Onderwijs maakt van dubbeltje kwartje

Onderwijs maakt van dubbeltje kwartje

Door Sharon Dijksma op 26 oktober 2009 Delen  

Geert Mak betoogde onlangs dat de PvdA er telkens op hamert dat er van alles
en nog wat mis is met Friese dorpsscholen, ‘wat tot een vorm van vernedering
leidt.’ Ik vind dat onzin, we mogen best verwachtingen hebben van onze kinderen:
Wat is er meer vernederend dan niet op je werkelijke waarde geschat te worden?
Een opiniestuk in NRC Handelsblad.

‘Ik was enkele weken geleden op een kleine openbare dorpsschool in
Minnertsga, op het Friese platteland. Een school die twee jaar geleden nog als
zeer zwak bekend stond en zich op een formidabele wijze heeft herpakt. Het was
ontroerend om te zien hoe trots de directeur op haar team leraren was, hoe
betrokken de ouders waren bij de school en hoe eerlijk de leraren over het
recente verleden en hun eigen rol daarin. We hebben samen gevierd dat het nu
zoveel beter gaat. Ik hoop oprecht dat we nog veel meer van dit soort feestjes
gaan krijgen. En ik ben er ook van overtuigd dat het gaat gebeuren. Omdat ik
groot vertrouwen heb in de veerkracht van de leraren, de mensen die voor ons in
de frontlinie staan.

Ik moest aan dit verhaal denken toen ik het essay van Geert Mak las waarin
hij betoogt dat de PvdA haar natuurlijke achterban, de doorsneewerkers zoals hij
ze noemt, volstrekt uit het oog verloren heeft. De onderwijzer vormt in zijn
verhaal een belangrijke inspiratiebron. Om zijn verhaal kracht bij te zetten
neemt Mak het beleid ten aanzien van de Friese dorpsscholen tot voorbeeld. De
PvdA zou er telkens op hameren dat er van alles en nog wat mis is met deze
scholen, dat ze niets waard zijn en de dorpen en buurten waarin ze staan
achtergebleven gebieden zijn. En dat alles, aldus Mak, leidt tot een vorm van
vernedering, van de jeugd, de ouders en natuurlijk de leraren. Een vorm van
vernedering die mensen uiteindelijk haast geen andere keus laat dan zich over te
geven aan ‘het verleidelijke fluiten van de Rattenvanger’, Geert Wilders.

Juist omdat de Friese dorpsscholen een belangrijke bewijslast vormen in de
argumentatie over de PvdA is het misschien goed eens goed nader te bekijken wat
er nu in Friese onderwijs werkelijk speelt en wat ons beleid is ten aanzien van
de dorpsscholen. In het Noorden van het land zijn relatief veel zwakke en zeer
zwakke scholen. Dat is geen politieke mening, maar een gegeven dat afkomstig is
uit onafhankelijk onderzoek van de Onderwijsinspectie. Overigens houdt de
Onderwijsinspectie bij haar beoordeling van scholen op voorhand al rekening met
de specifieke kenmerken van de leerlingenpopulatie. Indien een school veel
kinderen met een onderwijsachterstand heeft vormt dat bij het oordeel dus een
‘verzachtende omstandigheid’. Uit wetenschappelijk onderzoek van een aantal
jaren geleden naar het Friese onderwijs kwam ook al naar voren dat relatief veel
scholen in Friesland slecht presteren. In datzelfde onderzoek lezen we ook dat
Friese leerlingen gemiddeld net zo intelligent zijn als hun leeftijdgenootjes
elders in het land! En dat daarnaast veel kinderen een te laag schooladvies
krijgen aan het eind van de basisschool omdat ze worden onderschat. Met andere
woorden: er zijn in Friesland teveel kinderen die gezien hun talent toch
onderpresteren op school en daar bovenop ook nog eens een te laag advies krijgen
voor hun vervolgopleiding. En daarmee missen deze kinderen kansen die ze elders
wel zouden krijgen.

Vraag eens aan een kind, dat is opgeklommen vanuit een achterstandspositie,
hoe dat zo gekomen is. Negen van de tien keer begint dat met een verhaal over
een leraar die ‘iets’ in hem of haar zag. Een leraar dus die hoge verwachtingen
had, vaak hoger dan het kind zelf of de ouders. En juist dat ontbreken van hoge
verwachtingen, het te vaak onderschatten van talentvolle kinderen, vormt naast
een gebrekkig onderwijsaanbod het hart van het probleem op zwak presterende
Friese scholen. In weerwil van wat Mak betoogt gaat het er dus niet om dat we
koste wat kost kinderen dwingen verder te leren ook al kunnen en willen ze niet.
Het echte probleem is dat we sommige kinderen niet op hun eigen niveau laten
leren, terwijl ze er wel degelijk het talent voor hebben! Wanneer je in die
situatie beweert dat het allang goed is dat kinderen de wereld een beetje
kennen, redelijk kunnen rekenen en de Leeuwarder Courant kunnen lezen en
begrijpen illustreer je onbedoeld de kern van het probleem. Wat is er meer
vernederend dan niet op je werkelijke waarde geschat te worden?

Om de Friese scholen te verbeteren wordt er door provincie en Rijk nauw
samengewerkt. We hebben een uitgebreid programma waarin we samen met de
schoolleiders, de leraren en hun besturen analyseren hoe het beter kan. Van
school tot school. We hebben hulp in de vorm van experts die leraren bijstaan en
steunen, als professionals onder elkaar. Er is extra geld voor bijscholing van
leraren, ook in de Friese taal, omdat we dit belangrijke culturele erfgoed voor
de Friese kinderen in de toekomst willen behouden. Bij al het beleid dat we
voeren zijn de scholen zelf nauw betrokken, omdat alleen wanneer zij er zelf
voor de volle honderd procent voor gaan, succes verzekerd is. En daarnaast
voeren we sinds twee jaar vanuit OCW sowieso een steviger beleid om kleine
scholen op het platteland meer kansen te geven. Vanwege de positie van de school
in de gemeenschap, vanwege de leefbaarheid van het platteland die we willen
waarborgen. Met extra bekostiging voor kleine scholen, meer ruimte om ook bij
dalende leerlingenaantallen langer open te kunnen blijven.

Juist het tegengaan van onderwijsachterstand, het stimuleren van excellentie
en het ruimte geven aan de leraren die ons respect verdienen vormt de basis van
het huidige onderwijsbeleid. De lat moet hoger, zeker omdat we op het terrein
van de basisvaardigheden taal en rekenen in de afgelopen jaren wat achterop zijn
geraakt. Dat doen we niet om kinderen af te schrijven, maar juist om ze volop
kansen te bieden. En natuurlijk heeft ook de PvdA daarbij lessen uit het
verleden geleerd. Gelijke kansen bereik je niet door alle kinderen gelijk te
behandelen. Kinderen zijn namelijk niet gelijk en door ze op te sluiten in een
voor iedereen gelijk onderwijsprogramma doe je ze tekort. Zeker de kinderen die
erop uit zijn om met een gedegen beroepsopleiding het handwerk gaan doen waar we
inderdaad volop waardering voor moeten hebben. Juist ook omdat veel van deze
mensen met hun bijdrage in midden- en kleinbedrijf de ruggengraat vormen van
onze economie.

We vinden het nu ook verstandig om in een keuze tussen het ontplooiingsmodel
van Kees Boeke en het feitelijke kennis overdragen van Theo Thijssen het
zwaartepunt meer te verschuiven richting de aanpak van Thijssen. Omdat we
inmiddels weten dat de zwakste leerlingen het meeste baat hebben bij stevige
kennisoverdracht en instructie en vaak de weg kwijt raken in alles wat op
zelfstandig werken lijkt. En de positie van de leraar staat hoger op de agenda
dan ooit. Door arbeidsvoorwaarden flink te verbeteren, individuele scholing meer
ruimte te geven. Maar ook door kleinschaligheid van onderwijs te bevorderen met
behulp van een fusietoets, zeggenschap van leraren te versterken en dat vast te
leggen in wetgeving. Om zodoende een kritisch tegenwicht te kunnen vormen tegen
het schoolmanagement.

Natuurlijk is er altijd de mogelijkheid om in een situatie als die in
Friesland niet te handelen. Om zoals Geert Mak tussen de regels door bepleit
gewoon te berusten in de werkelijkheid. Want de vinger op de zere plek leggen is
pijnlijk, niet in de laatste plaats voor de mensen om wie het gaat. Maar in mijn
ogen is niets doen hier geen optie. Het is geen optie omdat de kinderen om wie
het gaat er niks aan hebben als we scholen laten wegkomen met te lage
verwachtingen van kinderen. Alleen via het onderwijs worden dubbeltjes kwartjes.
Ook in Friesland.’