Ontwikkelingshulp en moedersterfte

Ontwikkelingshulp en moedersterfte

Door Keklik Yücel op 28 april 2010 Delen  

Toen ik in februari het woordvoerderschap voor Ontwikkelingssamenwerking (OS)
kreeg, waren er vier zaken die mij opvielen. Misschien niet allemaal zaken die
dagelijks in de belangstelling staan, maar wel van levensbelang voor veel mensen
in ontwikkelingslanden.

Zo was ik onder de indruk van de inspanningen van Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders voor de mensen in de zogenaamde
‘fragiele staten’. Daaronder verstaan we landen waar goed bestuur ontbreekt en
waar onveiligheid heerst, bijvoorbeeld als gevolg van een burgeroorlog. Juist in
dit soort landen is er vaak grote behoefte aan humanitaire hulp. Zoeken naar
manieren om perspectief te blijven bieden voor de mensen in fragiele staten is
letterlijk een zaak van levensbelang.  

Een tweede punt waarover veel discussie plaatsvond, was de samenwerking
tussen de verschillende ontwikkelingsorganisaties. Het tegengaan van
versplintering in de hulp en het stimuleren van meer samenwerking tussen de
verschillende organisaties, komt de effectiviteit van de
ontwikkelingssamenwerking ten goede. Tegelijkertijd ging het gepaard met soms
heftige reacties, omdat Koenders de ontwikkelingssector zelf wilde hervormen.
Maar uiteindelijk moet de effectiviteit van de samenwerking voorop staan en niet
het belang van een bepaalde individuele organisatie, daar ben ik van overtuigd. 

In het verlengde daarvan viel mij op dat er de afgelopen jaren veel nadruk is
gelegd op kennisontwikkeling binnen het ministerie. Dat klinkt misschien logisch
maar het is oh zo belangrijk. Met welke hulp en op welke wijze kunnen we
ontwikkelingslanden het beste helpen? Hoe zorgen we ervoor dat elke euro zo
effectief mogelijk wordt ingezet? Juist door steeds na te denken over nieuwe
vormen van samenwerking, worden de Nederlandse euro´s optimaal ingezet. Dit werk
gebeurt vaak achter de schermen, maar is buitengewoon belangrijk. Het gaat
immers om de effectieve inzet van belastinggeld.

Tot slot een onderwerp dat mij persoonlijk ook bijzonder aan het hart gaat:
de seksuele en reproductieve gezondheid van vrouwen in ontwikkelingslanden. Dit
thema staat nu meer dan ooit op de internationale agenda. Gelukkig maar, want de
problemen op dit gebied kunnen niet genoeg aandacht krijgen. Jaarlijks sterven
ruim een half miljoen vrouwen tijdens zwangerschap of bevalling. Dit betekent
dat er iedere minuut één vrouw sterft. 99% van deze vrouwen woont in
ontwikkelingslanden. Voor het Millenniumdoel 5 –het terugdringen van
moedersterfte en het realiseren van universele toegang tot reproductieve
gezondheidszorg- is nog te weinig voortgang bereikt. Hoe ongelijk kan toegang
tot gezondheid in de wereld verdeeld zijn? Daar kunnen we en mogen we ons niet
bij neerleggen. Dit betekent bijvoorbeeld dat we zullen moeten blijven
investeren in de ontwikkeling van goede medicijnen en anticonceptiemiddelen,
alsmede in transportmogelijkheden om deze medicijnen ook adequaat bij de vrouwen
in ontwikkelingslanden te krijgen. Ook de beschikbaarheid en toegankelijkheid
van artsen en schoon water blijft cruciaal. En niet te vergeten de ontwikkeling
van medicijnen tegen bloedingen na een bevalling die in ontwikkelingslanden
gebruikt kunnen worden. Deze medicijnen, die in het Westen volop beschikbaar
zijn, moeten gekoeld getransporteerd worden en daar gaat het in
ontwikkelingslanden vaak mis. De ontwikkeling van pillen die ongekoeld
getransporteerd kunnen worden, is dus essentieel om de moedersterfte omlaag te
brengen. Ik roep de farmaceutische industrie daarom op om haast te maken met het
ontwikkelen van dergelijke medicijnen. Het gaat immers om levens die gered
kunnen worden.

Het zijn dit soort thema’s die ontwikkelingssamenwerking zo enorm belangrijk
maken. Want we kunnen en mogen niet onverschillig zijn!

Dit artikel verscheen in Trouw op 28 april 2010