Lezing bij presentatie Rode Canon

Lezing bij presentatie Rode Canon

Door Job Cohen op 22 oktober 2010 Delen  

Na de
presentatie
van de Rode Canon
door de Wiardi Beckman Stichting vanmiddag heb ik een
lezing gehouden over de rijke historie van de sociaaldemocratie. Wat is de rode
geschiedenis waard in de actuele politiek? Spreekt dit de huidige generaties nog
aan? En welke betekenis heeft de geschiedenis voor de partij? De canon
staat online. Klik op lees verder voor
de tekst van mijn lezing.

Toespraak Job Cohen bij presentatie Rode Canon, 22 oktober 2010, Den
Haag. Gesproken woord geldt.

Download
hier de lezing als PDF-bestand >

Het is een mooi moment dat ons vandaag bijeen heeft gebracht – de presentatie
van een rode canon.

En de opkomst laat zien dat het verleden van onze beweging op een grote
belangstelling kan rekenen. Nu de toekomst nog. En over beide punten wil ik
vanmiddag iets zeggen, over een paar kenmerken van het sociaal-democratische
verleden en de inspiratie die aan deze rijke geschiedenis ontleend kan worden om
verder te gaan.

Laat ik beginnen met te zeggen wat me bij het doornemen van de canon opviel.
Dat was vooral dat de sociaal-democratie zich keer op keer krachtig heeft weten
aan te passen aan de veranderende samenleving. Dat ging  – en gaat –  niet
gemakkelijk. Natuurlijk zijn we gehecht aan soms moeizaam verworven inzichten,
natuurlijk zijn we trots op de imponerende resultaten die behaald zijn. Denk aan
de slagzin: ‘Wie bouwt – Wibaut!’ waarbij we ons mogen realiseren dat de
volkswoningbouw zonder de sociaaldemocraten nooit die internationaal vermaarde
kwaliteit zou hebben gehaald. Zo zijn er meer voorbeelden te geven. En daarbij
is het dus goed te bedenken dat niet alleen wij veranderen, maar dat wij ook de
samenleving hebben veranderd.

Dat karakter van onze ideologische en programmatische verandering is
onlosmakelijk verbonden met onze traditie. Vanaf de oorsprong van het socialisme
hebben we ernaar gestreefd ons systematisch rekenschap te geven van de
belangrijkste ontwikkelingen in de samenleving. Elke historische fase stelde
nieuwe eisen. Vandaar dat de socioloog Jacques van Doorn het socialisme eens een
kameleontisch karakter heeft toegedicht. Zeker, de sociaal-democratie moest
telkens weer worden uitgevonden.

Zoals gezegd – dat is geen gemakkelijk proces. En dat is ook te merken aan de
aard van onze omgang met het eigen verleden. Als geen enkele andere partij
hielden en houden we ons intensief met dat verleden bezig: vanaf het monumentale
werk van Willem Vliegen, De Dageraad der Volksbevrijding uit 1905, verspreid
door de ‘brochurenhandel der S.D.A.P.’, tot nu toe, met de rode canon die op
internet beschikbaar wordt.

De manier waarop we ons bezighouden met de geschiedenis van partij en
beweging is overigens niet zelden kritisch van toon. Dat wijst er op dat die
omgang met het verleden voor ons geen onverplichte onderdompeling in nostalgie
is, hoe prettig dat bij vlagen ook is, maar een voortgezette oefening in
verantwoording voor de gemaakte keuzen. En daarmee is het een onmisbaar element
in de permanente ontwikkeling van de sociaal-democratie. We moeten voort, maar
daarbij kunnen we niet zonder een blik op de afgelegde weg: wie vooruit wil kan
niet zonder achteruitkijkspiegel.

Tot nu toe heb ik de nadruk gelegd op het onvermijdelijke en noodzakelijke
karakter van de aanhoudende verandering van de sociaaldemocratische opvattingen,
op de historische reflectie op die veranderingen als onmisbaar element daarbij.
Maar daarmee kunnen we niet volstaan. “In het verleden behaalde resultaten geven
geen garantie voor de toekomst.” Banken kunnen dat zeggen: wij niet. Want het is
onze opdracht ook in de toekomst resultaten te behalen. En dan bedoel ik dat
niet simpel in de zin van electorale successen, hoewel die welkom zijn, maar
vooral dat we bij het terugzien op een aantal mijlpalen ons realiseren dat daar
de opdracht aan is verbonden om ook zorg te dragen voor mijlpalen in de
toekomst.

De vraag is dan hoe dat verleden ons kan inspireren, richting kan geven aan
nieuwe ambities. Daarbij is het van essentieel belang dat we ons realiseren dat
er, ondanks alle veranderingen, een harde kern zit in de sociaaldemocratie, die
we dienen vast te houden. Dit is niet de plaats om daar al te uitvoerig over te
zijn. Maar een enkel essentieel punt wil ik hier graag naar voren brengen.

Onze beweging is ooit, ruim anderhalve eeuw geleden, begonnen als een
politiek antwoord op een economisch probleem, namelijk de maatschappelijke
verstoring die door de opkomst van het industrieel kapitalisme werd veroorzaakt.
Daarmee kwam immers een geweldige dynamiek op gang, die op de zeer lange termijn
gezien een aantal grote verworvenheden heeft opgeleverd.

Maar die dynamiek bracht niet alleen veel moois, maar ook grote onzekerheden.
Friedrich Engels heeft die in schrille kleuren geschilderd in zijn bekende boek
over De toestand der arbeidersklasse in Engeland (1845). De kern van de ellende
was niet zozeer de armoede, daar waren – om het cynisch te zeggen – de arbeiders
wel aan gewend. Maar het ging hem om het nieuwe verschijnsel van de onzekerheid
[‘die Unsicherheit des Lebensstellung’]. De willekeur van een werkgever, de
introductie van een nieuwe machine, een verre oorlog: alles kon het bestaan
plotseling overhoop gooien.

Dat verschijnsel was ook in Nederland op te merken. Het is vooral Thorbecke
geweest die daar op heeft gewezen. In zijn rede Over het hedendaagsche
Staatsburgerschap (1842) analyseerde Thorbecke twee, onderling tegenstrijdige,
ontwikkelingen. Aan de ene kant was er een groei in politieke gelijkheid. Na de
Franse Revolutie was er sprake van een onvermijdelijke toename van democratische
verhoudingen. Maar tegelijkertijd zag hij op economisch terrein een ontwikkeling
die daar tegenin ging. Het kapitalisme bracht immers juist een steeds groter
ongelijkheid tot stand. En hij vatte dit samen: ‘Eene hand steeds bezig af
te breken hetgeen de andere oprigt.’ Maar een oplossing gaf hij niet; enigszins
machteloos besloot hij zijn betoog met de verzuchting: ‘Wie vindt den toon,
waarin deze dissonant zich oplost?’

Het is de historische verdienste van de sociaaldemocratie daarop een antwoord
te hebben geformuleerd. En ik vat het simpel samen: dat antwoord lag vooral in
de voortgezette poging voor het leeuwendeel van de bevolking meer
bestaanszekerheid te organiseren. Vanaf het begin van zijn parlementaire arbeid
wees Troelstra bijvoorbeeld op de ellende van de onzekerheid van het bestaan,
door het voortdurend dreigende spook van de werkloosheid. Het was zijn
interpellatie in 1907, die zou leiden tot het instellen van een staatscommissie
die een begin van een werkloosheidsbeleid zou formuleren.

Maar de onmacht van het gevoerde werkloosheidsbeleid bleek wel bijzonder
duidelijk toen het er op aankwam, in de crisisjaren. Pappen en nathouden,
wachten op betere tijden – dat leek het onmachtige parool. Hier namen de SDAP en
het NVV het bijzondere initiatief om een commissie van zwaargewichten in te
stellen die in 1935 met Het Plan van de arbeid kwam. De opening van dit rapport
was even simpel als direct:
‘Het Plan van de Arbeid houdt in: een economisch diepgaande hervorming, met
het doel om […]aan het Nederlandsche volk te verschaffen:Bestaanszekerheid bij
een behoorlijk levenspeil.’

De wereldwijde crisis had duidelijk gemaakt dat een dergelijke
bestaanszekerheid alleen dichterbij te brengen viel door een sterk en planmatig
ingrijpen van de staat – de markt had de ellende niet alleen voortgebracht, maar
vooral: bleek niet bij machte op eigen kracht een herstel tot stand te brengen.
Laten we niet vergeten dat wij in onze gelederen onze eigen Keynes hadden,
namelijk Jan Tinbergen, die in 1969 als eerste de Nobelprijs voor de economie
kreeg toegekend.

En in het licht van onze huidige financiële en monetaire problemen is het
interessant om te wijzen op één van de belangrijkste aanbevelingen in het Plan
van de Arbeid, namelijk het beheersen van de kredietverlening. De
‘niet-verantwoorde credietverstrekking’ [Plan van de Arbeid, pagina 11] moest
immers worden aangewezen als een bron van de ellende. Het geeft een schok van
herkenning, als we ons daarbij even het begin van de kredietcrisis voor ogen
halen.

Terug naar het Plan van de Arbeid. Natuurlijk, in die periode verwachtte de
sociaal-democratie veel, teveel kunnen we achteraf vaststellen, van een ordening
van het bedrijfsleven. Desondanks was dit Plan van de Arbeid van een bijzondere
betekenis: voor het eerst werd nu geformuleerd dat het een essentiële taak van
de overheid was om bestaanszekerheid te bieden aan de bevolking en dat te
realiseren door de conjunctuur te beheersen en economische crises naar vermogen
te voorkomen.

Dit Plan vond onmiddellijk na publicatie weinig gehoor. Maar we kunnen ook
vaststellen dat de kern van het Plan na de oorlog een algemeen aanvaard
uitgangspunt is geworden. Het is de basis geweest van een zeer succesvol
herstel- en vernieuwingsbeleid en daarmee voor de wonderbaarlijk snelle groei
van economie in de jaren vijftig en zestig, die wel bekend zijn geworden als ‘de
gouden jaren’.

De Partij van de Arbeid zou de traditie voortzetten. In 1951 verscheen het
rapport De weg naar de vrijheid, als een actualisering van het Plan van de
Arbeid. Het was breder van opzet, gevarieerder in inhoud – maar in de kern was
het de herbevestiging van de oude uitgangspunten. Het rapport houdt vast aan de
gedachte dat ‘bestaanszekerheid’ op zichzelf van belang is, maar zelfs de
voorwaarde is voor een behoud van de democratie. Een klein citaat om dat
duidelijk te maken:

‘Een ernstige belemmering voor de ontplooiing van de mens is de
onvoldoende bestaanszekerheid. Het optreden tegen oorzaken van crisis en
massawerkloosheid verkeert nog in een eerste stadium. Het
democratisch-socialisme moet het vooral als haar taak zien het
conjunctuurprobleem tot een oplossing te brengen, daar de crisis de democratie
zelve in levensgevaar brengt. Volledige werkgelegenheid moet worden
nagestreefd.’
[De weg naar vrijheid, pagina 11]

Het geluk kon een politieke partij niet brengen, maar wél – en ik citeer
opnieuw – ‘de voorwaarden en de mogelijkheden voor een rijker menselijke
ontplooiing en een hechter gemeenschapsverband’.

En deze harde kern van de sociaaldemocratie werd vervolgens nog eens
vastgelegd in het rapport Schuivende Panelen uit 1987. In het eerste hoofdstuk
van dat rapport wordt met nadruk naar voren gebracht dat de missie van de partij
nog steeds dezelfde is als in het Plan van de Arbeid, namelijk
‘bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil voor iedereen’. En natuurlijk,
bestaanszekerheid betekende niet meer hetzelfde als in de crisisjaren:

‘ “Bestaanszekerheid” is niet langer meer een kwestie van sociale zekerheid
alleen, maar ook van veiligheid en van zekerheid voor toekomstige generaties.
Een “behoorlijk levenspeil” is niet slechts een kwestie meer van groeiende
welvaart, maar ook van groter kwaliteit daarvan en van veel bredere spreiding
dan tot de eigen landgenoten of zelfs die van West-Europa. “Iedereen” betekent
niet langer meer alleen mannen maar ook vrouwen, in dezelfde mate.’

[Schuivende Panelen, pagina 16]

Op de basis van de oude formule werd hier gewezen op duurzaamheid, de
kwaliteit van publieke voorzieningen, de ontwikkelingssamenwerking en de
emancipatie van vrouwen, de versterking van de cultuur – kortom: op het belang
van de beschaving.

En die harde kern houden we vast. Het is immers niet alleen economisch
kortzichtig en politiek onverstandig, maar zelfs moreel onverdraaglijk om de
bestaanszekerheid van mensen slechts te zien als afgeleide van economische
processen. Tony Judt heeft daar in zijn even heldere als ontroerende testament
onlangs nog eens indringend op gewezen. Als gevolg van het neoliberalisme is er
een manier van denken dominant geworden waarin centraal stond dat de economie zo
min mogelijk hindernissen mocht ondervinden. De samenleving bestond niet,
volgens Thatcher; de overheid was, in de woorden van Reagan, geen oplossing maar
een probleem; mensen waren daarmee in feite overgeleverd aan de markt.

De sociaal-democratie heeft aan dat neoliberalisme te weinig weerwerk
geboden. Met name in de Derde Weg heeft een te groot vertrouwen geheerst over de
mogelijkheid om de tegenstelling tussen markt en politiek op te heffen en is te
veel meegegaan met de verkleining van het publieke domein. Juist gezien de
enorme dynamiek van de economie is een sterke en zelfstandige positie van de
politiek noodzakelijk.

Het zijn niet alleen de nieuwe tijden, die nieuwe vormen van
bestaanszekerheid vergen, ook de oude vormen blijken nog steeds onmisbaar. We
heten niet voor niets Partij van de Arbeid.

Arbeid, werk, is nog steeds een uiterst essentieel terrein, het structureert
onze samenleving op tal van manieren, zowel ideëel als materieel, zowel
sociaal-politiek als cultureel. Dat geldt zeker ook voor onze tijd, waarin
toegenomen individualisering, secularisering en globalisering andere
structurerende verbanden heeft verzwakt. Soms lijken we dat te vergeten, maar
het zijn de moeilijke tijden waarin dat weer onverbiddelijk duidelijk wordt.
Denk in dit verband aan de jaren tachtig van de vorige eeuw, waarin Wim Kok met
een Akkoord van Wassenaar de basis legde voor een economische én
maatschappelijke ontwikkeling die internationaal bekend kwam te staan als the
Dutch Miracle. Na de millenniumwisseling zijn we dit weer even vergeten en
dachten dat de bomen vanzelf bleven doorgroeien tot in de hemel en dat iedereen
bijna vanzelf een gelukkige zzp’er zou worden – maar die illusie is, zo mag ik
aannemen, nu toch wel verdampt.

Bismarck heeft de socialisten eens weggezet als Vaterlandslose Gesellen. Dat
is op z’n minst interessant, wanneer je je realiseert dat we nu leven in tijden
waarin dat een treffende benaming lijkt voor de beheerders van hedgefunds en
zwerfkapitaal. De krachtlijnen in de wereld zijn verlegd en daar hebben we
allemaal mee te maken. En zoals Kok met dat  Accoord over zijn eigen schaduw
sprong, zo zullen we nu opnieuw wegen moeten vinden  om de bestaanszekerheid
weer terug te brengen.

En dat niet alleen voor mensen die werkloos zijn of hun werk dreigen te
verliezen. Grote groepen op de arbeidsmarkt zijn kwetsbaar, maar daarnaast is
voor nog grotere groepen de kwaliteit van de arbeid ondermaats.

Een deel van deze problemen zijn in beeld gebracht door de publikatie Om de
plaats van de arbeid van de WBS (2008). Daaruit blijkt dat er weliswaar een
nieuwe flexibiliteit in de sociaal-economische structuur is gekomen die in het
algemeen gunstig was, maar dat dit ook onzekerheid met zich heeft meegevoerd. En
voor veel mensen is het ontbreken van een vertrouwenwekkend toekomstperspectief
uiterst onaangenaam. Niet alleen zijn ze bezorgd over eigen baan en inkomen,
maar ook over die van hun kinderen. Een dergelijk vrees speelt zeker ook een rol
in het huidige politieke klimaat. Ik wijs hier kortheidshalve op de interessante
studie van Benjamin Friedman, The Moral Consequences of Economic Growth (2005),
waarin dit met tal van historische gegevens nader is uitgewerkt. Wij zullen
moeten zoeken naar een nieuwe, collectieve zekerheid en dan bij voorkeur niet in
de vorm van een nieuwe bureaucratische laag, een ingewikkelde subsidieregeling
of een telefonisch moeilijk bereikbare helpdesk. Niet nog meer rugzakjes, maar
het borgen van een grotere bestaanszekerheid door wat Ton Wilthagen genoemd
heeft ‘een zichtbare hand’ [A.C.J.M. Wilthagen, Flexicurity Pathways: Turning
Hurdles into Stepping-Stones. Expert Report for European Commission. Tilburg
2007]. Het is hier niet de plaats om dat hier verder uit te werken, maar dat
staat op onze agenda.

Bij de presentatie van de ‘rode canon’ wil ik tot slot nog één observatie
naar voren brengen. Bij het lezen ervan viel het me opnieuw de betekenis op van
de sociaaldemocratie op lokaal niveau. Want juist de sociaaldemocratie kan niet
uitsluitend worden afgemeten aan wat er op landelijk niveau gebeurt. De
ruggengraat van de sociaal-democratie is lange tijd toch vooral het
‘wethouderssocialisme’ geweest. Dat is een traditie die niet verloren mag gaan,
sterker nog, juist op de momenten dat we buiten het kabinet staan, moeten we op
lokaal niveau laten zien waar we voor staan.

Zoals bekend heeft Wibaut, de grote wethouder van Amsterdam, in dat
wethouderssocialisme een pioniersfunctie vervuld. Hij heeft maximaal gebruik
gemaakt van de beleidsvrijheid die de gemeente had. Het is zinvol nog eens langs
de lijnen van dat verleden na te gaan wat die traditie voor het heden kan
betekenen.

En dan denk ik aan het volgende. Er wordt veel gesproken over globalisering –
dat is overigens voor socialisten geen nieuw verschijnsel: Marx heeft daar in
het Communistisch Manifest [1848] al op gewezen. De kracht van die globalisering
mag niet onderschat worden. Maar we weten intussen ook dat we niet alles maar
mooi moeten vinden en op voorhand mee moeten gaan in wat Paul van der Heijden
eens ‘de westenwind’ heeft genoemd [P.F. van der Heijden: Westenwind: van
werknemersinvloed naar aandeelhoudersmacht. 2004]. En in dat verband kunnen de
gemeenten een rol van betekenis spelen. Saskia Sassen heeft laten zien dat het
de steden zijn waarin het mondiale bedrijfskapitaal zich concentreert, terwijl
in diezelfde steden armoede en verval zich manifesteren. [25ste Jaarboek
Democratisch Socialisme, 2004]. Het tegengaan van die kloof is een enorme opgave
voor de gemeenten. Dat zullen wij ook in de komende jaren gaan merken. Het
kabinet-Rutte legt een zware druk op de gemeenten, en het is mede aan onze
wethouders om in die omstandigheden te zoeken naar mogelijkheden om, en ik zeg
het opnieuw, bestaanszekerheid voor een ieder op een behoorlijk niveau  te
helpen realiseren. En dan bestaanszekerheid in brede betekenis: niet alleen op
sociaal-economisch terrein, maar ook in cultureel en sociaal opzicht. Want de
toegenomen vervreemding in onze maatschappij en de daarmee samenhangende
gevoelens van onveiligheid  zijn in onze tijd eveneens aspecten die samenhangen
met bestaanszekerheid. De kwaliteit van de gemeente, de publieke sector op het
niveau van de gemeente zal daarbij een essentiële factor zijn; haar ambtenaren
staan daarbij in de frontlinie.

En ja, personeelsbeleid was een tweede hoofdlijn in het beleid van Wibaut.
Hij vond dat de overheid gehouden is op dit terrein een voorbeeldfunctie te
vervullen. Het ziet er niet naar uit dat het huidige kabinet dit inzicht volgt.
De omvang van het overheidspersoneel – ook al kan die in tijden van bezuiniging
zeker niet buiten schot blijven – lijkt wel een sluitpost op de begroting:
minder overheid en dus minder overheidspersoneel als doel op zichzelf. Dat is
niet alleen kortzichtig, het is een actieve bijdrage aan de verdergaande
corrosie van de publieke ruimte, het tast het gemeenschapsgevoel nog verder aan.

Het gaat hier over de mensen in het onderwijs, de jeugdzorg, het openbaar
vervoer, de politie en in andere diensten van de verzorgingsstaat. We stellen
hoge eisen aan hun inzet en motivatie – daar moet wat tegenover staan. Teveel
staat daar echter tegenover dat hun motivatie, hun beroepstrots wordt
ondergraven door juist niet een beroep te doen op het beoordelingsvermogen van
de professional, maar door soms tot in het absurde verantwoordingseisen te
formuleren – waardoor de frontlinie een groot deel van de dag een computerscherm
blijkt te zijn – en een wildgroei aan managers. En niets ten nadele van goede
managers, maar er zijn teveel verhalen over een wanverhouding tussen prestaties
en honorering. [Johann Hari, ‘The Management consultancy scam’ in The
Independent 20-8-2010 naar aanleiding van onderzoek van de Cranfield School of
Management].

Een zorgvuldige omgang met dit personeel is niet alleen een teken van
beschaving, het is ook een krachtige poging om langs die weg bij te dragen aan
een versterkte gemeenschapsvorming. Juist als alles, naar een uitdrukking van
Marx, ‘vloeibaar’ lijkt te zijn geworden, moet de overheid structuur en kracht
bieden. Dan is meer waardering voor het personeel dat in dienst is van de
gemeenschap, van ons allemaal dus, een onafwijsbare plicht.

Tot slot. Ik heb U deelgenoot proberen te maken van een aantal overwegingen
die bij mij opkwamen bij het lezen van de rode canon. U zult gemerkt hebben dat
ik trots was op dat verleden, met haar prestaties,, met haar fouten. Aan de
zoete verleiding van de nostalgie heb ik niet willen toegeven, vooral omdat dit
in mijn huidige positie tekort zou doen aan de opgaven waar we nu voor staan. We
beleven moeilijke tijden en we zullen, geïnspireerd door het verleden, nieuwe
ankerpunten moeten vinden. Dat die geïnspireerd zullen zijn op een begrip als
bestaanszekerheid  en op een krachtige publieke sector zal niet verbazen. Het
zal niet eenvoudig zijn, ook wij hebben rekening te houden met omvangrijke
bezuinigingen en voorlopig een schamele economische groei. Maar misschien is
dat, tenslotte, wel de belangrijkste les die uit het sociaaldemocratische
verleden is te putten: juist in moeilijke tijden hebben we laten zien dat er
creatieve oplossingen te vinden zijn. Kortom: aan den arbeid!

Delen: