Uitzendkrachten de hoofdprijs, maar dan op de verkeerde manier

Uitzendkrachten de hoofdprijs, maar dan op de verkeerde manier

Uitzendkrachten de hoofdprijs, maar dan op de verkeerde manier
 Foto Flickr / Gerard Stolk

Door John Kerstens op 11 november 2014 Delen  

Op 10 november 2014 (dat was gisteren en dus niet 150 jaar geleden) kon je in Leusden (dat ligt gewoon hier in Nederland) tien Oost-Europese uitzendkrachten winnen. Niet bij de bingo, maar toch wel bijna: als hoofdprijs van een loterij onder boeren en tuinders. Schandalig. Een ander woord heb ik er niet voor. Maar wel tekenend voor de manier waarop in ons land, in de 21e eeuw, tegen collega’s uit Midden- en Oost Europa wordt aangekeken.

Door een deel van de uitzendbranche, door een deel van werkgevers. Niet als mensen die huis en haard achterlaten om hard te werken voor een fatsoenlijke boterham voor zichzelf en hun gezin, maar als handelswaar. Als productiemiddel over wiens rug je de concurrentie met je collega’s aankan. In de wetenschap dat betrokkenen eigenlijk alles wel goed moeten vinden, omdat de beloning voor opkomen voor je rechten een enkeltje Bratislava of Warschau is.

Een en ander speelde zich dus niet af tijdens de dorpsbingo in Leusden, maar als onderdeel van een bijeenkomst voor werkgevers in de land- en tuinbouw over (laat ik het maar kort, en overigens correct, samenvatten) het zo goedkoop mogelijk inzetten van buitenlandse arbeidskrachten. Een bijeenkomst die, zo werd in de aankondiging vermeld, mede was georganiseerd door de Nederlandse Kamer van Koophandel. Dat blijkt overigens niet zo te zijn. De KvK weet van niets. Wie blijkbaar wel van iets wisten, waren de ambassades van Hongarije, Polen, Tsjechië en Slowakije. Want ook die werden als mede-organisatoren vermeld.

Ik heb naar aanleiding hiervan schriftelijke vragen gesteld aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Om afstand te nemen van zo’n walgelijke verloting waarbij het respect dat werknemers, naast een fatsoenlijk loon voor hun werkzaamheden, verdienen ver te zoeken is. Maar ook om de blijkbare betrokkenheid van de ambassades van een aantal Midden- en Oost-Europese landen hierbij onder de loep te nemen. Zitten er landen tussen waarmee de minister in het kader juist van het aanpakken van uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing overeenkomsten heeft gesloten? En zo ja, wat vindt-ie daar dan van? Spreekt-ie ze daarover aan? Zo niet, wordt het dan niet eens tijd om met de collega’s uit de desbetreffende landen om de tafel te gaan zitten en zo’n overeenkomst te sluiten?

Ik heb de minister bovendien gevraagd of hij het met mij eens is dat met name gedrag als hier aan de orde is –  het constante zoeken naar de laagste prijs voor arbeid, over de rug van mensen heen die nauwelijks een positie hebben om voor hun rechten op te komen – niet alleen leidt tot uitbuiting van de desbetreffende werknemers, tot oneerlijke concurrentie ten aanzien van wel goedwillende werkgevers, maar zeker ook tot verdringing van Nederlandse werknemers die als ‘te duur’ opzij worden gezet: ‘voor jou twee Polen, drie Bulgaren, vier Roemenen of tien Slowaken.’

Ik heb m’n vragen afgesloten met een oproep aan de minister: stuur de door de PvdA gevraagde Wet Aanpak Schijnconstructies, een belangrijke stap in de strijd tegen uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing, zo snel mogelijk naar de Kamer. Niet alleen voor de collega uit Polen en Slowakije, maar zeker ook voor de Nederlandse bouwvakker en vrachtwagenchauffeur.

Een verbonden samenleving

Eerlijke spelregels zijn nodig. Zodat grote bedrijven netjes belasting betalen, net als de bakker op de hoek. Zodat we uitbuiting van werknemers aanpakken. En zodat we minder schreeuwen en beter naar elkaar luisteren.

Lees ons verkiezingsprogramma