Verbeter kwaliteit lerarenopleiding

Verbeter kwaliteit lerarenopleiding

Door Metin Çelik op 24 november 2010 Delen  

Op scholen klagen docenten dat hun nieuwe collega’s van de lerarenopleiding
niet de bagage meekrijgen die deze nodig hebben voor de lespraktijk. Hun
vakinhoudelijke kennis schiet tekort en ze zijn onvoldoende in staat om
onafhankelijk van de lesboeken de leerstof over te brengen. Dat is een slechte
zaak voor de kwaliteit van het onderwijs, maar dat is lang niet altijd de nieuwe
leraren zelf aan te rekenen. De lerarenopleidingen moeten meer gaan bieden.
Daarvoor pleit ik samen met drs. Arjan Linthorst, 1e graads docent scheikunde en
verbonden als wetenschapper aan de Universiteit Utrecht.

De kwaliteit van onderwijs staat sinds vorig jaar met de motie Hamer, die
unaniem door de kamer werd aangenomen, volop in de schijnwerpers en dat is een
goede zaak. Onlangs werd de begroting van het onderwijs behandeld in de Kamer,
direct daarop volgde veel media-aandacht.

Verscheidene politieke partijen, maar ook onderwijsorganisaties, signaleren
dat de kwaliteit van de docenten die voor de klas staan niet altijd voldoet. Zo
werd er gepleit voor beloningsdifferentiatie voor goede docenten.

In feite sluit men hiermee aan bij de Functiemix, zoals ingezet door
voormalig minister van OCW, dhr. Plasterk. Er wordt afscheid genomen van de
gelijke monniken en gelijke kappen cultuur en daar zijn wij blij mee. Feitelijk
is de aandacht gericht op het huidige docentenbestand en minder op de instroom
van docenten die recent zijn afgestudeerd aan een lerarenopleiding.  Er zit een
weeffout in het onderwijs die vooralsnog niet genoeg aandacht heeft gekregen: de
kwaliteit van lerarenopleiders moet omhoog.

Om les te geven moet je in onderwijsland de juiste lesbevoegdheid hebben. De
gedachte hierachter is er erop gestoeld, dat cognitieve leeropbrengsten het
beste worden gerealiseerd als het verschil in denkniveau tussen de docent en de
leerlingen groot genoeg is. Het belang hiervan, in samenhang met de juiste
persoonlijkheidskenmerken, mag niet worden onderschat. Dit werd in 2003 met de
publicatie van het handboek “Onderwijskunde” nog eens onderstreept door prof.
Nico Verloop en prof. Lowijck.

In Nederland betekent dit dat voor het basisonderwijs een PABO-diploma
verplicht is. Voor het voortgezet onderwijs is dat een 2e graads lesbevoegdheid,
in een bepaald vak, waarmee je mag lesgeven in de onderbouw –dus t/m de derde
klas- en 4 VMBO.

Genoemde lesbevoegdheden worden doorgaans behaald aan een HBO instelling.
Voor de bovenbouw Havo/Vwo geldt een 1e graads lesbevoegdheid, in een bepaald
vak, en die wordt veelal behaald aan een universiteit, maar soms ook post-HBO.

Het is duidelijk. Zodra leerlingen op een hoger niveau komen in hun
schoolloopbaan en/of meer diepgang krijgen in een bepaald vak, dan wordt daar
met het stelsel van lesbevoegdheden op geanticipeerd. Deze logica van
lesbevoegdheden willen we hier niet betwisten, maar daar waar ze worden behaald
wél.

Om les te mogen geven aan een 1e graads lerarenopleiding of een 2e graads
lerarenopleiding heb je een 1e graads lesbevoegdheid nodig, zo is het wettelijk
geregeld. Verder zijn er geen aanvullende eisen, die ‘wettelijk’ verplicht zijn.
Dat is om meerdere redenen vreemd. Ten eerste, het niveau van een student is
hoger dan die van een bovenbouw Havo/Vwo leerling, maar die van de
lerarenopleider ten opzichte van een bovenbouw Havo/Vwo docent is hetzelfde.

Het niveau van de lerarenopleider is dus niet mee gestegen. De praktijk leert
ook nog eens dat er lerarenopleiders zijn die helemaal geen 1e graads
lesbevoegdheid hebben en/of geen doctoraal hebben in het vak waarin ze studenten
opleiden. Dit is niet wenselijk. Ten tweede, een student moet ook
pedagogisch-didactische vaardigheden ontwikkelen. Maar van wie? Onder andere van
lerarenopleiders, maar hebben zij zelf wel die pedagogisch-didactische
vaardigheden?

Wij constateren dat er geen wettelijke vereisten opgesteld zijn, zoals een
minimum aan (goede) ervaringsjaren in het voortgezet onderwijs, om
lerarenopleider te worden. De praktijk is dan ook, zonder alle lerarenopleiders
over een kam te willen scheren, dat er lerarenopleiders zijn die niet of
nauwelijks hebben lesgegeven in het voortgezet onderwijs. Zo willen wij in
Nederland toch niet het onderwijs inrichten?

Tot slot, salaristechnisch is er voor een docent aan een middelbare school
niet echt een reden om te verkassen naar een lerarenopleiding. In samenhang met
het voorgaande kan de lerarenopleiding daarom verworden tot een ‘vluchtroute’
voor docenten uit het voortgezet onderwijs -mocht daar al niet gebruik van zijn
gemaakt- in plaats van een uitdagend professioneel eindpunt voor topdocenten.

Wij dagen minister Van Bijsterveldt, die ook in het vorige kabinet als
staatssecretaris hiervoor verantwoordelijk was, daarom uit om de kwaliteit van
de lerarenopleidingen (PABO’s incluis) nader te borgen door als overheid
zwaardere eisen te formuleren voor toekomstige, en indien van toepassing,
huidige lerarenopleiders. Dit moet dan geschieden vanuit het perspectief zoals
wij hiervoor hebben aangegeven. Samen met de Functiemix wordt het Nederlandse
onderwijssysteem dan duurzamer ingericht.