Voor iedereen plek op de arbeidsmarkt

Voor iedereen plek op de arbeidsmarkt

Door John Kerstens op 31 januari 2013 Delen  

De Partij van de Arbeid wil dat iedereen mee kan doen op de arbeidsmarkt, ook zij die een arbeidshandicap hebben. Want meedoen op de arbeidsmarkt betekent meedoen in de samenleving. Om die reden hebben we in het regeerakkoord afgesproken dat bedrijven met meer dan 25 werknemers minimaal vijf procent van hun functies moeten laten vervullen door mensen met een beperking. Een stok achter de deur die blijkbaar, en helaas, nodig is.

Met de invoering van de zogeheten Participatiewet willen we dit wettelijk regelen. Deze wet is de opvolger van de Wet Werken naar Vermogen, waarmee flink werd bezuinigd op de sociale werkplaatsen. Ook met de Participatiewet wordt er bezuinigd op de sociale werkplaats, daar loop ik niet voor weg. Maar we voorkomen dat arbeidsgehandicapten worden geconfronteerd met herkeuring of verlaging van hun uitkering. En we smeren de bezuinigingen uit over een twee keer zo groot tijdsbestek, zodat de nieuwe regels geleidelijker, en zorgvuldiger, ingevoerd kunnen worden. Dat is belangrijk, want de aankondiging van deze nieuwe wet heeft tot onrust geleid.

De Participatiewet geeft werkgevers een steuntje in de rug om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Een verantwoordelijkheid die door niemand wordt weersproken. Daarbij hoop ik dat bedrijven die het goede voorbeeld geven de rest van ondernemend Nederland op sleeptouw nemen om te laten zien dat het kan: mensen met een beperking ‘gewoon’ in je bedrijf mee laten draaien.

De laatste maanden heb ik veel sociale werkplaatsen bezocht en gesproken met de vakbeweging, werkgevers, gemeenten en organisaties voor wajongeren. Maar vooral ook met de mensen om wie het gaat: mensen uit de sociale werkvoorziening, wajongeren en mensen die op een bijstandsuitkering zijn aangewezen. Je kunt niet óver hen praten zonder mèt hen te praten. Want ik besef goed: zonder naar hun wensen te luisteren kan ik hen niet vertegenwoordigen. Ik blijf dat ook doen. Luisteren naar hun wensen, ideeën en zorgen.

Lees hier mijn spreektekst tijdens het debat over de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken:

Gesproken woord geldt

Ik heb de laatste maanden veel sw-bedrijven en sociale diensten bezocht. Ben bij ’t UWV geweest en heb bezoek gehad van de vakbeweging, van werkgevers, van gemeenten, organisaties voor wajongeren, voor gehandicapten enzovoorts. Daarbij heb ik heel veel mensen gesproken. Directeuren, wethouders, raadsleden, coaches, werkplekbegeleiders, beleidsadviseurs, maar vooral natuurlijk de mensen over wie wij het vandaag hebben. Mensen die net als wij allemaal vooruít willen komen in ’t leven. In, met en door hun werk. Maar die daar net even wat meer hulp bij nodig hebben. Mensen in de sociale werkvoorziening, Wajongeren, mensen die op een bijstandsuitkering aangewezen zijn. Er zitten er hier vandaag aardig wat in de zaal. En een aantal ervan ken ik.

Zoals een van hen me zei: je kunt niet óver ons praten zonder mèt ons te praten. En dat doe ik dus. Blijf ik ook doen. De komende maanden. En daarna. Praten, en luisteren. Naar hun wensen. Hun zorgen. Hun ideeën… En ik vertel ze de mijne.

Ik ben lid van een van de twee fracties die het regeerakkoord hebben onderschreven. Inclusief de daarin aangekondigde Participatiewet. Een wet die in z’n naam al laat zien dat-ie gaat over méé doen. Over participeren. Op de arbeidsmarkt. En daarmee in de samenleving.

En ik heb het al eerder gezegd: omdat de PvdA niet alleen met zichzelf kon onderhandelen over dat regeerakkoord heeft de Participatiewet trekken van de gesneuvelde Wet Werken naar Vermogen, waar destijds hier in de Kamer overigens een meerderheid voor bestond. Een paar trekken volgens de een, een hoop volgens de ander.

Ja, ook met de Participatiewet wordt bezuinigd. Ook in de Participatiewet wordt voorzien in een afbouw (zij het een zeer geleidelijke) van de sociale werkvoorziening. En ook in de Participatiewet wordt gesproken over loondispensatie. Het tijdelijk, zij het met een aanvulling, werken onder het minimumloon. Anders dan eerst wordt nu overigens wel nadrukkelijk belang gehecht aan de uitkomsten van de verschillende pilots. Ik kom daar later op terug.

Maar, zoals de staatssecretaris schrijft in haar contourenbrief van midden december die we hier vanmiddag bespreken: er is geluisterd naar signalen uit de samenleving. En die signalen zijn terug te vinden in de contouren van de Participatiewet die in die brief worden geschetst.

Zo worden elementen als de regierol van de gemeente en de zogenaamde ‘ontschotting’ (het afbreken van de muurtjes tussen WSW, WWB en Wajong zodat gemeenten hun net genoemde regierol beter kunnen vervullen) behouden. Mijn partij, de Partij van de Arbeid, pleit daar al lang voor. Ik herhaal hierbij overigens nog eens het grote belang om de verschillende zogenaamde ‘decentralisaties’ waarvan in deze kabinetsperiode sprake zal zijn in hun onderlinge samenhang te bezien. Zodat ze elkaar versterken, en niet in de weg zitten. Zodat ze die regierol van gemeenten versterken en gemeenten zichzelf, maar vooral de mensen waar het om gaat, niet in de weg zitten.

Ik hoor overigens graag van de Staatssecretaris hoe zij, nu de Participatiewet de eerste van die decentralisaties is, die samenhang met de later komende wetten over jeugdzorg en awbz gaat waarborgen.

Omdat er geluisterd is naar signalen bevat de Participatiewet volgens de contourenbrief, en daar zijn we nòg weer wat positiever over, een aantal belangrijke wijzigingen ten opzichte van de Wet Werken naar Vermogen. Zoals het feit dat de huidige groep wajongeren niet wordt geconfronteerd met herkeuring of verlaging van hun uitkering. Ze kunnen er wel zèlf voor kiezen over te stappen naar de Wajong nieuwe stijl en ik zou ze ook willen vragen daar serieus over na te denken, want daarin staat ‘meedoen’ meer centraal.

Of het gegeven dat de besparingen over een ruim twee keer zo lange periode worden uitgesmeerd, zodat de overgang naar de nieuwe regels geleidelijker en zorgvuldiger kan plaatsvinden. En dat is belangrijk. Want de aankondiging van weer een nieuwe wet maakt mensen onzeker en ongerust. Dat hoor ik ook natuurlijk. En dat snap ik ook.

Tevreden is de PvdA-fractie met het feit dat het grootste probleem dat aan de Wet Werken naar Vermogen kleefde in de Participatiewet wordt aangepakt. En dat is dat we er niet zo maar van uit kunnen gaan dat al die mensen met een beperking als vanzelf aan de slag kunnen in het ‘normale bedrijfsleven’. En dat is wèl nodig, willen mensen niet ‘tussen wal en schip vallen’. Met de nieuwe Participatiewet worden werkgevers om het zo te zeggen ‘een handje geholpen’ hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, die door niemand wordt weersproken, te nemen.

En wel met de in het regeerakkoord genoemde verplichting voor werkgevers met 25 medewerkers of meer om tenminste vijf procent van de functies in hun onderneming te laten vervullen door mensen met een beperking. Een quotum. Een stok achter de deur die blijkbaar, en helaas, nodig is. De goede werkgevers in dit opzicht, en de goede werkgeversinitiatieven die er absoluut zijn (ik denk bijvoorbeeld aan ‘De normaalste zaak’ waar ik maandag op bezoek was en de ‘prestatieladder sociaal ondernemen’ waarover ik vrijdag praat, maar er zijn er meer) niet te na gesproken natuurlijk. Ik hoop dat zij de rest van ondernemend Nederland op sleeptouw nemen om zo de rest van heel Nederland te laten zien dat het kan: mensen met een arbeidsbeperking ‘gewoon’ in je bedrijf aan het werk hebben.

In het regeerakkoord heeft het kabinet uitdrukkelijk de hand uitgestoken naar werkgevers en vakbeweging om gezamenlijk te komen tot een sociale agenda. De besprekingen daarover zijn inmiddels voorzichtig op gang gekomen. Ik weet dat daarbij ook de Participatiewet op tafel ligt. En dat juich ik toe. Betrokkenheid van sociale partners leidt immers tot draagvlak en betere afspraken. Wel zou ik willen wijzen op het belang om mogelijke uiteindelijke afspraken in deze tijdig af te stemmen met gemeenten of gemeenten zo mogelijk in die besprekingen te betrekken. Zij hebben immers straks een erg belangrijke rol bij het laten meedoen van mensen op de arbeidsmarkt. En dat gaat alleen maar lukken als de verschillende spelers elkaar weten te vinden. En samenwerken.

Ik zou de staatssecretaris willen vragen hoe ze dat gaat bewerkstelligen.

Overigens voeg ik er, wellicht ten overvloede, aan toe dat het voor mijn fractie (maar vooral voor de mensen) van groot belang is dat uiteindelijk sprake is van afdwingbare kwantitatieve en kwalitatieve afspraken. Simpel gezegd: voor elke deur die bijvoorbeeld in de sociale werkvoorziening dichtgaat, zou er een op de reguliere markt moeten opengaan. Die plekken in het reguliere bedrijfsleven moeten er komen. Voldoende plekken, en fatsoenlijke. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat de doorgeschoten flex die elders in het regeerakkoord de wacht wordt aangezegd hier wordt geïntroduceerd.

Met andere woorden: sociale partners zijn uitgenodigd, in het regeerakkoord al, om mee te denken. Aangezien het quotum middel en geen doel is, mogen ze zich ook daar over buigen. En als ze er, binnen de kaders van het regeerakkoord, in slagen het beoogde doel van zo veel mogelijk mensen met een beperking zo normaal mogelijk in het reguliere bedrijfsleven aan de slag te bereiken, dan kijkt mijn fractie daar uiteraard serieus naar. Omdat we sociale partners serieus nemen. Maar tot nu toe heb ik nog geen beter middel voorbij zien komen dan het in het regeerakkoord genoemde quotum.

Ik zou de staatssecretaris overigens willen vragen of ze bereid is (nu bijvoorbeeld zowel de afbouw van de sw-sector als de opbouw van het quotum in de tijd worden uitgesmeerd) de voortgang van en het evenwicht tussen een en ander te monitoren en als daaruit blijkt dat daar aanleiding toe is met de Kamer en betrokkenen in overleg te treden.

Wat de samenwerking waar ik het net over had, en dan niet bij het maken van afspraken maar bij het uitvoeren ervan, betreft vraag ik de staatssecretaris wat zij gaat doen, wat ze kan doen, om de 35 arbeidsmarktregios’s die we inmiddels hebben ook echt de slagkracht te geven die nodig is om de als het gaat om mensen met een beperking mee te laten doen op de arbeidsmarkt zo cruciale werkgeversbenadering goed van de grond te krijgen.

Overigens begrijp ik dat grote bedrijven, wier werkgebied niet tot êên arbeidsmarktregio beperkt blijft, graag één landelijk ‘loket’ willen. Ik vraag de Staatssecretaris of ze daartoe bereid is.

Aandacht vraag ik ook voor het noodzakelijke evenwicht tussen beleidsruimte voor gemeenten enerzijds (zodat ze de van hen gevraagde, en door henzelf gewilde, regierol ook echt kunnen waarmaken) en randvoorwaarden die wij moeten meegeven om de positie van de mensen waar het om gaat te waarborgen. Het hoeft van mij niet per sÄ— altijd tot achter de komma uniform, maar het moet wel steeds objectief. Een bezwaar- en beroepsprocedure als je van mening bent dat dingen fout gaan, helpt daarbij. Net zoals het serieus nemen van zeggenschap, medezeggenschap, van de mensen om wie het gaat.

Ik hoor van de staatssecretaris graag de bevestiging dat ze dat ook vindt en de door mij genoemde elementen dus een plek krijgen in de wet.

Ik heb de Staatssecretaris inmiddels verscheidene keren gewezen op de soms grote regionale verschillen in ons land. De mensen van Dethon uit Zeeuws-Vlaanderen, ik heb ze twee maanden geleden bezocht, hebben daar voor dit overleg ook aandacht voor gevraagd. Los van het feit dat die verschillen hun eigen oorzaken hebben en ook niet altijd allesbepalend zijn voor bijvoorbeeld het in het reguliere bedrijfsleven aan de slag krijgen van mensen, ze zìjn er wel.

Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe ze met die verschillen rekening houdt op een manier die alle gemeenten in ons land min of meer dezelfde kansen biedt om de Participatiewet te laten slagen. Dat is van belang voor die gemeenten, maar vooral voor de mensen waar het om gaat.

Waar ik de staatssecretaris eveneens verschillende keren naar heb gevraagd, is de uitkomst van de pilots die hebben plaatsgevonden met het instrument loondispensatie. Het regeerakkoord zegt dat de uitkomst daarvan van belang is voor maatvoering en invulling van loondispensatie.

Ik wil graag van de staatssecretaris weten of ze, als uit die experimenten blijkt dat aan loondispensatie meer nadelen dan voordelen kleven (en ik krijg uit alle signalen de indruk dat dat zo is) bereid is om op zoek te gaan naar andere, wèl werkende, alternatieven. Als bijvoorbeeld loonkostensubsidie of het in plaats van een financiële aanvulling van de zijde van gemeenten bijvoorbeeld aanbieden van extra begeleiding aan werkgevers.

Ten slotte: ik heb bij andere gelegenheden al gezegd dat ook ik liever het verschil maak tussen verschrikkelijk slecht zonder en fantastisch dankzij mijn bemoeienis. Maar als dat niet lukt, steek ik liever mijn handen uit de mouwen om in dat geval uit alle macht het verschil te maken tussen verschrikkelijk slecht en fatsoenlijk dan dat ik vanaf de zijlijn anderen de schuld ervan geef dat het niet fantastisch is. Met schone, maar dan ook lege handen. Anders gezegd: ik stroop mijn mouwen liever op voor de best mogelijke dan voor de best onmogelijke wet. En ik nodig iedereen uit hetzelfde te doen.

Delen: