Met de nieuwe Wmo creëren we ruimte om zorg beter in te richten

Met de nieuwe Wmo creëren we ruimte om zorg beter in te richten

Door Otwin van Dijk op 23 april 2014 Delen  

We praten al jaren over de vraag hoe de zorg anders en beter kan. Hoe we mensen weer zeggenschap kunnen geven over hun eigen zorg, passend bij hun eigen leven. Hoe we professionals in de zorg weer ruimte kunnen geven om zelf te bepalen hoe zij op de beste manier zorg kunnen bieden. Hoe we los kunnen komen van de doorgeslagen ingewikkeldheid. Dit durven we nu eindelijk aan te pakken. Met de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) creëren we nu de ruimte om dit ook daadwerkelijk voor elkaar te krijgen. Dit zei ik gisteren tijdens het debat over de Wmo. Vandaag debatteren we verder.

Gesproken woord geldt

Voorzitter,

Ik wil dit debat over de wet maatschappelijke ondersteuning beginnen met een eigen persoonlijke ervaring. Ik doe dat in deze Kamer zelden. Volgens mij heb ik dat behalve tijdens m’n maidenspeech verder zelfs nog nooit gedaan. Maar vandaag maak ik daar wel een uitzondering op. Omdat het een van de redenen is waarom ik ooit de politiek ben ingegaan. Een ervaring van zo’n twintig jaar geleden. De Wmo bestond nog helemaal niet. Wel de AAW, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Een landelijke wet die voorzieningen regelde voor mensen met een beperking. Alles was keurig geregeld in ‘klassen en protocollen’. Gelet op mijn beperking had ik destijds recht op een elektrische rolstoel en een duwrolstoel. In die ‘klasse’ viel ik. De elektrische rolstoel kostte 40.000 gulden en de duwrolstoel 5.000. We leven nog in het guldentijdperk. Samen 45.000 gulden dus. Geen moeilijke rekensom. Maar ik vond mijzelf veel te sportief om in een elektrische rolstoel te gaan zitten. Ik had dan ook zelf een andere rolstoel uitgezocht die ik zelf kon voortbewegen. Een sportrolstoel. Van 6.000 gulden. Voor de snelle rekenaars: ik had dus iets uitgezocht wat beter bij me paste en ook nog eens 39.000 gulden bespaarde: 45.000 versus 6.000 gulden. Maar ik vertel dit verhaal natuurlijk niet zomaar. Geen: ‘Wat fijn dat je zo meedenkt en geld bespaart’. Nee, ik heb hemel-en-aarde moeten bewegen om uiteindelijk die betere en flink goedkopere voorziening te krijgen.

De protocollenterreur stond in de weg. Toen ook al. De protocollenterreur die grote delen van onze zorg zo teistert: past de zorg bij jou of moet jij bij de zorg passen? Ik denk dat we allemaal wel van dit soort voorbeelden kennen. Zeker de mensen die dit debat volgen via de publieke tribune of thuis voor de televisie. Het is het gevolg van onze neiging dat alles voor iedereen gelijk geregeld moet worden. Dat klinkt mooi. Maar het resultaat is een oneindige hoeveelheid voorschriften die vanuit Den Haag bedacht worden en over het land worden uitgestort. En dan is het dus nog maar de vraag of je in de juiste ‘klasse’ valt. Of zorgzwaartepakket. Of indicatie. Als je pech hebt níet dus. Zoals ik al zei: dat was een van de momenten dat ik bedacht dat ik de politiek in wilde. Dat moet anders kunnen.

Er valt best flink te besparen in de zorg. Meer zeggenschap van mensen zélf en ruimte voor gezond verstand is dan nodig. We moeten af van de one-size-fits-all gedachte. Gemeenten staan veel dichterbij mensen om die ondersteuning op maat te regelen. De vraag is wel: pakken we de ruimte die deze zorgvernieuwing biedt?

Om het belang van dat maatwerk te benadrukken willen PvdA en VVD het compensatiebeginsel als dragende beginsel terug zetten in de wet. In de Memorie van Toelichting en de Nota naar aanleiding van het verslag lezen we dat de regering het compensatiebeginsel nog steeds ziet als het onderliggende beginsel van de Wmo. Daarom zetten we het in de wet zelf. Het compensatiebeginsel is bedoelt om verschillende oplossingen mogelijk te maken. Echt maatwerk dus. Rekening houdend met de verschillen tussen mensen. Voorzieningen mogen verschillen en moeten erop gericht zijn om mensen te helpen bij participatie of hun zelfredzaamheid bevorderen.

Voorzitter,

Het gaat de PvdA bij de zorghervorming vooral om een inhoudelijke verandering. Een cultuuromslag. We hebben het in ons land namelijk wel heel erg ingewikkeld en soms ook onpersoonlijk gemaakt. De ingewikkelde indicaties. Maar ook de productieprikkels in de zorgfinanciering. De talrijke protocollen waar zorgmedewerkers mee te maken hebben en formulieren die ingevuld moeten worden voor de verantwoording. En de versnipperde hulp ook niet te vergeten. Daar moeten we wat aan doen! 

Zorgveranderingen zijn ook om financiële redenen nodig. Daar moeten we eerlijk over zijn. De economische bomen groeien niet meer tot in de hemel en de echte vergrijzing moet nog beginnen. Over een paar jaar is het aantal ouderen dat zorg nodig heeft nog verder – flink! – gestegen en is het aantal jongeren dat zorgpremie betaalt verhoudingsgewijs een stuk lager dan nu. De langdurige zorg dreigt dan ook financieel en bureaucratisch volledig te ontsporen. Wegkijken en niks doen is onverantwoord, zowel voor huidige als latere generaties. Mensen met de laagste inkomens en de meest kwetsbaren worden de dupe als we het zorgsysteem in de soep laten lopen. Dat kan ik als sociaaldemocraat niet laten gebeuren. Als de zorg voor kwetsbare mensen je echt wat waard is moet je er ook voor durven zorgen die zorg veilig te stellen en op tijd bijsturen. Nederland is en blijft ook het land – van alle landen ter wereld – dat het meeste geld uitgeeft aan zorg voor ouderen en gehandicapten.

Iedereen die beweert dat de zorg wordt afgebroken kletst uit z’n nek! Die maakt mensen bang. Die durft de ruimte voor zorgvernieuwing niet te pakken.

Het betekent wel dat er keuzes gemaakt moeten worden. Dat is niet altijd gemakkelijk. Dat snap ik dondersgoed. Het maakt mensen die zorg nodig hebben en medewerkers in de zorg soms onzeker. Want ook al hebben we de afgelopen jaren flink gemopperd op de bureaucratische zorg, we wisten wel wat we hadden. Het is ook de reden waarom de PvdA pleit voor een zorgvuldige zorgverandering. Ik ben blij dat we gezamenlijk met VVD, D66, ChristenUnie en SGP vorige week goede afspraken hebben gemaakt over meer geld voor de langdurige zorg. Zo kunnen we mensen meer zekerheid bieden en tegelijkertijd werken aan de zo noodzakelijke zorgvernieuwing.

Voorzitter,

Volgens mij zijn er allerlei redenen om de zorg te veranderen. Om van de protocollenterreur af te komen. Om de versnippering aan te pakken. Om de zorg betaalbaar te maken. Om de zorg aan te passen aan wat iemand echt wil en nodig heeft. Om zorgvernieuwing mogelijk te maken zonder vast te zitten in een verouderd systeem. Wat is daarvoor nodig? Ik wil dat aan de hand van vijf vragen doen:

Hoe creëren we een meer inclusieve samenleving?
Hoe versterken we de zeggenschap van mensen zélf?
Hoe stimuleren we betrokkenheid bij elkaar?
Hoe organiseren we zorg en ondersteuning in de buurt een beetje logisch?
Hoe creëren we houvast bij deze veranderingen en maken we tegelijk vernieuwing mogelijk?

Voorzitter,

De eerste vraag: ‘hoe creëren we een meer inclusieve samenleving?’ is misschien wel de meest fundamentele.

Wat de PvdA betreft staat de Wmo niet op zichzelf. De Wmo is ook niet alleen een zorgwet of een voorzieningenwet. Het gaat over meer. Het gaat ook over de vraag in wat voor samenleving we willen leven. Over het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie. Over voor elkaar klaar staan. En over een overheid die mensen ondersteunt als dat nodig is. Misschien is dat ook wel de reden waarom er over juist deze hervormingswet zoveel wordt gesproken.

De PvdA pleit al lang voor het ratificeren van het VN-verdrag inzake rechten voor mensen met een beperking. Dat verdrag pleit voor een inclusieve samenleving. Een samenleving waarin mensen ongeacht hun beperking of ouderdom mee kunnen doen. Maar hoe inclusief is onze samenleving eigenlijk? Is het al normaal dat mensen met een beperking gewoon met het openbaar vervoer kunnen? Of gestimuleerd worden een baan te hebben? Of kunnen mensen zelf voldoende regie voeren over hun eigen ondersteuning en een leven leiden zoals dat het beste bij hen past? Volgens mij kan dat beter. De Wmo is onderdeel van de wettelijke basis die nodig is om tot die inclusieve samenleving te komen.

Veel vragen die nu in de zorg worden opgelost liggen daar bovendien eigenlijk buiten. Bijvoorbeeld omdat de school niet toegankelijk is, je met je rolstoel niet het openbaar vervoer in kunt of je niet in een gewoon huis kunt wonen. Wat doen we in ons land? We maken aparte scholen. We laten aparte aangepaste busjes achter een gewone bus rijden. We creëren aparte instituten – noem het instellingen of verzorgingshuizen – waarin we mensen apart laten wonen. Weg van de rest van de samenleving. Dat is niet wat de PvdA wil. Wij willen een samenleving waarin we elkaar tegenkomen. Letterlijk. Waarin je in de klas zit met iemand met een beperking. En diegene even helpt met boeken in z’n tas stoppen als dat niet zo makkelijk gaat. Waarin je gewoon met je rolstoel in het openbaar vervoer kunt. Waarin ouderen, mensen met een beperking of een GGZ-achtergrond in kleinschalige wooninitiatieven gewoon in buurten en dorpen wonen.

Je ziet voorzichtig stappen richting die inclusieve samenleving. Maar het mag allemaal wel een paar stappen vlotter. Ik wil dan ook de staatssecretaris oproepen om vaart te maken met de ratificatie van het VN-verdrag inzake rechten voor mensen met een beperking. Dat kan een echte stimulans betekenen. Wanneer wordt de wet om het verdrag te ratificeren naar de Kamer gestuurd? En hoe gaat de staatssecretaris er voor zorgen dat gemeenten bij de uitwerking van het lokale Wmo-beleid het VN-verdrag leidend laten zijn? Zo werken we aan een echt inclusieve samenleving. Die begint ook op lokaal niveau. Daar komen wonen, openbare ruimte, zorg en welzijn samen. Een van de reden waarom decentralisatie van zorgtaken naar gemeenten zo goed is. Of om met de woorden van Gert Rebergen – directeur van IederIn – te spreken: ‘Gemeenten kunnen voor mensen met een beperking een nieuw tijdperk inluiden waarin hun autonomie en mogelijkheden om mee te doen worden versterkt. Laat gemeenten de nieuwe taken aangrijpen om te bouwen aan een inclusie samenleving.’ Ik sluit me daar van harte bij aan.

Voorzitter,

Ik kom bij m’n tweede vraag: ‘hoe versterken we de zeggenschap van mensen?’ Tijdens de verschillende hoorzittingen die we als Kamer hebben gehouden hoorden we dat de patiëntenbeweging en ouderenbonden de zorghervorming op hoofdlijnen steunen. Veel meer dan nu het geval is ontstaan er namelijk mogelijkheden om de zeggenschap van mensen te versterken. Om mensen meer eigen regie te geven. Teveel ben je als cliënt nu nog afhankelijk van het aanbod dat voor jou geregeld is. De vraag ‘past de zorg bij jou of jij bij het zorgaanbod?’ is volgens mij nog aan de orde van de dag. Als je dat wilt veranderen moeten er een paar dingen gebeuren. Om te beginnen bij de cliënt zélf. Verdere emancipatie van mensen met een beperking is nodig. Wat wil je met je leven? Welke beperkingen kom je tegen? Wat voor ondersteuning heb je nodig om dat te compenseren? Wat kan je zelf oplossen? En waar heb je professionele hulp bij nodig? Dat soort vragen dwingt je om goed na te denken over je eigen mogelijkheden en onmogelijkheden. Dat bedoel ik niet hard. Dat bedoel ik vanuit een emancipatie-ideaal. Teveel zie ik nu nog mensen die zich richten op het standaardaanbod dat de zorg kent en dan zeggen: ‘Daar heb ik recht op.’ Terwijl de meeste mensen toch een zo gewoon mogelijk leven willen leiden. We moeten veel meer toe naar een vraaggestuurd systeem. Maar dan moet je wel eerst zélf je vraag helder hebben.

Het is dan ook goed dat er niet meer gewerkt wordt met een ‘standaard-aanvraagformulier’ voor ‘standaard-voorzieningen’ die in het ‘standaard-verstrekkingenboek’ van de gemeente zitten. Maar dat het proces begint met een onderzoek of goed gesprek. De zogenaamde ‘keukentafelgesprekken’. Dat moet ook niet het afwerken van een ‘standaard-vragenlijstje’ betekenen. Maar gaan over het gewone leven. In het gesprek wordt bekeken welke problemen er zijn. En welke oplossingen daar het beste bij passen. Dat kan voor iedereen anders zijn. Het begint wel eerst met een duidelijke vraag. Een ogenschijnlijk zelfde vraag kan toch anders blijken te zijn als je er dieper induikt. Twee weken geleden sprak ik de ‘Initiatiefgroep Eigen Regie’. Zij kwamen met een mooi voorbeeld. Twee mensen hadden allebei moeite met maaltijd-bereiding. De een was bijna 80 en had koken nooit echt als hobby gehad. Ze had veel contacten buiten de deur en eten moest er eigenlijk ‘even bij’ op een dag. In dat geval was ‘tafeltje dekje’ een prima oplossing. De ander was 30. Koken was haar lust en leven. Voor vrienden en haar kinderen. Zo kwam ze ook aan contacten met anderen. Voor haar is een aangepaste keuken geïnstalleerd. Twee dezelfde problemen? Of toch twee verschillende? Allebei ‘tafeltje dekje’ of allebei een aangepaste keuken doet geen recht aan de unieke persoonlijke omstandigheden. De WMO biedt deze ruimte in de wet voor maatwerk. Die ruimte moet ook echt gepakt worden. Dat kan de wet moeilijk afdwingen. Wel mogelijk maken. Mijn oproep is dan ook: pak die ruimte!

Uit een breed onderzoek onder gemeenten die werken met zogenaamde ‘keukentafelgesprekken’ blijkt dat dat tot goede zorg, tevreden mensen en veel minder kosten leidt. Eigenlijk nogal logisch. Persoonlijke gesprekken leiden tot meer maatwerk; een oplossing die beter bij je past. Het gaat niet langer om standaardprotocollen die ergens in een administratiekantoor bedacht zijn, maar om jouw eigen persoonlijke omstandigheden. Projecten als ‘de kanteling’ of ‘welzijn nieuwe stijl’ proberen die vraag achter de vraag te helpen opzoeken en het gezond verstand weer voorop te stellen bij het vinden van oplossingen. Hoe gaat de staatssecretaris met het transitiebureau zorgen voor dit soort projecten die daadwerkelijk bijdragen aan de cultuuromslag de zo nodig is? Hoe gaat de staatssecretaris er voor zorgen dat juist dit aspect niet ondersneeuwt nu gemeenten er nieuwe taken bij krijgen?

Voorzitter,

De PvdA wil ‘zeggenschap’ van mensen verder versterken. Daarom stelt de PvdA voor om mensen zélf het recht te geven een ondersteuningsplan op te stellen en dat aan de gemeente te overhandigen. Dat plan is van de cliënt zelf. In het plan moeten de doelen, problemen en oplossingen staan. Oplossingen die je zelf kunt vinden en oplossingen waarbij je bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening van de gemeente nodig hebt. Het biedt mensen de kans om goed na te denken over wat zij als probleem ervaren en welke oplossingen zij passend vinden. Eventueel kan een eigenkrachtconferentie of iets dergelijks daar ook behulpzaam bij zijn. Mensen zijn dan niet alleen eigenaar van hun ‘probleem’, maar ook eigenaar van hun ‘oplossing’. De gemeente moet op dat plan reageren. Uiteraard kan het voorkomen dat de door de cliënt gewenste oplossingen niet redelijk zijn. Daar moet dan het gesprek tussen de gemeente en de cliënt over gaan. Ik ben daar overigens niet zo bang voor. Mijn ervaring als voormalig wethouder is dat juist als je mensen laat meedenken met oplossingen ze echt niet gelijk het duurste uitzoeken. De mogelijkheid om zelf een ondersteuningsplan op te stellen geeft mensen grip op hun oplossingen en biedt ruimte voor gezond verstand. Oplossingen die niet in een verstrekkingenboek of protocol staan. Maar wel helpen een leven te leiden dat bij jou past.

Er zijn natuurlijk ook mensen die het moeilijk vinden om hun vraag helder te stellen. Of dat niet kunnen vanwege bijvoorbeeld een verstandelijke beperking. Clientondersteuning moet dan beschikbaar zijn. In de wet is cliëntondersteuning geregeld. Maar de PvdA wil – net als veel andere partijen – dat die cliëntondersteuning ook echt onafhankelijk is. Daarom een amendement dat de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning wettelijk vastlegt. De onafhankelijke cliëntondersteuner dient het belang van de cliënt. En helpt hem of haar bij het formuleren van de goede vraag en het verkrijgen van goede oplossingen en voorzieningen. Dat hoeft overigens niet perse een betaalde professional te zijn. Het kan ook een familielid of een vrijwilliger van een patiëntorganisatie betreffen. Maar ook professionele vormen van cliëntondersteuning moeten beschikbaar zijn. Het kan gaan om MEE, maar ook om sociaal raadslieden of nieuwe vormen van onafhankelijke cliëntondersteuning. Met dit amendement wordt die onafhankelijkheid goed geborgd.

Voorzitter,

Je ziet dat mensen steeds meer behoefte hebben om meer grip op de uitvoering van zorg te krijgen. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld via een persoonsgebonden budget. Maar ook via gezamenlijke initiatieven zoals zorgcoöperaties.

Het is goed dat het recht op een persoonsgebonden budget in alle zorgwetten wordt vastgelegd. Dat is een paar jaar geleden wel anders geweest. We hebben een amendement van GroenLinks mee ondertekend om het verwarrende tweede lid van artikel 2.3.6 te veranderen. Zorg in natura en een PGB zijn gelijkwaardige alternatieven. Wel verwachten we van mensen dat ze gemotiveerd aangeven hoe ze het PGB gaan inzetten. 

Je ziet daarnaast steeds meer initiatieven van groepen mensen ontstaan. Groepen cliënten, zorgprofessionals of dorpen en wijken die samen zorg willen regelen. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een zorgcoöperatie. De PvdA vindt dat een fantastische ontwikkeling. Ze zijn kleinschalig en geven directe zeggenschap aan de mensen waar het om gaat.

Als wethouder heb ik meegemaakt dat een groep GGZ-cliënten en hun begeleiders zelf een kleinschalig dagbesteding-initiatief hadden ontwikkeld. Ze wilden niet langer gebruik maken van het aanbod van de grote GGZ-instelling. Een rechtstreeks contract met het zorgkantoor zat er niet in. Het initiatief was geen AWBZ-erkende instelling. En dat terwijl het dé vorm van dagbesteding was die deze mensen wilden en het was ook nog eens een flink stuk goedkoper. Via een onderaannemerschap bij diezelfde grote GGZ-instelling lukte het nog even om te starten. Maar je ziet vaak dat die onderaannemerschappen er als eerste aan moeten geloven als er minder geld beschikbaar is. Onlangs liet een zorgboerderij, die ook als onderaannemer werkte, me het verschil zien tussen wat de instelling kreeg en wat zijn zorgboerderij kreeg. De bezuiniging op dagbesteding haal je makkelijk als je die tussenschakel eruit haalt. Maar nog belangrijker dan geld besparen: zo’n ‘zelf-initiatiefrecht’ creëert echt zeggenschap.

Het past ook helemaal bij de traditie van onze Nederlandse langdurige zorg. We kennen geen traditie van staatszorg. Zoals in de Scandinavische landen waar de wijkverpleegkundige op de loonlijst van het stadhuis staat en ambtenaar is. We kennen echter ook geen traditie van marktzorg. Zoals in de Verenigde Staten. Met die aanbestedingen over de rug van het uurtarief van huishoudelijke hulpen hebben we het bovendien ook wel gehad. We kennen in ons land een traditie van maatschappelijke organisaties met zeggenschap van mensen die zorg nodig hebben of in de zorg werken. Noem het de oude kruisverenigingen in een nieuw jasje of zoiets. Deze vorm van rechtstreeks eigenaarschap willen we stimuleren. Het kan ook een antwoord worden op de vervreemding die mensen soms voelen ten opzichte van grootschalige instituties. We pleiten dan ook voor de introductie van een ‘right to challenge’. Het recht om samen zorg te organiseren. Als een groep cliënten en/of zorgprofessionals denkt de zorg beter te kunnen organiseren dan het door de gemeente gecontracteerde aanbod van een zorginstelling moeten ze daar de mogelijkheid voor krijgen. Wat vindt de staatssecretaris hiervan? Is dit mogelijk binnen de WMO? Hoe gaat hij dit anders mogelijk maken? Of zelfs bevorderen? Hoe zorgen we ervoor dat gemeenten dit soort initiatieven omarmen en niet als ‘lastig’ ervaren? Hoe zorgen we ervoor dat initiatiefnemers niet te maken krijgen met allerlei extra administratieve en bureaucratische belasting?

Voorzitter,

Het derde onderwerp in m’n bijdrage aan dit debat gaat over de vraag: ‘hoe stimuleren we de betrokkenheid bij elkaar?’

En om maar gelijk alle verwarring bij mensen die dit debat volgen weg te halen: Nee, je hoeft niet eerst je oude buurvrouw uit bed te halen voordat je naar je werk kan. Daarvoor garanderen we professionele zorg. Lijfsgebonden zorg – verpleging en verzorging – wordt een verzekerd recht in de Zorgverzekeringswet. Onderdeel van deze wetsbehandeling is ook om dat vast te leggen in de nieuwe aanspraak wijkverpleging. Op die aanspraak kom ik straks nog op terug.

Maar… Ik vind een van de belangrijkste vragen misschien wel hoe we de betrokkenheid bij elkaar in de samenleving kunnen stimuleren. Nog niet zolang geleden spraken we in deze Kamer over het rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau met de naam ‘Met Zorg Ouder Worden’. Dat rapport had eigenlijk een verkeerde naam. Want het meest bepalend voor kwaliteit van leven bleek niet zozeer ‘zorg’. Wat mensen het belangrijkste vinden is het hebben van mensen om je heen: een sociaal netwerk. Uit het onderzoek blijkt dat een op de drie ouderen eenzaam is. En daar ook echt last van heeft. Ik kan me dat voorstellen. Het lijkt me verschrikkelijk als je ’s ochtends op de rand van je bed zit en je afvraagt: ‘Waarom zou ik eigenlijk opstaan?’ Het leidt ook tot een groter beroep op zorg. Eenzaamheid maakt echt wat los in je lijf waardoor je ziek wordt. Huisartsen kunnen erover mee praten dat mensen die eenzaam zijn vaker langskomen en medicijnen gebruiken. Maar met meer inzet van professionals los je dit soort vragen niet op. Het zou ook een beetje triest zijn als de enige oprechte aandacht die mensen krijgen bestaat uit een paar uur betaalde aandacht. Ik denk dat we hiervoor als samenleving aan de lat staan. Een betrokken samenleving betekent ook een kwalitatief betere samenleving.

Gelukkig zijn er al ontzettend veel vrijwilligersinitiatieven in wijken en dorpen. En ontstaan er ook steeds meer nieuwe. Al dan niet behulp van sociale media. In de Achterhoek bijvoorbeeld onder de naam Achterhoek Connect. Met een simpele app op een iPad kunnen vraag en aanbod bij elkaar worden gebracht: ‘Vandaag voel ik me niet zo lekker. Wil iemand even boodschappen doen? Maar ik kan wel op de hond van de buren passen.’ Of zoiets. Wat ik bovendien mooi vind om te zien is dat de grenzen tussen ondersteuning nodig hebben en ondersteuning bieden steeds meer gaan vervagen. Je ziet mensen met een verstandelijke beperking die in een woonvorm in de wijk wonen, ouderen in een rolstoel uit het verpleeghuis een ommetje duwen. Zo kun je zelf voor het ene hulp nodig hebben en tegelijkertijd anderen helpen. Een mooi voorbeeld van een inclusieve samenleving. Hoe gaat de staatssecretaris er voor zorgen dat dit soort initiatieven die het welzijn van mensen en de betrokkenheid bij elkaar versterken worden bevorderd? Bijvoorbeeld via programma’s als Invoorzorg of de agenda voor informele zorg?

Een bijzondere positie hebben natuurlijk mantelzorgers. Daar waar je als vrijwilliger of buurtgenoot nog kan kiezen of je wat wil doen voor een ander, als mantelzorger heb je die keuze vaak niet. Mantelzorger word je. Omdat je voor je gehandicapte kind zorgt of voor je partner die ouder wordt en vergeetachtig is geworden. De meeste mantelzorgers doen die zorg met liefde, maar het kan ook heel zwaar zijn. Tegen bestaande mantelzorgers zeggen we dan ook niet: ‘doe er maar een schepje bovenop’. Het gaat erom dat je mantelzorgers ondersteunt. Soms helpt het ook om het kringetje groter te maken. Er meer mensen bij te betrekken. Mantelzorgers vragen namelijk niet zo snel om hulp.

Om inzicht te krijgen in de situatie is het goed dat de mantelzorger zoveel mogelijk aanwezig is bij het keukentafelgesprek als er een ondersteuningsplan wordt opgesteld. Met de ChristenUnie en de SGP heeft de PvdA een amendement ingediend om in de wet vast te leggen dat de mantelzorger waar mogelijk bij het gesprek aanwezig is. Dat maakt de bijzondere positie van mantelzorgers extra duidelijk. Bij het opstellen van het ondersteuningsplan kan dan gekeken worden naar de hele gezinssituatie. Naar de ondersteuningsbehoefte van zowel de cliënt als de mantelzorger. In hoeverre is de mantelzorger inzetbaar of is juist mantelzorgondersteuning nodig? Op deze manier maak je een plan dat ook rekening houdt met de hele thuissituatie. Zodat iedereen het vol kan houden. Sommige oplossingen werken ook twee kanten op. Dagbesteding vind ik zo’n mooi voorbeeld. Het is goed voor de cliënt en even ‘lucht’ zorgt ervoor dat de mantelzorger het ook beter vol kan houden.

Voorzitter,

Ik ben bij m’n vierde onderwerp: ‘hoe organiseren we zorg en ondersteuning in de buurt een beetje logisch?’

Maar dan eerst de vraag: Hebben we het nou zo goed georganiseerd op dit moment? Ik denk echt dat dat een stuk beter kan. Daar kennen we allemaal ook wel voorbeelden van denk ik. In een van m’n werkbezoeken kwam ik ook bij een mevrouw thuis. Een bezoek dat ik niet snel zal vergeten. De mevrouw had echt niet een extreem multi-probleemgezin. Maar er was wel van alles aan de hand. Op haar te helpen kwamen er gemiddeld zo’n tien verschillende hulpverleners per week over de vloer. Een voor de schulden. Een gezinscoach. Een re-integratiecoach. En ga zo maar door. Dat werkte ook lekker langs elkaar heen. De re-integratiecoach adviseerde dat het goed zou zijn om na te denken over het vinden van werk. Dat biedt perspectief. De gezinscoach zei daarentegen: ‘Werken? Nee, je moet eerst thuis orde op zaken stellen!’ Zeg het dan maar als cliënt… De mevrouw verzuchtte bovendien tegen me: ‘Jongen, ik wil wel werken, maar wie coördineert er dan mijn tien hulpverleners als ik er thuis niet ben?’ Wat doen we mensen ondanks onze goede bedoelingen soms aan? Het kost veel geld. En worden mensen er ook echt beter van? Een beetje meer ruimte voor gezond verstand kan geen kwaad denk ik.

Ik las vorige week een interview met een hartenkreet van CDA-wethouder Janny Bakker uit Huizen. Als oud-wethouder ken ik haar. Een goede wethouder. Ze zei: ‘We kunnen het ons echt niet meer permitteren om nog lang tijd te besteden aan politieke schermutselingen. Wij willen integraal naar problemen van mensen kunnen kijken, zonder alle belemmerende schotten van dichtgeregelde wetten, domeindiscussies binnen hulpverlening en verkokerde financieringsstromen. We zullen nu echt moeten doorpakken in het belang van onze inwoners.’ Ik kan dat alleen maar beamen.

De wet waar we het vandaag over hebben, de Wet maatschappelijke ondersteuning, maakt onderdeel uit van een bredere hervorming van de langdurige zorg. De Wmo regelt ondersteuning en participatie. De Zorgverzekeringswet organiseert de eerstelijnszorg zoals huisartsen en verpleging en verzorging in de wijk. En de Wet Langdurige Zorg is er voor als je echt niet meer thuis kunt blijven wonen of 24-uurszorg nodig hebt. Op zichzelf een logische ordening. Maar het één heeft wel invloed op het ander. Een gemeente die het goed voor elkaar heeft, zorgt er daardoor voor dat mensen langer thuis kunnen blijven wonen. Gemeenten die een lousy Wmo-beleid voeren zorgen ervoor dat mensen eerder naar een WLZ-voorziening moeten. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Met positieve prikkels zet je juist de beweging de goede kant op. Dat sluit ook aan bij wat mensen willen en is ook goedkoper. Daarom vragen we de staatssecretaris om te onderzoeken hoe goed gedrag en goed beleid ook financieel beloond kan worden. Extra geld dus voor goede gemeenten. In de Scandinavische landen werken zulke prikkels heel goed. Een motie van VVD en PvdA om dit te onderzoeken ligt klaar. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter,

Er worden momenteel op steeds meer plekken in ons land sociale wijkteams opgericht. Om de versnippering in de zorg aan te pakken en problemen van mensen op te lossen. Een goede zaak. Ik heb de afgelopen tijd ook regelmatig ‘stage gelopen’ door in verschillende steden met zo’n sociaal wijkteam mee te draaien. En ik ben echt onder de indruk van het enthousiasme van zorgprofessionals die aan de slag zijn. Voor hen is het ook een manier om je vakmanschap te kunnen laten zien. Je bent als professional namelijk niet langer alleen voor een klein dingetje verantwoordelijk, maar als generalist help je mensen met het oplossen van problemen. Veel meer bezig met het totaalresultaat: lukt het om mensen sterker te maken en zoveel mogelijk op eigen benen te laten functioneren? Het maakt ook een einde aan het productdenken in de zorg. Het gaat erom dat je problemen oplost. Niet dat je je diensten verkoopt.

Maar ondanks mijn enthousiasme maak ik me ook wel wat zorgen. Je ziet namelijk ook dat sommige zorgorganisaties in een aantal steden de sociale wijkteams zien als reddingsboei voor institutionele belangen. ‘Als ik nou gewoon m’n medewerkers de wijk instuur, met bestaande productietargets, noem ik het wijkteam en dan hou ik m’n omzet.’ Tja… Als elke bestaande organisatie dat doet verandert er nog niks. Dan verplaats je alleen de huidige ingewikkeldheid naar de wijk. Het bestaande met een strikje er omheen. Vaak zijn er dan weer allerlei coördinatoren nodig om te coördineren wat anderen niet bij elkaar gecoördineerd krijgen. Per saldo schiet je er dan niks mee op. Als we het echt minder ingewikkeld willen maken en de versnipperde zorg echt willen aanpakken moet het ook echt anders. Herkent de staatssecretaris dit? Ziet hij dat ook? En wat vindt hij daarvan? Ik snap dat hij niet gaat voorschrijven hoe een sociaal wijkteam eruit ziet, maar hoe gaat hij gebruik maken van de goede voorbeelden en de echte vernieuwing stimuleren? Gemeenten krijgen namelijk wel 50 miljoen voor het opzetten ervan. Hoe zorgen we er voor dat de goede voorbeelden de norm worden? En hoe kan de staatssecretaris daaraan bijdragen? Hoe bevordert de staatssecretaris bovendien dat kleinschaligheid de norm wordt? Zelfsturende teams zijn vaak effectiever en goedkoper. Kijk bijvoorbeeld ook naar het succes van zorgorganisaties als Buurtzorg, Opella, Meander en vele anderen.

Wat de PvdA betreft bestaat het sociale wijkteam uit een gouden driehoek van huisarts, wijkverpleegkundige en sociaal werker. Iedereen is vakman op zijn eigen gebied. Tussen die drie disciplines wordt er samengewerkt. Zonder onnodige overlegcircuits. Je overlegt gewoon even als dat nodig is. Dat kan alleen als je elkaar kent. In grootschalige organisaties zijn het vaak mailtjes en vergadermomenten. In het wijkteam ken je elkaar en stap je even naar elkaar toe. Die sociaal werker is de combinatie van een moderne maatschappelijk werker en buurtopbouw werker. Eigenlijk hebben we het nog veel te weinig over die welzijnsfuncties. In een aantal steden ontwikkelt deze functie zich in rap tempo. Vaak onder de naam ‘wijkcoach’ of ‘buurtcoach’. Welzijn wordt steeds belangrijker. We zagen dat ook al in het rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau wat ik eerder aanhaalde. Het onderscheid tussen zorg en welzijn gaat bovendien steeds meer vervagen. Om die beweging verder te stimuleren zijn wel een aantal zaken nodig. Om te beginnen de vernieuwing van welzijnsfuncties. De beroepsgroep van wijkverpleegkundigen is bezig met beroepsstandaarden. Ik wil de staatssecretaris oproepen of hij ook met de beroepsgroep van welzijnswerkers in overleg wil om de nieuwe sociaal werk-functies verder te ontwikkelen. Welzijn nieuwe stijl is daar al een belangrijke eerste stap in geweest.

Om het sociale en het medische domein verder op elkaar te laten aansluiten is samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars hard nodig. Alleen dán kunnen mensen echt langer thuis blijven wonen. Ik heb daar tijdens zo’n beetje elk debat over de hervorming van de langdurige zorg voor gepleit. Die samenwerking is echt cruciaal. Er zijn in ons land ook al enkele mooie voorbeelden van. In Nieuwegein wordt bijvoorbeeld gewerkt met ‘welzijn op recept’. Mensen die bij de huisarts komen en eenzaam zijn of net een partner hebben verloren zijn niet altijd geholpen met antidepressiva pillen. Soms is leren omgaan met je situatie of weer wat gaan doen veel beter. In plaats van een ‘recept met pillen’, krijg je dan ‘welzijn op recept’. Het bespaart kosten en het is beter voor mensen. Ook het ‘meer bewegen voor ouderen’ vind ik een mooi voorbeeld. Dat is onderdeel van het welzijnswerk van ouderen. Bij dat ‘meer bewegen voor ouderen’ hoort ook het onderdeel ‘valpreventie’.

Veel gemeenten gingen in het kader van bezuinigingen besparen op het welzijnswerk voor ouderen. Als ouderen eerder vallen en ze weten zich minder goed op te vangen dan breken ze eerder een heup. Een heupfractuur dus. En een heupfractuur voor een oudere betekent een heupfactuur voor de zorgverzekeraar. We weten ook dat een heupbreuk voor ouderen het begin van meer kwaaltjes kan zijn. Als we dat nou proberen te voorkomen… Als oud-wethouder maakte ik daarom afspraken met de grootste zorgverzekeraar om samen te investeren in de aansluiting tussen het medische en het sociale domein.

Ik ben blij dat de staatssecretaris de inzet van de wijkverpleegkundige als schakel tussen het sociale en het medische domein wettelijk heeft vastgelegd. Maar de samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars gaat over méér. Ook over de aansluiting tussen eerstelijnszorg, welzijn, preventie en publieke gezondheidszorg. Dat moet niet afhangen van de toevallige welwillendheid of enthousiasme van een zorgverzekeraarmedewerker en een wethouder. Tijdens de diverse ronde tafelgesprekken bleek dat het op een aantal plekken in ons land heel goed gaat. Maar op een groot aantal plekken nog niet. Een zorgverzekeraar heeft zelfs aangegeven dat ze met gemeenten die minder dan 50.000 inwoners hebben niet willen praten. Dat werkt natuurlijk niet. Daarom heb ik een amendement ingediend op zowel de Wmo als ook de Zorgverzekeringswet om de samenwerking en afstemming tussen gemeenten en zorgverzekeraars wettelijk vast te leggen. Die afstemming is een randvoorwaarde voor goede zorg en ondersteuning in de buurt. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: vindt hij dat ook? Welke belemmeringen ziet hij voor deze samenwerking? Wat kan hij doen om deze weg te nemen?

Voorzitter,

Als er één ding is wat mensen die met de zorg te maken hebben – of je er nou in werkt of zorg nodig hebt – enorm dwarszit is dat wel de regeldruk en de verantwoordingsterreur. Er gaat ongelofelijk veel tijd verloren met registreren. En in het registreren van wat eigenlijk? Uren! Niet eens of de resultaten die je wilde halen ook echt behaald zijn. Hoe zorgen we er nou eens echt voor dat we daar wat aan doen?

Vorig jaar kondigde de staatssecretaris aan dat de gehate stopwatchzorg in de thuiszorg komt te vervallen. Ge-luk-kig! Een vurige wens van de PvdA en van wijkverpleegkundigen zélf. Ik ben er van overtuigd dat het veranderen van de manier waarop zorg wordt ingekocht een van de successleutels is bij het slagen van de hervorming van de langdurige zorg. Daarvoor is het nodig dat het uurtje-factuurtje betalen stopt. Zoals Buurtzorg het tijdens een van de hoorzittingen scherp vertelde: “Met de introductie van het productdenken mocht de professional niet langer zelf nadenken. De professional moest producten leveren volgens een onafhankelijk vastgesteld indicatiebesluit. Het ging er niet meer om dat je tijdens de zorgverlening keek naar zelfzorgmogelijkheden, dat je zocht naar oplossingen om zorg af te bouwen, dat je mantelzorgers activeerde. Het ging erom dat je je productie draaide en je productiviteit op orde was. Dit denken in termen van producten moeten we zo snel mogelijk verlaten. Het leidt tot hogere zorgkosten, een laag probleemoplossend vermogen en veel bureaucratie.” Einde citaat… Het is dus echt nodig dat de productieprikkels worden verbannen. In de ZVW wordt er voor de functie wijkverpleging niet gewerkt met betalen voor productie. Maar wordt er betaald voor beschikbaarheid. Wijkverpleegkundigen gaan bovendien ook werken met een brede blik. Signaleren, afstemmen en coachen – mensen weer dingen zélf leren te doen of samen met hun mantelzorgers – hoort tot die brede taak.

Op die manier brengen we ook het revaliderend karakter terug in de zorg. Ook andere eerstelijnszorgers kunnen daaraan een bijdrage leveren. Zoals ergotherapeuten.

In de Wmo moeten we ook zoeken naar manieren om meer het resultaat centraal te stellen. Meer te sturen op outcome. In plaats van uurtje-factuurtje. Dat is dan ook de reden waarom ik samen met de VVD een amendement heb ingediend dat een ‘meet- en weetplicht’ introduceert. Daarmee wordt bedoeld: Welke resultaten wil je als gemeente bereiken? Welke resultaten verwacht je van aanbieders? Werken de activiteiten die je inzet? We willen dat die resultaten ook openbaar worden. Op die manier wordt er gestuurd op effectiviteit en kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning naast prijs.

Daarnaast willen we dat gemeenten ook zorgprofessionals die niet in dienst zijn van de gemeente, zoals bijvoorbeeld huisartsen of wijkverpleegkundigen, de bevoegdheid kunnen geven om besluiten over voorzieningen of ondersteuning te nemen. Als je huisarts of je wijkverpleegkundige jouw kent, waarom moet je dan hetzelfde verhaal nog eens tegen een medewerker van de gemeente vertellen? Dan is het wel zo handig als je ondersteuning in een keer geregeld is. Gemeenten moeten dan ook afspraken kunnen maken met professionals om het toekennen van voorzieningen namens de gemeente mogelijk te maken. Om dat mogelijk te maken is een verandering van de wet noodzakelijk. Vandaar ook een amendement op dit punt.

Voorzitter,

Naast regeldruk zie je ook enorme verschillen in overhead van zorgorganisaties. Van enkele procenten tot soms tientallen procenten. Het een is natuurlijk direct het gevolg van het ander. Regeldruk leidt tot overhead en overhead leidt tot regeldruk. Zorggeld moet niet naar onnodige formulieren, stenen, managers, leaseauto’s of enorme reserves op de bank. Zorggeld moet naar zorg. Ook hier laten voorbeelden zien dat het anders kan. Minder overhead en meer zorg. Dat gaat niet vanzelf. Je ziet momenteel nog teveel ‘klassieke’ reflexen. Concentratie, nog meer beheersprotocollen, enz. Ik heb de staatssecretaris al eerder opgeroepen om met de sector afspraken te maken over maximale overheadpercentages. Een ‘overheadnorm’ in de zorg. Wat is nou een redelijk percentage? Welke overhead is bovendien juist de schuld van de overheid? Verassend – misschien trouwens ook niet – pleitte een aantal innovatieve zorgorganisaties zoals Arduin en Opella bij de laatste hoorzitting juist zélf voor een overheadnorm. Inkoopvoorwaarden van gemeenten/verzekeraars/zorgkantoren moeten rekening kunnen houden met zo’n overheadnorm. Graag een reactie hoever de staatssecretaris hiermee is.

Voorzitter,

Het vijfde – en laatste – deel van m’n inbreng bij dit debat gaat over de behoefte aan zekerheid voor mensen en zorgmedewerkers: ‘hoe creëren we houvast en bieden we tegelijkertijd ruimte voor verandering en vernieuwing?’

Er gaat veel veranderen in de langdurige zorg. Dat maakt mensen onzeker. Dat snap ik. De langdurige zorg gaat over mensen die kwetsbaar zijn. Daar verander je het liefst niet teveel voor. Maar te lang is het juist die angst voor onzekerheid die ervoor heeft gezorgd dat we het niet aan durfden om de zorg te veranderen. Terwijl we allemaal wel wisten dat het zo niet verder kon. In de hoop de kosten in de hand te houden gingen we het bestaande stelsel verder aanscherpen. Met strengere indicatiecriteria. Met tariefsmaatregelen. Met budgetplafonds. Dat leidde de afgelopen jaren óók tot onzekerheid. Misschien was dat wel een ergere sluipmoordenaar voor het vertrouwen. Het onttrekt zich aan je gezicht. Maar merkt het wel. Het gevolg is nu een AWBZ-stelsel wat financieel en bureaucratisch piept en kraakt in al z’n voegen. Zelfs een Experiment RegelArme Instellingen mislukt her en der omdat het stelsel zo complex is geworden.

Je ziet dat de patiëntenbeweging, ouderenbonden, zorgaanbieders, gemeenten en zorgverzekeraars de richting van de verandering steunen. Het biedt namelijk ook kansen om eens schoon schip te maken met al die ingesleten patronen in de zorg. Toch heerst er ook onzekerheid. Want hoe komt het eruit te zien? Wat betekent het voor mijn zorg? Wat betekent het voor mijn baan? Die behoefte aan meer houvast heeft de PvdA goed begrepen. Het is ook een van de belangrijke redenen waarom de PvdA, samen met VVD, D66, ChristenUnie en SGP vorige week afspraken heeft gemaakt over meer geld voor de langdurige zorg. Dat akkoord heeft gelukkig tot veel positieve reacties geleid. De VNG omschreef het mooi: ‘de eerste jaren kan er daardoor meer accent worden gelegd op het vernieuwen dan op het bezuinigen.’ Een ‘zachte landing’ is daardoor mogelijk.

We zullen ook eerlijk moeten zijn. De veranderingen gaan ook gepaard met bezuinigingen. Of meer het afremmen van de stijging van de zorgkosten. Over een paar jaar geven we namelijk nog net zoveel uit aan langdurige zorg als nu. Maar het aantal ouderen neemt toe. Mensen zullen meer samen moeten regelen en zelf betalen als dat kan. Toch kun je je ook oprecht afvragen of alles wat nu collectief vergoed wordt ook altijd zo moet blijven. Ik hoorde onlangs de wethouder van Amsterdam, Eric van der Burg spreken op een bijeenkomst met ouderen. Hij zei: ‘Als je kinderen krijgt hang je het hele huis vol met traphekjes, plak je de stopcontacten af om te voorkomen dat je kind van die hippe haartjes krijgt en koop je zelf een kinderwagen. Niemand bedenkt om de rekening daarvan naar de overheid te sturen. Maar als je ouder wordt was het tot voor kort heel gebruikelijk dat je een douchezitje kon krijgen van de gemeente of een rollator van de zorgverzekeraar. Kan je dat ook niet best zelf regelen?’ Het geeft op z’n minst stof tot nadenken. Niemand in de zaal vond dat die wethouder onzin uitkraamde. Hetzelfde geldt ook voor huishoudelijke hulp. Ik heb als wethouder ook gezien dat mensen hun hele leven lang een particuliere hulp hadden. Bijvoorbeeld vanwege een drukke baan of een druk gezin. Maar als ze ouder werden die hulp eruit deden en er een van de gemeente vroegen. Als we nou keuzes moeten maken, is het dan echt zo gek dat we naar dit soort zaken kijken? We zullen er aan moeten wennen dat we meer zelf moeten betalen en regelen. Als dat kan, zeg ik er dan wel bij. Wij staan echter altijd voor een vangnet voor mensen die dat niet kunnen. Daarvoor staan we natuurlijk met z’n allen aan de lat.

Veranderingen hebben ook consequenties voor de werkgelegenheid. Voor de mensen die in de zorg werken. Banen veranderen van inhoud. Er verdwijnen banen. Er komen andere banen bij. Wij vinden het goed dat de staatssecretaris van VWS en de minister van Sociale Zaken in overleg zijn met sociale partners om deze veranderingen zo goed als mogelijk te laten verlopen. Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Een gezonde arbeidsmarkt betekent tegelijkertijd ook dat doorgeslagen flexcontracten moeten worden aangepakt. De PvdA is blij dat het kabinet hier werk van maakt. Alfahulp-constructies moeten tot het verleden gaan behoren. De commissie Kalsbeek is daar ook duidelijk over. De lessen van het Sensire-dossier zijn ook in de wet vertaald. Dat is goed. Een rat-race to the bottom over de rug van uurtarieven van zorgmedewerkers moeten we zien te voorkomen.

Doordat de bezuinigingen op de nieuwe Wmo-taken van gemeenten zijn beperkt kunnen de arbeidsmarktconsequenties daarvoor waarschijnlijk worden vermindert. Dat is goed nieuws. Voor huishoudelijke hulpen ligt dat anders. Op dat budget wordt 40% bezuinigd. Dat is ingrijpend. Dat snap ik, maar je ziet ook dat er op verschillende plekken nagedacht wordt over oplossingen. In Zuid-Limburg creëert zorgorganisatie Meander een particuliere tak. Mensen betalen dan zelf voor thuisdiensten. Hulp bij het schoonmaken van het huis, hulp bij boodschappen doen, maar ook dingen die nu niet onder de publiek gefinancierde thuishulp vallen zoals bijvoorbeeld hulp bij tuinonderhoud. Op deze manier verandert er alleen wíe het betaalt: niet de gemeente, maar mensen zélf. In andere gemeenten wordt er al langer strenger gekeken: wie heeft het nodig en wie kan het anders regelen. Die gemeenten geven aan met het budget van 60% uit te kunnen. Daar vallen dan ook geen ontslagen te verwachten. En er zijn gemeenten zoals Tilburg en Delft die experimenteren met vormen van dienstencheques in de WMO. Dat vind ik ontzettend interessant. Het CAO-loon wordt dan gewoon betaald en de gemeente geeft een toeslag voor het verschil dat mensen zelf kunnen betalen en dat loon. Hoe bevordert de staatssecretaris dit soort oplossingen? Welke rol ziet hij hierbij voor zichzelf? Hoe kan hij bijvoorbeeld samen met de sectorplannen van minister Asscher proberen om de werkgelegenheidseffecten van de zorgveranderingen zo beperkt mogelijk te houden?

Voorzitter,

Er zijn in ons land goede voorbeelden genoeg. Van gemeenten, zorgcoöperaties, zorgaanbieders en cliëntinitiatieven. Er is momenteel een enorme innovatiegolf in de zorg aan de gang. Maar er zijn ook voorbeelden waarbij het niet goed gaat. Van gemeenten die nog niet zo goed weten hoe ze het moeten aanpakken. Van aanbieders die preventief mensen ontslaan. We zien daar in de media maar al te vaak voorbeelden van. Die gemeenten en aanbieders moeten we helpen. Die kunnen wat leren van de goede voorbeelden. Graag een reactie van de staatssecretaris hoe hij gaat helpen? Hoe gaat hij ‘best practices’ verzamelen en delen? Bij wijze van spreken gewoon een handreiking: Welke keuzes kun je maken bij het organiseren van huishoudelijke hulp? Welke keuzes kun je maken bij het inrichten van een sociaal wijkteam? Welke keuzes zijn er voor het organiseren van dagbesteding? Hoe gaat hij er voor zorgen dat ‘best practices’ ook gebruikt worden om te verbeteren? Bovenal gaat het er echter bijna altijd om of mensen op hun handen blijven zitten en afwachten óf aan tafel gaan en samen naar oplossingen zoeken. Dan blijkt vaak ontzettend veel mogelijk.

Er zullen met de zorgveranderingen dingen mis gaan. Maar laten we wel wezen: ook nu gaan er dingen mis in de zorg. Dat is dus geen reden om de zorg niet te vernieuwen. Waar we met al die stelselwijzigingen wel voor moeten waken is dat mensen tussen wal en schip belanden. Of dat wij – de Kamer – weer in onze regelreflex schieten en de boel weer gelijk gaan dichtregelen met Haagse regels. Diezelfde bemoeizucht die tot de ordners vol met protocollen heeft geleid waar we nu juist zo graag vanaf willen. Laten we dan ook ruimte creëren voor gezond verstand. Daar hoort ook het maken van fouten bij. Nogmaals, zoals er ook nu fouten worden gemaakt. De PvdA voelt dan ook meer voor een praktische aanpak als er dingen mis gaan. De NPCF pleitte eerder voor ‘vliegende brigades’. Waar mensen terecht kunnen wanneer ze er echt niet meer uit komen. Dit is belangrijk om te voorkomen dat mensen van het kastje naar de muur gestuurd worden of tussen wal en schip vallen. Zo’n ‘vliegende brigade’ kan bestaan uit verzekeraars, gemeenten, ouderenombudsman, een vertegenwoordiger van cliënten… die klaar staan om problemen op te lossen. Ik heb dat eerder van harte ondersteund. De staatssecretaris heeft dit idee overgenomen. Ze heten nu geloof ik ‘rapid response teams’. Ik hoor graag van hem het hiermee staat. Heeft hij al een idee hoe hij dit gaat organiseren? Hoe wordt er voor gezorgd dat gemeenten en vooral cliënten weten hoe ze ervan gebruik kunnen maken? Zijn ze op tijd inzetbaar?

Houvast en zekerheid bieden aan de ene kant, maar ook ruimte scheppen voor zorgvernieuwing aan de andere kant is lastig. Maar nodig. En mogelijk.

Voorzitter,

Tot slot… de verandering van de zorg is spannend. Dat vind ik ook. Maar we praten er met z’n allen al jaren over dat de zorg anders kan. Loskomen van de doorgeslagen ingewikkeldheid van het huidige systeem. Van de zorg die voor alles en iedereen wordt geregeld vanuit de Haagse torens van het ministerie van volksgezondheid. De zorgveranderingen zijn een uitgelezen kans om de zorg anders in te richten: dichtbij en minder ingewikkeld. Met ruimte voor gezond verstand en zeggenschap. Waarin je niet hemel-en-aarde moet bewegen om een rolstoel te krijgen die bij je past en ook nog eens 39.000 gulden bespaart. Waar je als moeder niet met twaalf verschillende hulpverleners te maken krijgt die langs elkaar heen werken als het even tegen zit. Waar je als thuiszorgmedewerker niet langer met een stopwatch op pad wordt gestuurd.

We zien ook hoe het wél kan. De kleinschalige teams van wijkverpleegkundigen. De sociale wijkteams in wijken en dorpen. Bewonersinitiatieven zoals zorgcoöperaties. Als ik praat met zorgmedewerkers en cliënten zitten die boordevol ideeën hoe het beter kan in de zorg. Laten we die ideeën benutten en de ruimte geven.

Een verbonden samenleving

Eerlijke spelregels zijn nodig. Zodat grote bedrijven netjes belasting betalen, net als de bakker op de hoek. Zodat we uitbuiting van werknemers aanpakken. En zodat we minder schreeuwen en beter naar elkaar luisteren.

Lees ons verkiezingsprogramma