Uitbuiting op arbeidsmarkt tegengaan

Uitbuiting op arbeidsmarkt tegengaan

Door John Kerstens op 20 december 2012 Delen  

Op 1 januari 2014 gaan onze grenzen definitief open voor werknemers uit Bulgarije en Roemeniƫ. Verder uitstel daarvan is niet meer mogelijk. Daarom heb ik de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gevraagd om uiterlijk 1 mei volgend jaar met een actieplan te komen om de mogelijke komst van Bulgaarse en Roemeense werknemers in goede banen te leiden. Een actieplan dat uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt moet tegengaan.

Dat plan moet er ook voor zorgen dat het toch al broze draagvlak onder Europa niet nog verder afbrokkelt. Eerder deze week heeft de Tweede Kamer mijn motie daarover aangenomen: de minister moet dus aan de slag.

Juist als je vóór Europa bent, en de open grenzen die daar bij horen, moet je kritisch durven zijn op datzelfde Europa. En de vinger durven leggen op zere plekken. Niet met allerlei wilde uitroepen en oproepen, maar door aandacht te hebben voor de problemen en met oplossingen te komen. Met het door ons voorgestelde actieplan doen we dat.

De focus in dat actieplan ligt op drie zaken. Ten eerste het voorkomen van schijnzelfstandigheid. Alle in zowel Brussel als Den Haag bedachte regels om het vrij verkeer van werknemers binnen Europa in goede banen te leiden worden omzeild wanneer iemand als zelfstandige aan de slag gaat. Zogenaamd als zelfstandige. Als schijnzelfstandige. En dat gebeurt aan de lopende band, juist omdat het een sluiproute is waar het met de regels niet zo nauw wordt genomen.

Ten tweede het steviger aanpakken van malafide bemiddelings- en uitzendbureaus. Die verdienen vaak grof geld over de ruggen van mensen. En steeds vaker niet alleen door ze te ‘bemiddelen’ en te weinig te betalen, maar ook door andere ‘diensten’ aan te bieden. Diensten die verplicht moeten worden afgenomen. Tegen een hoge prijs. Huisvesting, verzekeringen, ‘de administratie’. Daardoor is de buitenlandse werknemer niet alleen van zo’n bureau afhankelijk voor zijn werk, maar bijvoorbeeld ook voor het dak boven zijn hoofd. En zal-ie dus nog moeilijker ‘nee’ kunnen zeggen.

En ten derde moet worden nagegaan of ook het cao-loon wordt uitbetaald. Als we ‘gelijk loon voor gelijk werk’ (om oneerlijke concurrentie tegen te gaan) serieus nemen, moet gekeken worden naar wat feitelijk betaald moet worden. Dat is vaak niet het wettelijke minimumloon, maar het bij cao afgesproken loon. De Arbeidsinspectie moet daartoe nauwer met cao-partijen samenwerken.

De minister heeft toegezegd dat hij voortvarend met een en ander aan de slag gaat. Hij zal bovendien de Arbeidsinspectie vragen een plan in te dienen waarmee extra inspecteurs kunnen worden ingezet. Inspecteurs die zichzelf ‘terugverdienen’.

Mooi is overigens dat de minister in het overleg met ‘de polder’ van gisteren direct al is begonnen met uitvoering geven aan mijn motie: in de bouw wordt samen met sociale partners op korte termijn een projectteam opgezet om gezamenlijk misstanden (bijvoorbeeld bij grote projecten als de Eemshaven of de Tweede Maasvlakte) aan te pakken. En dat is goed nieuws.

Uiteraard houd ik in de aanloop naar het actieplan de vinger aan de pols. En daarna vanzelfsprekend ook.