Rood: Het grote Depla-interview

Rood: Het grote Depla-interview

Door De Redactie op 18 april 2011 Delen  

Ze willen nog wel eens door elkaar gehaald worden. Dezelfde achternaam. Dezelfde Brabantse tongval die de echte kenner in Eindhoven lokaliseert. En ook nog eens actief in dezelfde partij. In de nieuwe Rood (pdf) een uitgebreid interview met de broers Paul, Staf en Frank Depla. Over de politieke verschillen en overeenkomst en de politieke discussies aan de eettafel. Klik op lees verder voor het volledige interview.

Tekst Michiel Zonneveld.

De oudste van de drie Depla’s, Staf (50), was jarenlang Tweede Kamerlid en is nu PvdA-wethouder in zijn geboortestad Eindhoven. Daar komt hij in de gemeenteraad zijn jongere broer Frank (47) tegen. De jongste van het gezin, Paul (46), is voormalig wethouder van Nijmegen en tegenwoordig burgemeester van Heerlen.

‘Maar nee, het socialisme is ons niet met de paplepel ingegoten,’ vertelt Staf Depla, aan het begin van het gesprek in restaurant Usine, gevestigd in de oude Philipsfabriek in de lichttoren.

Jullie komen dus niet uit een PvdA-familie?
Paul: ‘Nee. Onze vader was niet actief in de politiek. Hij was advocaat. Hij stemde KVP. Pas eind jaren zestig brak hij met het katholicisme.’

Weet je waarom?
Paul: ‘Hij was teleurgesteld dat de vernieuwing van de kerk, na het Tweede Vaticaans Concilie, stagneerde. Na zijn breuk met de kerk stemde hij ook niet langer op een katholieke partij. Hij is eerst naar DS’70 overgestapt. Die partij was heel sterk in Eindhoven. Daarna werd het de PvdA.’
Staf: ‘Onze moeder is de KVP, en daarna het CDA, tot begin jaren tachtig trouw gebleven. Ze was ook lid van die partijen. Ik denk dat ze dat vooral uit loyaliteit aan haar vader bleef. Dat was Frans Teulings. Hij is minister van Binnenlandse Zaken geweest en zelfs vicepremier.’
Frank: ‘Uiteindelijk is ze lid van de PvdA geworden.’

Herinneren jullie je opa nog?
Staf: ‘Het enige dat ik nog weet, is dat ik een fiets van hem kreeg. Van het merk Piet Pelle. Ik heb er nog een foto van. Maar hij stierf al toen ik vijf was.’

Zijn jullie dan helemaal niet beïnvloed door je ouders?
Paul: ‘Onze ouders waren wel altijd geëngageerd. Dat hebben we van hen mee gekregen.’
Frank: ‘Ik bewaar heel goede herinneringen aan de politieke discussies bij ons aan de eettafel. Het was een bijzonder schouwspel in onze kamer. We waren met zijn zessen thuis: vier jongens en twee meisjes en we hadden altijd veel aanloop van vriendjes en vriendinnetjes. Tijdens het eten zaten ze dan op een bank te wachten tot we klaar waren met eten. Zij dienden ondertussen als een soort publiek. Mijn vader was er een kei in om in de discussie met mijn moeder het publiek te bespelen.’

Bleef het engagement beperkt tot felle discussies thuis?
Frank: ’Voor onze moeder zeker niet. Het leek wel of ze zich aan het eind van haar leven zelfs steeds drukker maakte over wat er in de stad gebeurde. Ze was echt iemand die voor anderen in de bres sprong. Iedereen kende haar hier in Eindhoven.’
Staf: ‘We zijn opgevoed met de katholieke, sociale leer. Dat hield voor haar in dat je een sociale verantwoordelijkheid hebt en de plicht hebt je talent niet alleen voor jezelf, maar ook voor de samenleving in te zetten. Frank heeft trouwens gelijk dat ze in de loop van haar leven maatschappelijk steeds actiever is geworden. Het begon bij haar met het lidmaatschap van de oudercommissie van de sportdag van de lagere school. Uiteindelijk was ze vicevoorzitter van de Nederlandse Katholieke Schoolraad.’
Frank: ‘Ze stond altijd voor mensen klaar die dat nodig hadden. Bij ons was er ook altijd plek voor kinderen die even niet thuis konden wonen. Twee pleegkinderen zijn voor een langere periode gebleven.’

Waarom zei je moeder het CDA vaarwel?
Staf: ‘Waarom was dat ook alweer? Weten jullie dat nog? Was dat vanwege het sociale beleid? Oh nee, wacht eens: het ging om de acceptatie van homoseksuelen in het onderwijs. Ze had daarover iets in de plaatselijke pers gezegd en kreeg veel kritiek van haar partijgenoten. Ze heeft er nog een brief aan Van Agt over geschreven.

Wie van jullie werd het eerst lid van de PvdA?
Staf: ‘Dat was ik. Rob van Gijzel heeft me als lid van de PvdA en de Jonge Socialisten geworven. Hij was toen afdelingsvoorzitter. Het is wel heel bijzonder dat ik hem hier nu weer als burgemeester tegenkom. We voerden in die tijd actie tegen de levering van fregatten aan de Sjah van Perzië. We dreigden zelfs een oproep te doen geen PvdA te stemmen als het Kabinet Den Uyl met die levering akkoord ging. Van Gijzel heeft nog naar Den Haag gebeld. Je had hem eens klein moeten zien worden toen hij geheel onverwacht Joop den Uyl zelf aan de lijn kreeg…’
Paul (pesterige toon): ‘Hé Staf, misschien moet je ook vertellen dat je het lidmaatschap eerst weer opzegde.’
Staf: ‘Ik ben afgehaakt toen ik in Wageningen ging studeren. Ik vond de PvdA toen te rechts. Pas in 1990 ben ik weer lid geworden. Dat was tijdens de WAOcrisis.’

Waarom toen? Er waren toen juist veel mensen die hun lidmaatschap opzegden, omdat ze vonden dat hun partij naar rechts afsloeg.
Staf: ‘Wat ik juist waardeerde, is dat de PvdA vuile handen durfde te maken. Bovendien was het voor de PvdA erop of eronder.’
Paul (opnieuw pesterig): ‘Hij werd lid omdat hij het zielig vond voor de PvdA. Sociale onderwerpen hebben hem nooit zo geïnteresseerd…’

Wat was voor jou de reden om lid te worden, Paul?
Staf (grijnzend, op dezelfde toon als zijn jongste broer): ‘Voor de baantjes toch?’
Paul: ‘Ik was achttien en ging in Nijmegen politicologie studeren. Ik werd lid omdat
de PvdA voor mij echt de partij voor de hele stad was, van de slachter tot de professor. De kiezers zaten ook verspreid over alle wijken van de stad. Veel studenten in Nijmegen waren radicaal-links. Maar dat kwam erop neer dat ze zich met hun eigen gelijk opsloten in hun eigen veilige wereld in Nijmegen Oost.’

En jij Frank?
Frank: ‘Ik werd met een jaar of zestien lid van de Jonge Socialisten. Een logisch vervolg was dat ik me ook als lid bij de PvdA aansloot. Het duurde nog wel even voor ik ook echt actief werd. Ik was wel altijd al betrokken met de dingen die hier in de stad gebeurden. Maar wat mij ook vanaf het begin in de PvdA aansprak, is de ambitie om verbindingen te leggen. We doen hier veel aan de vernieuwing. Op die manier moet Eindhoven niet alleen aantrekkelijker worden, maar ook interessant voor het bedrijfsleven. Tegelijkertijd willen we oog houden voor wat er in de wijken gebeurt.’
Staf: ‘Voor mij gaat het ook om die brugfunctie. De PvdA probeert altijd verschillende werelden met elkaar te verbinden. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk in de hele discussie over de internationalisering. Met die internationalisering heeft Nederland economisch veel te winnen: van economische groei tot nieuwe banen. Maar je mag niet de ogen sluiten voor de realiteit dat er in dat proces ook verliezers zijn. Dat je er dus alles voor moet doen om iedereen mee te blijven nemen.’

Zijn er onderwerpen waarover jullie van mening verschillen?
Staf: ‘Vroeger was dat over de betekenis van het maatschappelijk middenveld. In vergelijking met Paul was ik veel meer van de “Partij van de Overheid”. Het interessante is dat we in dat opzicht naar elkaar zijn toe gegroeid. In mijn laatste jaren in de Tweede Kamer als woordvoerder Volkshuisvesting benadrukte ik juist dat het middenveld en de PvdA van oudsher bondgenoten zijn in de sociale strijd. Het probleem is wel dat het middenveld te veel van de mensen los is geraakt.’
Paul: ‘Ik ben op mijn beurt kritisch op hoe dat middenveld zich heeft ontwikkeld. Veel van de kritiek die we vroeger op de overheid hadden, gaat nu op voor bijvoorbeeld de koepels in het onderwijs en de woningcorporaties. Het zijn grote bureaucratische instellingen geworden.’
Staf: ‘Het probleem van het middenveld, ooit opgericht door vakbonden, kerken en verlichte ondernemers, is dat het na de oorlog eerst is verstatelijkt, in de jaren negentig vermarkt en nu waardenloos is geworden.’

Waardenloos?
Staf: ‘Ik bedoel dan dus iets anders dan “waardeloos”. Het is gewoon te veel een wereld geworden van mensen die besturen om te besturen, in plaats van zich bijvoorbeeld druk te maken over betaalbaar wonen. Waarin je mensen als Elco Brinkman in zo ongeveer elk bestuur ziet terugkomen. Maar ook onze mensen. Een gevaar blijft daarom dat we  vereenzelvigd worden met de manier waarop het middenveld zich heeft ontwikkeld. Kort geleden probeerde CDA-staatssecretaris Bleker dat al.’
Paul: ‘Het moeten weer echt maatschappelijke organisaties worden, waarin burgers zich vertegenwoordigd voelen.’

Maar is dit nu een echt knetterend meningsverschil?
Frank: ‘Dat hadden we wel over de betekenis van gesubsidieerde arbeid. Ik houd me in mijn werk bezig met outplacement en re-integratie en kijk naar het vraagstuk vanuit het perspectief van arbeidskansen. Het primaire doel moet voor mij zijn om mensen een kans op de arbeidsmarkt te geven.’
Paul: ‘Daar ben ik ook voor. Maar ik zag bijvoorbeeld hoe allerlei voetbalclubs op Melkertbanen draaiden. En dan hoorde ik hoe arbeidsmarktgedreven types als mijn broers hier die even de nek om wilden draaien.’
Frank: ‘Nee, Paul, het gaat om wat je primaire doelstelling is om mensen aan het werk te krijgen. Dat dit leidt tot het vervullen van maatschappelijk nuttige taken is dan punt twee. Als je beide doelstellingen goed kunt combineren, is het natuurlijk prima. In Eindhoven heb ik daarom wel meegewerkt aan een plan om mensen uit de arbeidspool van de gemeente bij sportverenigingen in te zetten.’
Staf: ‘Weet je wanneer het echt knetterde? Dat was tijdens het referendum over de Europese Grondwet.’
Paul: ‘Ja, Staf moest daar wel voor zijn, die zat in de fractie…’
Staf: ‘Voor mij ging het er gewoon om dat die nieuwe Grondwet een verbetering was ten opzichte van de oude. Ik had er veel op aan te merken, maar de burgers kregen…’
Paul: ‘Ik heb tegengestemd. Europa is te veel een technocratisch project geworden, waar de burgers helemaal niets meer mee hebben. Ik haakte helemaal af toen ons door de voorstanders allerlei doemscenario’s werden voorgeschoteld zoals dat het licht zou uitgaan als we tegen stemden. Hou toch op!’
Frank: ‘Ik was voor. Uit idealisme. Uiteindelijk heeft de Europese Gemeenschap er aan bijgedragen dat we al vijftig jaar vrede hebben in Europa.’

Is het met al die politieke discussies wel altijd gezellig als de familie Depla bij elkaar komt?
Paul: ‘Tijdens feestjes kunnen er heftige discussies zijn. Ook met onze broer en zusters. Over de volksgezondheid, de multiculturele samenleving.’
Staf: ‘Dat is voor andere aanwezigen dan niet altijd even leuk.’
Frank: ‘Ik geloof dat we ons de laatste jaren wat matigen.’

Is het voor Frank niet lastig om zijn broer Staf als wethouder van Financiën te moeten controleren?
Frank: ‘Dat valt over het algemeen wel mee. Ik voer wel zo weinig mogelijk het woord over zijn beleidsterrein.’

Maar als je het nu echt met hem oneens bent?
Frank: ‘In de praktijk komt het zelden voor dat we tegenover elkaar staan. Uiteindelijk zijn we onderdeel van dezelfde beweging.’
Staf: ‘Toevallig speelt er deze week een kwestie.’
Frank: ‘Dat was een onderwerp waarmee ik al bezig was voor Paul hier kwam.’
Staf: ‘Over een sportterrein.’
Frank: ‘Waarvan het bestaan door een pennenstreek van de wethouder van Financiën op het spel staat.’
Staf: ‘Het goede van Frank is dat iedereen in de stad weet dat hij zich voor dit soort dingen inzet. Iedereen in de sportwereld kent hem.’

Hoe vonden jullie ouders het eigenlijk dat jullie de politiek in gingen?
Staf: ‘Onze vader heeft dat niet meer meegekregen. Hij is dertig jaar geleden overleden. Bij onze moeder is dat anders. Die is drie jaar geleden gestorven.’

Als jullie moeder zo betrokken was, dan kan ik me voorstellen dat ze ook op jullie kritisch was.
Frank:‘Kritisch was ze. Maar dat ging niet over politieke kwesties.’
Staf: ‘De meeste moeite had ze met onze opvattingen over het geloof. Ze is zelf uit de kerk gestapt, maar als het over de kerk van vroeger ging schoot ze meteen in de verdediging.’
Paul: ‘Mij verweet ze wel een beetje dat ik in het leven de dingen doe, die ik leuk vind.’

Ze vond dat je niet hard genoeg werkte?
Paul: ‘Dat was het punt niet. Maar je moest van haar ook wel een beetje lijden in het leven. Dat idee had alles met haar geloof te maken.’

Was ze niet trots op jullie?
Paul: ‘Dat zou ze nooit zomaar tegen je zeggen.’
Frank: ‘Toch was ze wel trots.’
Paul: ‘Tegen mij gaf ze hoog op over Staf. Bij Staf over Frank. En bij Frank over mij. Haar motto was dat je het niet te hoog in de bol moest krijgen.’

Delen: