Verkeerde spoor

Verkeerde spoor

Door De Redactie op 24 september 2009 Delen  

‘Recent verscheen een interessant en handzaam boekje van UvA-socioloog Olav Velthuis en Erasmus-econoom Liesbeth Noordergraaf, ‘Op naar de volgende crisis’. Als je het leest kun je weinig anders dan concluderen dat de recessie voornamelijk een crisis is van de neoklassieke economie die neerkomt op een ode aan de werking van de ‘vrije markt’.’ Een opiniestuk van Harmen Bos.

‘De modellen en veronderstellingen van deze stroming in de economie blijken fundamentele fouten te zitten. Helaas vormen ze nog steeds de basis van het regeringsbeleid, hetgeen de dramatische peilingen van de PvdA (14 zetels) verklaart: we zitten op het verkeerde spoor.

Voor economen die het brede welvaartbegrip hanteren (het gaat om behoeften van mensen nu en in de toekomst, waar ook ter wereld) is het inzakken van de westerse overconsumptie een zegen en kunnen de sociale gevolgen worden opgevangen door onder meer de door veel mensen gewenste arbeidstijdverkorting.

Wereldwijd is de uitstoot van broeikasgassen eindelijk gedaald. Netbeheerder Tennet meldde onlangs dat het energieverbruik met zeven procent is afgenomen. De transportsector verwacht voor 2010 een afname van het transport van tien procent. De milieudoelstellingen van de regering komen per ongeluk binnen handbereik.

Gezien de alarmerende berichten over klimaatverandering is dit verheugend. De Groenlandse ijskap begint door opwarming steeds harder in zijn voegen te kraken en glijdt in zee. Economen als Arnold Heertje en Herman Wijffels zijn roepende in de woestijn met de mededeling dat de recessie geen bedreiging is maar juist kansen biedt. Het idee van de ‘invisible hand’ die Adam Smith beschreef is echter diep verankerd in de fundamenten van de neoklassieke economie. Het lijkt erop dat dit denken stilstaat en de theorie en modellen die uitgaan van prijsvorming en rendement tot dogma zijn verheven. Velthuis en Noordegraaf beschrijven het verschijnsel ‘performativiteit’ waarbij het handelen van mensen zich voegt naar deze modellen en daarmee een self fullfilling propecy worden. Aangezien een daling van economische activiteit niet past in dit dominante referentiekader en het daarbij passende kredietstelsel ontstaat er ‘contra-performativiteit.’ De werkelijkheid en de theorie sluiten niet meer op elkaar aan. Dat noemen neoklassieke economen dan een ‘crisis’.

Sinds het verschijnen van het rapport van de Club van Rome in 1972 was er alle reden de economische theorie die is gebaseerd op groei te vervangen door een nieuw referentiekader. Duurzame economische modellen zijn er wel. Onder meer ‘steady state economy’ beschreven door Herman Daly. Uitgangspunt is de erkenning dat we wonen op een per definitie begrensde planeet, waarop permanente groei nooit het uitgangspunt kan zijn. Dit simpele besef verwoordde de econoom Kenneth Boulding reeds in 1910: ‘Anyone who believes that exponential growth can go on forever in a finite world is either a madman or an economist.’

Doordat dit simpele besef niet is doorgedrongen tot de hoofdstroom van de economische wetenschap is deze verworden tot een ideologie die ons op de rand van economische- en ecologische zelfdestructie heeft gebracht.

Het is wonderlijk om te zien dat een prominente CDA’er als Wijffels het binnen het CDA niet voor elkaar krijgt om een duurzame richting in te slaan. Camiel Eurlings ontpopt zich als fervente pleitbezorger van de asfaltindustrie, Eelco Brinkman doet hetzelfde voor de bouwsector. Maria van der Hoeven heeft bereikt dat er nu zoveel kolencentrales zijn gepland dat we dertig miljoen Nederlanders van stroom kunnen voorzien. Overcapaciteit is er ook in het buitenland, zodat exporteren geen optie is.

Nu kun je zeggen dat ze de erfgenaam is van de ‘puinhopen van D66-minister Brinkhorst’. Hij zorgde immers voor het vrijmaken van de energiemarkt nadat hij zag hoe succesvol VVD’er Jorritsma de taximarkt in Amsterdam ontdeed van knellende overheidsregels. Van der Hoeven is echter bevlogen en geïnspireerd en ziet Economische Zaken als het bedrijvenloket van de overheid met als hoofdmotto ‘u vraagt, wij draaien’.

Wanneer politici weten dat de ‘vrije markt’ onder andere garant staat voor het uitroeien van de paling en de blauwvintonijn, het bouwen van kolencentrales en vuilverbranders dan is het volhouden dat de redding moet komen van convenanten en zelfregulering te betitelen als bedrog. Cultureelfilosoof Rob Rieman van het Nexus Instituut komt daarom tot de conclusie dat dit kapitalistisch fundamentalisme gevaarlijker is dan de politieke islam. Op grond van de huidige (tekortschietende) klimaatdoelstellingen verwacht de Verenigde Naties dat de aarde met zes graden gaat opwarmen. Dat staat garant voor een ecologische holocaust die de meeste mensen, planten en dieren niet overleven.

Naast het geloof in prijsvorming als sturend mechanisme hechten economen waarde aan het kredietsysteem. Geld zien zij immers als de motor van de economie. De banken zouden ons uit de recessie moeten trekken door meer krediet te verlenen. Als reactie op deze strikt monetaire benadering stelt commentator-econoom Kees de Kort op de radio bijna dagelijks de vraag: ‘hoe kan de oorzaak van de problemen –door kredietverlening gestimuleerde overconsumptie- ook de basis van de oplossing zijn?’ Een vraag die tot nu toe onbeantwoord is.

Doordat het neoklassieke referentiekader geen historisch besef kent en daarom ook geen blik op de toekomst heeft, ziet men de invloed van brandstofprijzen over het hoofd. De druppel die de emmer van de kredietcrisis deed overlopen was de piek in de olieprijzen in 2008. Brandstof slokte toen zoveel van het inkomen van Amerikanen op (tot wel twintig procent) dat wanbetalingen sterk toenamen. Uit onderzoek blijkt dat alle recessies na 1970 in Amerika zijn gestart toen de brandstofkosten hoger werden dan vier procent van het nationaal inkomen. Dat is kennelijk een grens die de economie maximaal kan dragen.

De komende jaren verwacht het Internationale Energie Agentschap dat de beschikbaarheid van goedkope olie jaarlijks afneemt met vier tot zes procent. Daarom mogen we ervan uitgaan dat de recessie structureel is zolang onze economie afhankelijk is van fossiele energie. Deze constatering staat in schril contrast met de teksten van bewindslieden die vertellen wat de regering gaat doen als ‘de crisis straks voorbij is’. Als ware het de Mexicaanse griep.

Het is echter niet eenvoudig de realiteit te erkennen dat de recessie structurele karaktertrekken heeft en wel eens een ‘peakoil-recession’ kan zijn.

De beleidsmatige gevolgen zijn namelijk groot omdat restauratie van de situatie van vóór 2008 geen uitgangspunt meer kan zijn. De regering zou op korte termijn het belastingstelsel, de overheidsorganisatie en het financiële systeem moeten moderniseren. Dat kan ons uit de spagaat helpen waarin we economisch willen groeien om de rijksbegroting weer gezond te maken en tegelijkertijd de milieubelasting willen terugdringen. Je kunt immers geen klimaatdoelstellingen halen als je gelijktijdig een 2e Coentunnel aanlegt en wegen gaat verbreden. Het idee dat er elektrische auto’s komen doet daar niets aan af. Als er straks geen vijf miljoen auto’s rijden maar zeven miljoen waarvan twee miljoen elektrisch is er geen milieuwinst. Een dergelijke fata morgana van vooruitgang doet zich voor in Duitsland: ondanks de zo bejubelde stimulering van wind- en zonne-energie verstookt Duitsland nog net zoveel kolen als twintig jaar geleden. De duurzame energie heeft alleen de groei van het verbruik voor haar rekening genomen.

Wouter Bos concludeert na de G20 top in Pittsburgh : ‘Niemand durft hier te beweren dat de crisis voorbij is. Iedereen zegt dat je moet doorgaan met het stimuleren van de economie.’ Het kabinet moet echter zich afvragen wélke delen van de economie zij wil stimuleren en welke niet. We hebben onder andere een asfalt-, kolenstroom- en financiële economie. Daarnaast bestaat er ook de economie van duurzame energie, publiek- en elektrisch transport. Alles stimuleren ten koste van een exploderend financieringstekort ondergraaft de financiële basis van de publieke sector, de afspraken uit het regeerakkoord, de sociaal-groene uitgangspunten van de PvdA en daarmee het wegzakkend vertrouwen van de achterban.

Om een trendbreuk te realiseren in het beleid is het van belang dat het kabinet zich wendt tot andere disciplines dan de neo-klassieke economie: openbare financiën, sociologie, gedragseconomie, ‘groene’ economie en de milieuwetenschap.’

Drs. Harmen Bos
Bestuurskundige
Bestuurslid van de Landelijke werkgroep Milieu, Economie en Energie van de PvdA

Delen: