Van Braamlezing in Leiden

Van Braamlezing in Leiden

Door Job Cohen op 17 mei 2011 Delen  

Bij de Bestuurskundige Interfacultaire Vereniging Leiden heb ik vanavond de
Van
Braamlezing
uitgesproken, een jaarlijkse lezing over de huidige politieke en
bestuurlijke ontwikkelingen. Toen ik het verzoek kreeg om deze lezing te houden,
heb ik meteen ja gezegd – al was het maar ter herinnering aan de periode dat ik
als jong medewerker van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid gediend heb onder
decaan Van Braam.

Van Braamlezing (pdf),
Leiden, 17 mei 2011

Dames en heren,

Toen ik het verzoek kreeg om de Van Braamlezing te houden, heb ik meteen ja
gezegd – al was het maar ter herinnering aan de periode dat ik als jong
medewerker van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid gediend heb onder decaan Van
Braam. Ver voor die tijd, in 1958, schreef Van Braam in het wetenschappelijk
tijdschrift van de PvdA Socialisme en Democratie over het ‘Misnoegen der
middengroepen’. Nadat Van Braam zijn beklag had gedaan dat Nederland zich wat
betreft de ‘verkiezingssociologie’ als onderdeel van de bestuurssociologie een
achtergebleven gebied mocht noemen, deed hij een geslaagde poging om Nederland
op te stuwen in de vaart der volkeren door de verkiezingsuitslag van 1958 voor
de PvdA te onderzoeken en te verklaren. Van Braam putte zich als waardig
wetenschapper uit in voorzichtigheid, mitsen en maren over de beperkingen van
het onderzoeksmateriaal en de inherente subjectieve interpretaties. Maar met de
kennis van nu, kunnen we vaststellen dat het een zeer goede analyse was. Hij
signaleert ontluikende trends die pas later voor iedereen helder zichtbaar
zouden worden en die in de huidige tijd tot volle wasdom zijn gekomen.

Ten eerste wijst hij op de eerste tekenen van het onbehagen van de
meritocratie. Het misnoegen van de middengroepen wijdt Van Braam deels aan de
‘tragische moeilijkheid dat (…) de opklimming in het apparaat, in het bedrijf
van onderaf steeds moeilijker wordt. De weg naar de top (…) loopt niet meer via
een geleidelijke interne promotie, maar via onderwijs en diploma. Voor velen in
de lagere regionen, doch óók in de middelbare, is de weg omhoog blijvend
geblokkeerd. Het schone uitzicht op toekomstige promotie, het optimisme ten
aanzien van een eens te verwerven hogere status en hoger inkomen, dat vroegere
generaties van ambtenaren en kantoorbedienden in zijn ban gevangen hield, maakte
plaats voor de zekerheid van een blijvend bestaan onder aan de maatschappelijke
ladder, kwetsbaar en uitzichtloos, met steeds de dreiging van proletarisering
(…)’. Wij zouden het nu niet meer zo formuleren, maar het punt is akelig
actueel. We vinden het terecht dat mensen alle kansen krijgen om hun talenten
tot ontplooiing te brengen en zo ook kansen krijgen op basis van talent – maar
lees het recente boek van Bovens en Wille over de diplomademocratie en het
recente advies van de RMO over sociale stijging – en we beseffen dat het
ongenoegen dat Van Braam signaleerde nu in versterkte vorm in onze maatschappij
aanwezig is. Het dreigt ons met een nieuwe maatschappelijke scheidslijn op te
zadelen: tussen hoger en lager opgeleiden.

Ten tweede signaleerde hij de eerste tekenen van ontzuiling, de op drift
geraakte kiezers, en de mogelijkheid die dat gaf om bij ontevredenheid over het
gevoerde beleid met de regerende partijen ‘af te rekenen’ met relatief grote
electorale verschuivingen tot gevolg. Lees het pas gepubliceerde boek van Rudy
Andeweg en Jacques Thomassen over de staat van onze democratie Van
afspiegelen naar afrekenen
en we beseffen dat Van Braam ook hier al vroeg
een trend in het vizier had.Van Braam maakte ook een voor de PvdA fundamentele
analyse. De doorbraak had niet de PvdA, maar vooral de VVD winst bezorgd.
Arbeiders waren wel van de confessionele partijen naar de PvdA gekomen, maar dit
werd meer dan teniet gedaan door de overloop van de middengroepen naar de VVD.
De PvdA had de slag om de op drift geraakte middengroepen verloren. Zij werd als
regeringspartij afgerekend op haar beleid en werd te arbeideristisch bevonden.
Wilde de PvdA een grote partij worden, dan moest de discussie over de
middengroepenproblematiek binnen de partij op gang gebracht worden volgens Van
Braam. Niet lang na deze analyse van Van Braam, maakte Den Uyl in het PvdA-
partijbestuur eenzelfde analyse van de verkiezingsuitslag wat leidde tot een
heroriëntatie van de PvdA richting de middengroepen. Zo ziet u maar hoe groot de
invloed van een bestuurskundige kan zijn!

Van Braam is uiteraard bekend geworden met zijn onderzoek naar
Ambtenaren en bureaucratie in Nederland uit 1957. Het is een
veelomvattend werk, maar opvallend is de aandacht voor de impopulariteit van de
ambtenaar, in de eerste drie pagina’s van het werk kunt u de hele serie
negatieve oordelen over de ambtenaar lezen. Ze zijn, vrees ik, niet heel anders
dan het oordeel van vandaag.

In een bespreking over dit onderzoek naar ambtenaren in S&D van 1958
haalt Lührs een satirische Engelse hymne aan die wordt voorafgegaan door een
‘short formular for the Lord’s service in Government Office. Het luidt: Oh Lord,
grant that day we may come to no decision, neither run into any kind of
responsibility, but that all our doings may be ordered to establish new
departments, for ever and ever. Amen’.

Besluiteloosheid, vrees voor verantwoordelijkheid, en zelfrijzend bakmeel,
hoe komt het toch dat ambtenaren door de tijden heen zo negatief beoordeeld
worden? Volgens Van Braam reageert het publiek zijn afkeer van
staatsbemoeienissen op de ambtenaar af. En ook jaloezie zou een rol spelen: om
de rechten die hij heeft en om het ‘gemakkelijke leventje’ dat hij zou leiden. U
kent het wel: het beeld van de raamambtenaar die zich vooral druk maakt over de
kleur van het tapijt in zijn kantoor en een oog open doet als hij knipoogt.

Die negatieve oordelen over de overheid bestaan nog steeds. Een
ondoordringbare bureaucratie, beambten die je van het kastje naar de muur
sturen, onbegrijpelijke formulieren en vrijheidsbeperkende regels. En de
negatieve oordelen over ambtenaren bestaan ook nog steeds, al maakt het wel uit
over welke ambtenaren we het hebben. Een recent onderzoek van de Abvokabo naar
de waardering voor mensen die in de publieke sector werken, levert een bekend
beeld op. De waardering voor brandweermannen, verpleegsters en leraren is zeer
hoog – en de woede wanneer zij op straat worden aangevallen is navenant -,
terwijl gemeenteambtenaren en de relatief onzichtbare ambtenaren op het
ministerie het met een lage waardering moeten doen. De manier waarop de
coalitiepartijen over de overheid en ambtenaren spreken zet de waardering verder
onder druk. Bestuursobesitas, de overheid is veel te groot en bemoeit zich met
te veel, een makkelijke bezuinigingspost.

Is de overheid te groot? In zijn proefschrift “Ambtenaren en Bureaucratie in
Nederland” noemt Van Braam het aantal van 240.000 personen werkzaam binnen het
overheidsapparaat in 1920: ambtenaren, werklieden, beambten, verplegend
personeel en onderwijzers. Inmiddels is het aantal werknemers in de publieke
sector opgelopen tot een kleine 1 miljoen
mensen[i]. En als we de zorg meetellen,
komen daar nog 1,5 miljoen werknemers bij.

Ondertussen hebben we de zaken in ons land wel een heel stuk beter geregeld
dan in 1920. Een sociaal-zekerheidstelsel, beter en voor ieder toegankelijk
onderwijs, goede en toegankelijke gezondheidszorg. Maar zeker, de overheid is
groot. Het is de grootste werkgever van Nederland. Internationaal gezien lopen
we toch niet uit de pas. Uit een recent OESO-onderzoek blijkt dat Nederland in
vergelijking met overeenkomstige landen zoals Zweden, Denemarken en Engeland,
een relatief kleine overheid heeft. Maar indien puur naar administratieve
werkzaamheden wordt gekeken, en overheidstaken zoals onderwijs, zorg, politie en
defensie buiten beschouwing worden gelaten, blijkt de Nederlandse
(administratieve) overheid wel omvangrijker dan vergelijkbare landen.Hoewel dat
maar een klein deel van de overheid is, is het goed om daar kritisch naar te
kijken. Ook de PvdA had in haar laatste verkiezingsprogramma een bezuiniging op
de overheid opgenomen. Maar dat is iets anders dan de ideologie dat de overheid
per se kleiner moet, alsof al die extra medewerkers in de publieke sector
eigenlijk nutteloos of zelfs storend werk doen. De discussie over de overheid
moet niet over de omvang gaan, maar over haar taken en over de kwaliteit van
haar dienstverlening.

In tijden van bezuinigingen worden de verschillen tussen partijen echt
duidelijk. Dan gaat het om echte politieke keuzes die niet alleen bestuur en
overheid, maar vooral mensen rechtstreeks raken. En niet alleen in hun
portemonnee, vaak ook in hun bestaanszekerheid. Waar de middenpartijen – de
stromingen van de sociaaldemocratie, de christendemocratie en het liberalisme –
de afgelopen tijd op een kluitje zouden hebben gezeten, zijn de verschillen nu
onmiskenbaar.

Eerst de visie van de liberalen: de overheid is geen geluksmachine. Ik heb
het Rutte vaak horen zeggen en het staat in het beginselmanifest van de
liberalen, maar ik ben benieuwd of bestuurskundigen bekend zijn met theorieën
die de overheid als geluksmachine beschouwen. Ik ken ze niet. Meer duidelijkheid
geeft de slogan: ‘minder overheid is minder belasting’. Dat wordt als volgt
uitgelegd: ‘De overheid is uit haar jasje gegroeid. Ze geeft teveel geld uit en
bemoeit zich teveel met het leven van mensen. Zo worden ondernemende
Nederlanders in hun ruimte beperkt en moeten ze veel belasting betalen, vaak
voor zaken die ze beter zelf kunnen regelen. De VVD wil lage belastingen en de
overheid weer terug in haar hok brengen, met minder ambtenaren en minder regels.
De overheid moet zich beperken tot de dingen die ze echt moet doen. Al het
andere kunnen mensen prima zelf regelen.’

Het CDA kijkt er traditioneel anders tegen aan, is niet voor niets
medeverantwoordelijk voor de opbouw van de verzorgingsstaat. Het CDA gaat uit
van ‘gespreide verantwoordelijkheid’. Dat betekent wel dat christen-democraten
staan voor een terughoudende rol van de overheid. Behalve waar het typische
overheidstaken betreft – kerntaken, zoals defensie en politie – gaat de voorkeur
van de christen-democratie uit naar het maatschappelijk initiatief. Het is Hans
Hillen die deze visie recent weer invulling heeft gegeven: de overheid moet niet
zorgen, dat neemt de verantwoordelijkheid weg bij mensen en maatschappij. Zo
uitgelegd, komt deze visie dicht bij die van de VVD. Ook fractievoorzitter
Haersma Buma stelde in zijn speech voor het CDA-congres dat de overheid een
flinke stap terug moet doen. Dat is niet de bedreiging die sommigen erin zien,
maar juist een kans. Want minder overheid betekent meer samenleving, volgens het
CDA.

De VVD heeft de eigen verantwoordelijkheid als uitgangspunt, de overheid moet
kleiner en dan komt er meer markt en meer ruimte voor het individu. Het CDA
heeft gespreide verantwoordelijkheid als uitgangspunt, de overheid moet kleiner
en dan komt er meer samenleving. Twee partijen vinden zich op deze manier in
dezelfde doelstelling: de overheid kleiner maken. De een hoopt op meer markt
waar het individu zelf kan bepalen waar hij zijn centen aan besteedt en de ander
hoopt op meer samenleving waar mensen de zaken zelf regelen. Alsof het
communicerende vaten zijn. Minder overheid, dan komt er vanzelf meer markt en
meer samenleving. Daar zit nu precies de denkfout.

Meer samenleving? Nu Staatsbosbeheer met een ongekende bezuiniging wordt
geconfronteerd waardoor zelfs het natuurbeheer in gevaar komt, gaan burgers zich
nu organiseren om in hun schaarse vrije tijd zelf de natuur te verzorgen? En
waarom kunnen we Staatsbosbeheer, die onze gedeelde natuur verzorgt, eigenlijk
niet gewoon als onderdeel van onze samenleving zien? Leiden de
cultuurbezuinigingen op zijn Zijlstra’s tot meer samenleving of toch tot meer
kaalslag in de samenleving? Komt er meer samenleving als gehandicapte kinderen
straks niet meer naar het speciaal onderwijs kunnen maar thuis komen te zitten?
Komt er meer samenleving als er straks minder tram- en buslijnen in de grote
steden rijden en er minder geld is voor veiligheid in het openbaar vervoer?

Meer markt? Het is het kader dat de overheid schept waardoor de markt eerlijk
kan functioneren. Dat dat niet altijd lukt, zelfs soms op een fiasco uitloopt,
laat de financiële crisis wel zien. Duidelijk is dat de overheid een belangrijke
rol heeft in de regulering van de markt. Maar ook de belofte voor minder
belasting is voor een groot deel vestzak-broekzak. Neem bijvoorbeeld de zorg.
Door allerlei zaken uit het basispakket te halen wordt de overheid
boekhoudkundig kleiner, want deze zaken worden immers niet meer collectief maar
privaat gefinancierd. Dat is dan een lastenverlichting, maar wat levert het de
burger in de portemonnee op? Per saldo helemaal niks, want de zorg die je nodig
hebt, betaal je nu niet via de premie maar direct uit de eigen portemonnee. Het
enige, maar wel buitengewoon belangrijke verschil is dat de solidariteit in de
zorg afneemt. De herverdeling tussen ziek en gezond en arm en rijk valt uit in
het nadeel van de zieke en de arme. Je zal maar ziek zijn, je zal maar arm zijn.

Tegenover de eigen verantwoordelijkheid van de VVD en de gespreide
verantwoordelijkheid van het huidige CDA, wil ik de gedeelde
verantwoordelijkheid zetten. Dan heb ik het over een gedeelde
verantwoordelijkheid van overheid en burgers, maar óók over gedeelde
verantwoordelijkheid tussen mensen, vaak mogelijk gemaakt door de faciliterende
rol van de overheid. Neem de Wajong, de uitkering voor jong gehandicapten. We
willen graag dat deze jong gehandicapten niet thuis op de bank zitten, maar bij
gewone werkgevers aan de slag kunnen. En werkgevers willen hen best aannemen,
maar ze nemen die verantwoordelijkheid niet als ze hem alleen moeten dragen.
Gedeelde verantwoordelijkheid betekent dat de samenleving als geheel zich
verantwoordelijk voelt voor deze mensen, en de overheid maakt dit mogelijk door
te zorgen voor extra begeleiding waarmee ze bij gewone werkgevers aan de slag
kunnen. Daarom is het kortzichtig om zo fors te bezuinigingen op de Wajong en
ondersteuning zoals nu wordt voorgesteld in het bestuursakkoord. Het gevolg is
niet alleen lagere uitkeringen, maar het zullen er ook méér zijn en daar is
niemand bij geholpen: de samenleving niet, de arbeidsgehandicapten niet, en de
werkgevers evenmin.

Tot welke merkwaardige proporties de redenering van minder overheid is meer
samenleving of markt is uitgegroeid, ondervond ik in debat in de Tweede Kamer
met Mark Rutte. Ik legde hem de brief voor die een mevrouw mij gestuurd had over
haar dochter. Haar dochter is licht verstandelijk gehandicapt, maar woont
zelfstandig in een woongroep en werkt bij de plaatselijke supermarkt. Dat lukt
omdat zij en haar moeder zelf initiatieven hebben genomen én omdat zij hierbij
geholpen wordt met een persoonsgebonden budget, huurtoeslag en zorgtoeslag, en
een jobcoach die haar begeleidt bij het werk. Stuk voor stuk overheidsregelingen
waar dit kabinet nu flink op gaat bezuinigen. Mijn vraag aan Rutte was of hij
bij al zijn bezuinigingsdrift ten minste ook rekening wilde houden met de
cumulatieve effecten voor de kwetsbare mensen die gebruik maken van deze
regelingen, want hier gaat snoeien niet leiden tot bloeien. Het antwoord van
Rutte was dat dit meisje niet dankzij deze regelingen zelfstandig
woonde en werkte, maar ondanks deze regelingen. Verschrikkelijke
regelingen blijkbaar die in de visie van Rutte deze mensen in de weg zitten – en
als je ze weghaalt bloeien deze mensen op.

Overheid, markt en samenleving, de gemeenschap en individu, ze zijn
onlosmakelijk met elkaar verbonden en versterken elkaar. Het is een krachtige
gemeenschap die de ruimte schept voor de ontplooiing van een individu. Eén
belangrijke functie van de overheid is juist de creativiteit en solidariteit in
de gemeenschap te faciliteren en te ondersteunen. De PvdA zoekt daarom altijd
naar de juiste balans tussen gemeenschap en individu.

Die balans tussen gemeenschap en individu is niet in beton gegoten. Veel
mensen zijn zelfstandiger geworden, velen kunnen meer zelf. We moeten dus steeds
opnieuw de juiste balans vinden tussen die eigen beslisruimte en gezamenlijke
verantwoordelijkheid. Maar die zelfstandige individuen blijven altijd sociale
wezens. En scholing, cultuur, veiligheid, samenleven vraagt om investeringen,
die niemand alleen voor zichzelf waar kan maken. Mannen en vrouwen kunnen
zelfstandig hun zorgtaken niet goed delen als er geen gemeenschappelijke
kinderopvang is. En alleen de allerrijksten kunnen hun onderwijs zelf betalen.
Om sommige villa’s kunnen de eigenaren een hek zetten, maar voor echte
veiligheid moeten we samen garant staan. En hoezeer ieder van ons ook aan zijn
eigen beslisruimte hecht: als het om vrede en veiligheid gaat, om duurzame
energievoorziening, om de kwaliteit van ieders bestaan, dan moeten we het samen
doen.

Er moet bezuinigd worden op de overheid, daar zijn alle partijen het wel over
eens. Maar de overheid als een vijand zien die markt en samenleving in de weg
zit en daarom hoe dan ook kleiner moet, leidt tot verkeerde bezuinigingen. Net
zoals de overheid als panacee voor alle problemen tot verkeerde uitgaven leidt.
De overheid moet de bondgenoot van de mensen zijn, onderdeel van onze
samenleving en een instrument waarmee wij zaken collectief regelen die we niet
zelf kunnen of zelf willen regelen. En daar valt nog heel wat te verbeteren.

Een belangrijke taak van de overheid in het vormgeven van gedeelde
verantwoordelijkheid tussen mensen, is het organiseren van solidariteit. Dat is
van oudsher zo, en in hoeverre we solidair willen zijn, is natuurlijk onderwerp
van politiek debat. Waar het op dit moment misgaat, is dat veel mensen het
gevoel niet meer hebben dat die solidariteit doel treft, eerlijk is –
wat je in het Engels mooi met het woord ‘fair’ kunt weergeven. Als we
via de overheid solidariteit vormgeven, tussen rijk en arm, ziek en gezond, jong
en oud, werkend en werkeloos, dan is het voor het draagvlak van de solidariteit
essentieel dat wij het resultaat als eerlijk beschouwen. Als mensen het gevoel
hebben dat nieuwkomers voorgetrokken worden, bijvoorbeeld omdat hún kinderen al
zo lang wachten op een nieuwe woning, terwijl zij zien dat asielzoekers naast
hun een woning krijgen, ontstaat er een gevoel van: dat is niet fair. Als mensen
hard werken en elk dubbeltje moeten omdraaien om van hun loon rond te komen,
maar zij zien hun buren sjoemelen met een uitkering en zwart bijwerken of als
van ons gevraagd wordt Griekenland te steunen met leningen maar op hetzelfde
moment zien we dat de Grieken wel erg vroeg met pensioen gaan, is er opnieuw dat
gevoel: dat is niet fair.

De Brit Will Hutton heeft in zijn boek Them and Us: changing Britain –
why we need a fair society
een poging gedaan deze eerlijkheid te
definiëren. Hij gebruikt begrippen als proportionaliteit en wederkerigheid. Maar
hij spreekt ook over eigen verdienste en de wijze waarop die gehonoreerd moet
worden. En die begrippen moeten ook in verband met elkaar worden gebracht. Neem
eigen verdienste en proportionaliteit: het is de volstrekte afwezigheid van deze
twee principes die zoveel woede oproept als topinkomens verdedigd worden met het
argument dat in andere landen óók zoveel verdiend wordt en de topman anders
daarheen zou vertrekken. Met proportionaliteit en verdienste heeft dat weinig te
maken.

Verdienste en proportionaliteit zijn dus belangrijke principes, maar ook
geluk
speelt volgens Hutton een rol bij eerlijkheid. Er is het zelf
gerealiseerde geluk, de kansen die een mens creëert door eigen verdienste. Maar
er is ook geluk waar we helemaal niks voor hebben gedaan, Hutton noemt dit
brute good luck, bijvoorbeeld het rijke bed waarin iemand is geboren.
Op basis van het principe van verdienste maakt Hutton het onderscheid tussen die
twee begrippen. Brute good luck en brute bad luck – echte onverdiende pech –
zijn volgens hem betere categorieën dan gelijkheid om collectieve interventies
op te baseren. Een ernstige ziekte, een lichamelijke of geestelijke handicap
zijn voorbeelden van zulke brute bad luck. En wij vinden het niet meer dan fair
en solidair dat wij als samenleving eraan bijdragen om de daarbij horende
problemen zo draaglijk mogelijk te maken.

Maar het verhaal is pas compleet als we ook het principe van wederkerigheid
als onderdeel van fairness hanteren. Solidariteit schept
verplichtingen. Tegenover het recht op een uitkering staat de plicht alles in je
vermogen te doen om werk te vinden. Tegenover het recht op onderwijs staat de
plicht om je talenten te ontwikkelen en niet de kantjes ervan af te lopen.

Dat is het grotere verhaal. Politiek en overheid hebben een taak om
solidariteit tussen mensen mogelijk te maken en te zorgen dat de uitkomst ook
‘eerlijk’ is. Maar bij een overheid als bondgenoot gaat het ook om de
uitvoering: om uitstekende dienstverlening, vormgegeven door professionele
medewerkers en bureaucratie doorbrekende bestuurders en waarbij mensen zich
gehoord weten. Ook hier geldt: de overheid als bondgenoot gaat uit van gedeelde
verantwoordelijkheid.

Veel aandacht dus voor de uitvoering, de dienstverlening. Veel ongenoegen
over de overheid is niet het gevolg van teveel staatsbemoeienis, maar van het
falen in de uitvoering en dienstverlening. Het is vaak te ingewikkeld gemaakt,
voor burgers is het soms geen doen om erachter te komen, wie de
verantwoordelijke actor is, bij wie hij moet zijn om iets te regelen. Onderdeel
van een uitstekende dienstverlening is maatwerk. De trend naar decentralisering
kan hier een bijdrage aan leveren, omdat het lokaal bestuur dichter op de mensen
zit en daarom beter naar individuele omstandigheden kunnen kijken dan de
nationale staat. Maar uiteindelijk staat of valt de kwaliteit van de
dienstverlening met de kwaliteit van de werknemers in de publieke sector en de
ruimte die zij krijgen hun werk naar behoren uit te voeren. Daar is de afgelopen
decennia veel in veranderd. De frontlijnwerkers die zijn opgeleid om zich te
laten leiden door menselijk belang en publieke moraal, staan onder permanente
verantwoordingsdruk en krijgen te maken met markt en winstmotieven door
liberalisering en deregulering, voortdurende beleidsveranderingen en
reorganisaties. En dan hebben ze meer dan ooit te maken met agressieve burgers
die als klanten opeisen wat ze vinden dat hen toekomt. Willen we dat de overheid
uitstekende diensten verleent, dan zullen we de positie van de werknemers in de
publieke sector, hun professionele ethiek en autonomie, weer veel meer centraal
moeten stellen.

Ten tweede moeten we blijven zoeken naar mogelijkheden om de publieke sector
meer met burgers te verbinden. Burgers willen gehoord worden, zij willen dat hun
opvattingen meegewogen worden. De overheid als onderdeel van de samenleving
regelt niet alleen zaken vóór de mensen maar ook mét de mensen. Rond veiligheid
bijvoorbeeld is het belangrijk dat buurtbewoners zeggenschap hebben op de
prioriteiten in hun eigen wijk. Bovens en Wille zijn daar in hun boek
Diplomademocratie niet vrolijk over: zij menen dat al die
burgerinitiatieven, burgerpanels, burgerraden en klankbordgroepen tot een nieuwe
ongelijkheid leiden. Het zijn vooral hoger opgeleiden die deelnemen aan deze
vormen van burgerparticipatie, want deze nieuwe vormen van burgerparticipatie
vereisen meer dan gemiddelde politieke ambities en competenties. Enigszins
geruststellend is het onderzoek van Denters en anderen in de recente democratie
audit Democratie doorgelicht. Zij stellen dat er inderdaad een verschil
is in het profiel van mensen die actief participeren en zij die dit niet doen,
maar dat de politieke opvattingen die bij deze participatie vertolkt worden, wel
als representatief beschouwd kunnen worden. De nieuwe ongelijkheid is weliswaar
zorgelijk, maar geen reden om burgerparticipatie in de ijskast te zetten.
Integendeel. Mijn stelling is dat we ons niet moeten laten ontmoedigen, maar
juist verder moeten zoeken naar vormen van participatie waar ook lager
opgeleiden aan deel kunnen en willen nemen. Want de ontevredenheid en het
onbehagen van deze burgers komt juist voort uit het feit dat zij zich
onvoldoende gehoord voelen. Dit vereist een nieuwe houding van medewerkers in de
publieke sector, maar ook van de bestuurders. Actief bestuur, erop af, niet
wachten of problemen gesignaleerd worden, maar ze zelf opsporen.

En dat is mijn laatste punt, de overheid als bondgenoot vereist bestuurders
en ambtenaren met lef. In plaats van: kan niet, zoeken naar: kan wel. Juist als
het gaat om het nemen van verantwoordelijkheid. Bijvoorbeeld uit mijn ervaring
als lokaal bestuurder: als er gezinnen zijn waarbij veel, soms veel te veel
interventiemedewerkers zijn die allemaal iets anders willen waardoor er
uiteindelijk en soms jarenlang niets gebeurd, optreden en zeggen: nu worden
jullie het snel eens, want anders neem ik de beslissingen. Of, zoals wethouder
Lodewijk Asscher onlangs deed, op ouders afstappen en hen overreden om hun
kinderen niet thuis te onderwijzen (nadat het enige islamitisch college in
Amsterdam in verband met onvoldoende kwaliteit was opgeheven), maar naar een
andere school te laten gaan – ongeacht de vraag wat precies zijn bestuurlijke en
juridische mogelijkheden waren. Ambtenaren die bereid zijn om maatwerk te
leveren, en daarin gedekt worden door hun meerderen. En omgekeerd: burgers, die
dan bereid zijn om te accepteren dat niet alles altijd goed zal gaan.

Ik sluit af. Van Braam had al vroeg de trends van onze samenleving in het
vizier. De ontzuiling heeft er voor gezorgd dat de politiek steeds meer wordt
afgerekend op het functioneren van de overheid en over die overheid heerst
ontevredenheid. De grenzen aan de sociale stijging leidden tot ‘misnoegen’ van
met name de middenklasse. Wat we zien is wat mijn voorganger, Thijs Wöltgens,
vlak voor zijn dood het maatschappelijke fenomeen van een krimpende en onzekere
middenklasse noemde. Een optimistische middenklasse kijkt naar boven en
vertrouwt op de instituties die de weg naar boven wijzen. Maar die positie
verandert als de middenklasse merkt dat haar optimisme op schijnzekerheid blijkt
te zijn gebouwd. Als elk levensplan voor de langere termijn – een onmisbaar
element, wanneer ook kinderen in het geding zijn – in duigen valt door de
flexibilisering van arbeidsrelaties en van zogenaamd verzekerde risico’s. De
middenklasse kijkt dan niet meer alleen naar boven. En de neerwaartse blik ziet
nu overal gaten in het vangnet, waardoor anderen al gevallen zijn.

In deze context steekt een politieke discussie over de omvang van de overheid
schraal af. Het gaat erom dat we in staat zijn de overheid zo vorm te geven dat
zij een bondgenoot van de samenleving is en een instrument om
verantwoordelijkheden, solidariteit, pech en geluk eerlijk te blijven delen.

 

 


[i] Trendnota Arbeidszaken Overheid
2011, MinBZK. Grofweg in drie sectoren in te delen: openbaar bestuur (327.000),
onderwijs en wetenschap (512.000) en veiligheid (135.000).

Delen: