoord onderkennen en zichzelf tot doel stellen antwoorden te bieden.
Voorop staat dat, in ons ruimtelijke ordeningsbeleid, een integrale afweging
moet prevaleren boven de optelsom van de afzonderlijke doelen. De Crisis- en
Herstelwet biedt daarvoor onvoldoende garantie. De werkelijke oplossing ligt in
de ontwikkeling van een integrale Wet op de Leefomgeving.

Kern van zo’n wet is dat de separate doelstellingen samenkomen in één
gebiedsontwikkelingsplan, op basis waarvan één vergunning kan worden verleend.
Sectorale wet- en regelgeving blijft een rol spelen, maar het geheel wordt
belangrijker dan de afzonderlijke belangen. Het gebiedsontwikkelingsplan biedt
daarvoor de benodigde slagkracht. Niet alleen om procedures te versnellen, maar
ook om medezeggenschap en rechtszekerheid zorgvuldig te borgen.

In het gebiedsontwikkelingsplan moet aan de verschillende sectorale doelen
worden voldaan, maar als dat niet kan of als sprake is van tegenstrijdige
belangen, dient de politiek daarover een weloverwogen en goed gemotiveerd
besluit te nemen.

Is zo’n generieke Wet op de Leefomgeving een ingrijpend traject? Nee, dat
hoeft helemaal niet. Laten wij lering trekken uit de aanpak van de
stadsvernieuwing door Jan Schaefer in 1985, en naar analogie van de Wet op de
Stads- en Dorpsvernieuwing komen tot een fundamentele stelselherziening binnen
de ruimtelijke ordening. De Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing was politiek
onomstreden, en heeft gezorgd voor een grote doorbraak in de stadsvernieuwing.

Laten wij opnieuw bezien hoe afzonderlijke belangen kunnen worden verenigd in
één gebiedsontwikkelingsplan. Laten we een einde maken aan de dominantie van
sectorale doelstellingen, en de betekenis van het geheel centraal stellen. Dit
is een keuze voor de rehabilitatie van het primaat van het (politiek) bestuur,
en daarmee voor het behoud en herstel van onze steden en ons landschap.’

Delen: