Serieuze aanpak uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing

Serieuze aanpak uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing

Door John Kerstens op 17 juni 2013 Delen  

Eind vorige week voerde ik overleg met staatssecretaris Klijnsma en minister Asscher over ‘Europese zaken’. Op de agenda stond onder meer het vrij verkeer van werknemers. Ik ben tevreden met de vervolgstappen die de minister bereid is te zetten bij de verdere uitwerking van het actieplan waar ik hem eerder om heb gevraagd. Dat actieplan is bedoeld om uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing bij de inzet van buitenlandse arbeidskrachten te voorkomen.

Zo maakten we de afspraak om samen te kijken welke goede voorbeelden uit andere Europese landen Nederland zou kunnen overnemen. Bovendien was de minister het met me eens dat als de nu in Europa lopende discussie over ketenaansprakelijkheid in de bouw niks oplevert, Nederland zelf moet nadenken over maatregelen om het ontlopen van aansprakelijkheid van hoofdaannemers en opdrachtgevers tegen te gaan.

Hieronder mijn spreektekst in de ‘eerste termijn’ van het overleg vorige week.
 
Voorzitter,
 
Op de agenda van vandaag staan een zevental onderwerpen. Op een aantal daarvan zal ik ingaan.

Ten eerste, uiteraard in mijn geval, het onderwerp ‘Grensoverschrijdende arbeid’.

De minister weet dat dit onderwerp zich in mijn warme belangstelling mag verheugen. En ik ben er blij mee dat het ook de volle aandacht van de minister heeft. Tijdens een recent bezoek van Eurocommissaris Andor heeft de minister, zo konden we in de krant lezen, veel aandacht besteed aan de keerzijde van het vrij verkeer van werknemers. Hij gaf daarbij aan ook in Europees verband stevig in te willen zetten op het aanpakken van uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing.

Ik heb daarover aan de Minister een aantal vragen.

Wat zijn z’n concrete plannen op het Europese vlak? Is hij bereid de kern van het in april verschenen actieplan waar ik ‘m eerder om heb gevraagd te ‘exporteren’? Centraal daarin staan de aanpak van de malafide bemiddelingsbranche, de als paddenstoelen uit de grond schietende schijnconstructies en het niet alleen aanpakken wat onwettig is, maar ook wat onwenselijk is. Is de minister bereid om eventuele ‘best practices’ uit andere landen over te nemen? Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het zogenaamde ‘Limosa-systeem’, waarmee in België in de bouw registratie van buitenlandse collega’s plaatsvindt vóórdat die aan de slag gaan.
 
Heeft de minister de indruk dat deze Eurocommissaris (die een deel van de vaste kamercommissie onlangs ook sprak) doordrongen is van de ernst van de misstanden (ik vond namelijk dat hij een en ander in z’n gesprek met ons wel door een erg zonnige bril bekeek) en wat het laten voortbestaan daarvan doet met het draagvlak onder Europa? Zou hij ons een inkijkje willen geven in hoe de verhoudingen in Europa liggen als het gaat om het echt serieus aanpakken van de problemen? En: mocht het Europees toch allemaal minder vlotten dan de minister hoopt en ìk nodig vind: is hij dan bereid om samen met de Kamer te bezien welke aanvullende, nationale dan wel bilaterale, maatregelen nog getroffen kunnen worden teneinde die ellendige trits van uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing aan te pakken? Wat gaat de minister bijvoorbeeld zelf doen als de ook door hem zo belangrijk geachte ketenaansprakelijkheid onvoldoende in de nu besproken Handhavingsrichtlijn terugkomt?

Bij de stukken troffen we de concepttekst van een níeuwe richtlijn aan. Die is erop gericht de uitoefening van de in de context van het vrij verkeer van werknemers aan werknemers toekomende rechten te vergemakkelijken, onder meer door vakbonden het recht te geven namens buitenlandse collega’s op te treden. Ik heb daar in mijn vorige functie als voorzitter van FNV Bouw steeds voor gepleit en juich dat uiteraard toe. Hoe kijkt de minister tegen deze richtlijn aan? Ziet de minister mogelijkheden’m misschien nog aan te scherpen? Ik ga er overigens van uit dat het kabinet bij inwerkingtreding van de richtlijn al wetgeving klaar heeft liggen om ‘m in Nederland te implementeren.

En dan de jeugdwerkloosheid. Belangrijk onderwerp tijdens de komende besprekingen van de Raad. Belangrijk onderwerp in Nederland ook (de PvdA heeft daar steeds aandacht voor gevraagd en is blij met de vele miljoenen die voor de bestrijding ervan zijn vrijgemaakt en de acties die inmiddels op gang komen). Kan de minister wat zeggen over de voortgang? Wat vindt hij van het Frans-Duitse plan dat onlangs is gepubliceerd? En van het plan dat eerder deze week door sociale partners op Europees niveau is gepresenteerd? Ik weet dat de minister, net als ik, een voorstander is van het serieus nemen van sociale partners. Omdat hun betrokkenheid leidt tot ‘hervormen met draagvlak’. Ziet de minister mogelijkheden om, tegen de achtergrond van de hoge jeugdwerkloosheid, een discussie op te starten over een andere (tijdelijke) aanwending van een aantal Europese gelden door, ik zeg maar wat, een aantal miljarden vanuit de wel zeer forse Europese landbouwpot over te hevelen naar de bestrijding van jeugdwerkloosheid?

Onlangs is de brief van het kabinet verschenen over versterking van de sociale dimensie in de EU. Het spreekt voor zich dat mijn fractie die versterking erg belangrijk vind. De EU mag dan ooit begonnen zijn als een ‘economische gemeenschap’, ‘the European way’ is volgens mij vooral ook een sociale. Zou dat tenminste moeten zijn.

Ik zou de minister ten slotte willen vragen waar hij tijdens de komende raad voor werkgelegenheid en sociaal beleid voor wat betreft die sociale dimensie de nadruk op zal leggen. En op welke punten hij de visie van de commissie over de sociale dimensie om het zo maar te zeggen ‘langs de meetlat’ wil leggen.