Hoogste tijd voor zinvolle aanpassingen openbaar bestuur

Hoogste tijd voor zinvolle aanpassingen openbaar bestuur

Door Pierre Heijnen op 6 januari 2010 Delen  

Eén van de moeilijkste dingen om te veranderen in Nederland is de inrichting
van het openbaar bestuur. Sinds mensenheugenis kennen we de Europese Unie, de
ministeries, de provincies, de waterschappen en de gemeenten. Bij de ministeries
wordt wel eens een bordje verhangen, er is een 12e provincie bijgekomen en
langzaam maar zeker krimpt het aantal gemeenten.

Verder groeit het aantal samenwerkingsverbanden op basis van de wet
gemeenschappelijke regelingen (plus) als kool, kennen we stadsdelen in Amsterdam
en Rotterdam en ontstaan steeds vaker nieuwe hulpconstructies op regionaal
niveau (veiligheidsregio’s, omgevingsdiensten). Het aantal gemeentepolitici is
na de dualisering in 20002 zelfs gestegen. Maar een echte herziening van ons
stelsel, ho maar. Nee, het is gemakkelijker de belastingen, de Bijstandswet, de
WAO, de WW en zelfs de AOW te verbouwen dan ons bestuurlijk stelsel.
Klaarblijkelijk is het snijden in andermans vlees veel makkelijker dan in het
eigen vlees.

Let op, ik ben niet voor de verandering om de verandering: wat goed werkt,
moet vooral zo blijven. Maar gaat het wel goed in het openbaar bestuur? Kampen
we niet met een steeds groter legitimiteitsprobleem, i.c. steeds lagere
opkomsten bij verkiezingen voor raden, staten en schappen? Heeft de bestuurlijke
organisatie wel gelijke tred gehouden met de maatschappelijke ontwikkeling
waarbij het ‘middenveld’ op een groter schaalniveau is gaan opereren en  burgers
in een ruimer gebied dan hun gemeente wonen, werken, winkelen en recreëeren?
Vergt de toegenomen complexiteit van de samenleving niet steeds intensiever
samenwerkende bestuursorganen waardoor de bestuurlijke drukte immer toeneemt? En
hebben we niet de opdracht om ons bestuur sober en doelmatig in te richten,
zeker als er offers worden gevraagd van burgers en bedrijven en/of op de
publieke diensten bezuinigd wordt?

Ik heb de afgelopen decennia vele blauwdrukken voor een nieuwe bestuurlijke
inrichting voorbij zien komen. Van honderden gemeenten, 25 regio’s en het rijk,
tot 200 gemeenten, 4 provincies en het rijk; van een kernkabinet van 6 ministers
tot veel meer ministers, ook zonder portefeuille. Nooit is er ook maar één klap
van terechtgekomen. Het is niet alleen van deze tijd dat de discussies binnen
politieke partijen over dit onderwerp gedomineerd worden door gekozen en
benoemde politieke ambtsdragers. En daarin ligt toch een belangrijke verklaring.
Het blijkt altijd buitengewoon moeilijk om over de schaduw van de
verantwoordelijkheid die de specifieke bestuurlijke positie met zich meebrengt
heen te springen. Alle in het openbaar bestuur actieve personen bepleitten – met
verve, het zij toegegeven – altijd allereerst de eigen zaak, de (deel)gemeente,
het waterschap, de provincie of het departement van Landbouw en Visserij. Het
zich verplaatsen in de positie van de ander kost grote moeite terwijl menigeen
toch op meerdere bestuurlijke niveaus actief is geweest. De meest emotionele
vergaderingen in partijverband het afgelopen jaar gingen niet over de AOW, maar
over de deelraden in Rotterdam en al dan niet indirecte verkiezingen voor de
waterschappen.

Bedenk wel, ik ben er trots lid te zijn van dé sociaaldemocratische partij
van Nederland en daarin zelfs een verantwoordelijke rol te mogen spelen. Ik heb
niets met de criticasters van de bestuurderspartij. Voor mij is dat een
geuzennaam, want wij nemen altijd de verantwoordelijkheid om de maatschappij
beter te maken voor de mensen als dat maar enigszins kan, en dat doen we in het
algemeen nog goed ook! Wij blijven niet aan de kant staan roepen hoe het
allemaal beter kan, maar roeien ons iedere dag te barsten.

Maar……het zou me een lief ding waard zijn als we in 2010 met elkaar pratend
over een beter openbaar bestuur iets meer afstand zouden nemen van de specifieke
positie die we op dat moment bekleden, iets meer het perspectief van de burger
in plaats van onze interpretatie ervan door de bril van ons specifiek
bestuursorgaan zouden kiezen, iets vaker stilstaan bij onze idealen, onze doelen
in plaats van bij ons voertuig, i.c. de inrichting van het openbaar bestuur. En
dus meer openstaan voor zinvolle aanpassingen ervan. En reken maar dat we
hierover dit jaar in gesprek moeten. Omdat het hoog tijd wordt, omdat de opkomst
bij de gemeenteraadsverkiezingen wel weer teleur zal stellen, omdat er besluiten
genomen moeten worden over provinciale financiën, omdat de Heroverweging
Openbaar Bestuur in april verschijnt, omdat er een nieuw landelijk en
provinciaal verkiezingsprogramma moet worden voorbereid, enzovoort, enzovoort…

Dit is mijn nieuwjaarswens. Naïef? Waarschijnlijk wel. Maar desalniettemin de
moeite waard, want welke verandering is niet ooit in gang gezet met een gezonde
dosis onbevangenheid. Je moet tenslotte ergens beginnen. Een heel goed 2010
gewenst.

Delen: