Lezing bij uitreiking Ab Harrewijn prijs

Lezing bij uitreiking Ab Harrewijn prijs

Door Roos Vermeij op 7 april 2010 Delen  

De Ab Harrewijnprijs wordt
sinds 2003 ieder jaar op 13 mei uitgereikt aan een persoon of groep die zich
heeft ingezet voor de onderkant van de samenleving. Dit keer kreeg ik de eer om
hierbij de jaarlijkse rede uit te spreken. Lees hieronder de de tekst van de
lezing, waarin ik kort mijn gedachten over democratie, de rol van de overheid en
over een beter passende sociale zekerheid uiteenzet.

‘Weet u, sommige cliché’s zijn waar. En het is waar dat ik enorm blij was,
maar ook enigszins verrast dat mij werd gevraagd de Ab Harrewijnrede uit te
spreken vandaag.

Waarom vraagt u zich af? Ik ben van een generatie die Ab Harrewijn niet heeft
gekend. Maar ik herinner mij nog goed het verdriet bij zijn overlijden van onder
andere Kees Vendrik en Femke Halsema in die roerige lentemaanden van 2002. In
2002 verliet ik als politiek adviseur Den Haag, geschrokken door het politieke
klimaat waarbij permanente beveiliging leek te horen. Wij beiden maakten ons
toen enorme zorgen, zonder dat van elkaar te weten. Ook nu had hij zich, dat kan
niet anders, zorgen gemaakt om het ruwe politieke klimaat.

Jaren later, inmiddels kamerlid, sprak ik bij de behandeling van de wijziging
van SUWI met mijn medewerkers over cliëntenparticipatie. Zij wezen mij erop dat
ik wel even contact moest opnemen met vroegere collega’s van Ab. Met zo’n blik:
dat begrijp je toch wel. Als historicus ben ik enorm gevoelig voor
nalatenschappen en zo kwam de motie met Ineke van Gent tot stand. Ik ga u daar
later nog over vertellen, omdat zij duidelijk maakt met welk mensbeeld en welke
maatschappijvisie je in de politiek kunt staan.

Veel mensen vinden cliëntenparticipatie niet erg sexy en zij hebben daar
gelijk in. En ik zeg u dit: armoedig is het land dat alleen nog maar sexy
onderwerpen wil behandelen, dat alleen nog maar ruimte heeft voor twitters om
een politieke boodschap te brengen. Armoedig is het land waarin mensen zich niet
wensen te verdiepen in of kritiek hebben op de hybride publieke bouwwerken wij
hebben gebouwd. Vaak ook nog half af en vaak op plekken waarvan je denkt waarom
hier? Dat het leven niet te vangen valt in one-liners ondervindt u iedere dag.
Dat de werkelijkheid nog veel weerbarstiger is, ook.

Graag wil ik met u stilstaan waarom het onderwerp cliëntenparticipatie
namelijk met twee fundamentele discussies te maken heeft in de politiek van
vandaag.

In de eerste plaats gaat de discussie over cliëntenparticipatie òòk over de
discussie over de vormgeving van onze rechtstaat, de invulling van democratie en
de opvatting die wij hebben over de overheid. De vragen die ik mij iedere dag
probeer te stellen is, hebben wij een overheid die tegenover mensen gaat staan,
of naast mensen? En wat kan ik doen om dat te veranderen? Ik kom daar op terug.

In de tweede plaats gaat uw werk ook over de wijze waarop wij in dit land
uitvoering geven aan de sociale zekerheid. Een sociale zekerheid die in mijn
ogen moet bijdragen aan de onderlinge betrokkenheid in een samenleving. Niet
“ieder voor zich”, maar “oog voor elkaar”. Velen van u leveren daar dagelijks
een bijdrage aan. En die onderlinge betrokkenheid moet bij uitstek tot
uitdrukking komen en in de wijze waarom wij omgaan met mensen die voor kortere
en langere tijd niet meekomen en aan de kant staan. Daarom in het kort mijn
gedachten over democratie, de rol van de overheid en over een beter passende
sociale zekerheid.

Democratie
“Onze democratie wordt op de proef gesteld door weglekkende
verantwoordelijkheden, een te bedrijfsmatige organisatie van de overheid en een
vergaande verzakelijking van de relatie tussen overheid en burger. Burgers zijn
klanten geworden. Onze taak is om de democratie te herstellen als een krachtig
bindmiddel voor groepen en individuen in de samenleving – juist omdat ieder
individu uitgedaagd wordt om samen met anderen aan gemeenschappelijke doelen te
werken – en meningsverschillen vreedzaam te beslechten.”

Dit citaat komt van Job Cohen uit zijn Van der Wielenlezing die hij onlangs
in Leeuwarden uitsprak. En laat ik helder zijn, dit is ook kritiek op ons zelf,
op het functioneren van de politiek. Wij zijn het immers geweest die alle
beleidswijzigingen en wetten hebben behandeld en goedgekeurd. Die alle ZBO’s in
dit land hebben opgericht en uitgebouwd. Die al het toezicht “op afstand” hebben
geregeld of helemaal niet.  En ook wij, de politiek, zijn aan de dezelfde
tendensen en modegrillen overgeleverd. In plaats van onze verantwoordelijkheden
serieus te nemen, laten we ons leiden door spoeddebatten.

En hebben we honderd journalisten in en om ons Kamergebouw die alleen nog
maar geïnteresseerd zijn als er ruzie is. Over de politiek en de media.
Twee voorbeelden moeten mij van het hart: in het najaar van 2008 behandelden wij
de belangrijk wijziging van SUWI wetgeving in verband met de invoering van LWI’s
en het Werkbedrijf. Er is toen in geen enkele krant verslag gedaan van dat debat
waarbij toch wéér een grote operatie in de sociale zekerheid werd uitgevoerd.
Daarnaast heeft het kabinet afgelopen najaar een belangrijk besluit genomen met
grote gevolgen voor iedereen in dit land: de verhoging van de AOW-leeftijd naar
67. Wij weten dat op het ministerie van minister SZW honderden brieven en mails
terecht zijn gekomen met alternatieve plannen en ideeën. En de vraag die ik mij
als volksvertegenwoordiger stel: hoe kunnen wij recht doen aan de bereidheid van
zoveel mensen om echt mee te denken? Hoe doen wij recht aan de zorgen van mensen
over onze instituties over het functioneren van de overheid waarbij hoop aan de
ene kant en wantrouwen aan de andere kant, de boventoon voeren? Iedereen wil dat
het goed gaat, dat het stelsel goed functioneert, betrokken, duidelijk. Maar men
vreest, wantrouwt de overheid enorm, vaak gestaafd door kafka-eske ervaringen.

In ons land hebben we een lange traditie van het organiseren van
tegenmachten. Dat is geen verworvenheid uit de jaren zestig en zeventig, maar
zit al veel dieper in onze genen. Zelf heb ik ooit studie gemaakt naar het
gevraagde en ongevraagde advies die vrouwenorganisaties in de na-oorlogse jaren
aan de regering gaven. Interessant omdat in die tijd werd betoogd dat de stem
van de vrouw besluiten beter zou maken, maar ook zou bijdragen aan het gevoel
van eigenwaarde.  Tegenspraak maakt besluiten beter en voorkomt onnodige
tegenstellingen. We zijn, onder het juk van de managerscultuur, onder het mom
van professionalisering die waardevolle traditie wel wat uit het oog verloren.
En mijn eerste pleidooi betreft dan ook een herwaardering van de georganiseerde
tegenspraak. Als ik het aardiger wil zeggen: het belang van medezeggenschap
nieuwe stijl is groter en actueler dan ooit. Dat geldt evenzeer voor werknemers,
werkzoekenden en voor hen die voor kortere of langere tijd aangewezen zijn op
een uitkering. Voor bedrijven, klein en groot, voor publieke organisaties en op
die plekken waar men invloed kan uitoefenen op het beleid en de uitvoering van
de dienstverlening van de sociale zekerheid. Sinds een jaar of twee zijn dat nu
de werkpleinen.

Het is wel lastiger geworden, individualisering maakt dat mensen zich minder
makkelijk vertegenwoordigd voelen. Maar dat is niet onmogelijk en het is nodig. 
En gek genoeg zijn er veel bedrijven waar wij in de publieke sector een hoop van
kunnen leren. Een echte dialoog met het management in plaats van alleen maar
klagen achteraf, een sterke vertegenwoordiging in de Raad van Commissarissen,
betrokkenheid van werknemers bij de organisatie van het arbeidsproces. De kennis
en kunde van mensen is groot. We hebben iedereen nodig om bedrijven,
organisaties en ook de sociale zekerheid beter te laten functioneren.

Maar net zoals wij volksvertegenwoordigers een uitdaging hebben onze
representativiteit opnieuw uit te vinden, zo zal ook de cliëntenparticipatie
zichzelf moeten blijven vernieuwen. Ik ben er hoopvol over. Geef brede adviezen
over de dienstverlening.  Zet lokaal goede voorbeelden tegenover slechte. Zoek
verbindingen met andere organisaties die zich bezighouden met de rechten van
mensen zoals de vakbeweging. Steun met veel lawaai die werkpleinen waar
medewerkers, of zij nu van de gemeente of het UWV zijn, gewoon de kwesties mogen
oplossen. Ongeacht of men bij het goede loket staat.

Cliëntenraden die brede samenwerking zoeken op lokaal niveau hebben de
toekomst. Daar ligt echt nog veel werk en ik zie hier ook een steeds grotere rol
voor de vakbeweging, FNV Lokaal doet goed werk.  En ik zeg u daarbij, niet in
vrijblijvendheid. Daar was ook de handreiking voor bedoeld die op verzoek van de
Tweede Kamer is gemaakt door de RWI. En de daarin beschreven “basisvariant” moet
dan ook gewoon lokaal op het niveau van werkpleinen uitvoering krijgen. Dat is
nog een hele weg te gaan. Lukt het niet, dan hebben wij alsnog het recht van
initiatief. En dat geen dreigement, maar enthousiasme over een nieuwe rol die
waardevol kan en moet zijn.

2. Onderlinge betrokkenheid
Ik kom op de sociale zekerheid.

Het is ontegenzeggelijk waar dat de sociale zekerheid de afgelopen decennia
grote stelselwijzigingen heeft ondergaan. Velen van u hebben dat van dichtbij
meegemaakt. Dertig jaar geleden was de sociale zekerheid een
verantwoordelijkheid van vakbonden, werkgeversorganisaties en de overheid.
Waarbij de eerste twee nog goeddeels de verantwoordelijkheid hadden over de
uitvoering. Nu ligt de uitvoering van de sociale zekerheid geheel bij de
overheid. Al is de Ziektewet gedeeltelijk geprivatiseerd met een grote
verantwoordelijkheid voor individuele werkgevers. Bij arbeidsvoorziening hebben
we weer een andere beweging gezien: van een louter overheidsbemoeienis zie je nu
een verantwoordelijkheid van rijk/UWV en gemeenten aan de ene kant en
commerciële re-integratieburo’s aan de andere kant.
Daarachter gaat een andere ontwikkeling schuil: van een sociaal
zekerheidsstelsel dat gericht was op inkomenszekerheid, zijn we gegroeid naar
een stelsel dat naast inkomenszekerheid ook gericht is op participatie. Daar is
niets mis mee. Kijken naar wat mensen wèl kunnen, kansen bieden, mogelijkheden
scheppen om mee te doen op de arbeidsmarkt. Werkgevers die mensen een kans
willen geven, collega’s op de werkvloer die volwaardig samen werken. Maar dan
moeten regels en structuren niet teveel in de weg staan om precies te kijken
naar wat mensen kunnen. En ons stelsel is wat dat betreft nog wel een
lappendeken waar het moeilijk is de weg te vinden. Als je dat wilt, zul je toch
eerst de kleine gids voor de sociale zekerheid uit je hoofd moeten leren.

Beste aanwezigen, het worden spannende tijden. Laat mij hier zeggen dat ik
pleitbezorger ben van een heldere verantwoordelijkheidsverdeling in regelingen
op het terrein van werk en inkomen tussen burgers, sociale partners en de
overheid. Dat het niet overal even helder is, een moeras wordt het wel genoemd,
leidt tot een woud aan regels en een hoop mist. Arbeidsgehandicapten maken vaak
gebruik van veel verschillende regelingen: WAJONG, WSW, AWBZ, WMO om mee te
kunnen doen. Zijn we niet in staat om deze regelingen en de daarbij behorende
indicatie-instellingen de komende tijd te stroomlijnen? Zijn we niet in staat om
ons te verplaatsen in de positie van een willekeurige man, vrouw in de WAJONG en
van daaruit te komen tot meer duidelijkheid? Eén indicatieorgaan dus, met een
belangrijke rol voor UWV als beste keuringsinstituut voor de overheid.

De overheid speelt een belangrijke rol, maar ook werkgevers en werknemers
zullen meer verantwoordelijkheid moeten krijgen en nemen. We hebben er geen
geheim van gemaakt dat de gemeenten verantwoordelijkheid zouden moeten krijgen
voor de ondersteuning van jonggehandicapten in werk en inkomen.

En dat een onnodig beroep op WW voorkomen kan worden door adequaat
preventiebeleid van werkgevers en werknemers. Is er genoeg in je geïnvesteerd en
heb je, aan de andere kant ook de kansen gepakt? Sociale partners die samen
zorgdragen voor een hogere inzetbaarheid en zo kansen vergroten van mensen. We
zien kortom vele voordelen in zeggenschap van werkgevers en werknemers in
preventie van werkloosheid en re-integratie. Werkgevers moeten zich verplichten
tot het aan het werk krijgen en houden van zoveel mogelijk mensen, in het
bijzonder oudere en kwetsbare werknemers. Ik roep de vakbeweging op om met
werkgevers en de overheid een nieuw Sociaal Akkoord te sluiten. Voor de
stabiliteit in Nederland en ook voor een sterke sociale zekerheid hebben we de
vakbeweging – en het draagvlak – heel hard nodig.

Maar dan moeten we met elkaar nog wel een paar muren slechten. Wat we kunnen
als overheid is om op een slimme manier werk lonend maken en risico’s voor
werkgevers weg te nemen, zeker voor mensen die een wat lastigere positie op de
arbeidsmarkt hebben.

We hebben een verhaal nodig waarin we het samen moeten doen, er is enorme
behoefte aan verbanden en er is gemeenschapszin. We moeten extra zorg hebben
voor mensen die langer aan de kant staan, of net de boot missen.

De recessie laat juist nu pijnlijk de tweedeling op de arbeidsmarkt zien.
Mensen met een tijdelijk contract, uitzendcontract, nulurencontract of de
zzp-ers worden het eerst ontslagen of de wacht aan gezegd. Het toenemend aantal
zzp-ers, al dan niet gedwongen, vertekent ook nog het beeld van de werkloosheid:
zij registeren zich niet als werkloze, maar zingen het uit met een kleinere
portefeuille of lagere tarieven.

Ik vind die tweedeling om twee redenen onwenselijk: het zijn vaak niet de
mensen met de beste arbeidsmarktpositie die in onzekere banen werken:
laagopgeleiden, herintreedsters, nieuwe Nederlanders, jongeren en ouderen. Zij
dragen de behoefte aan flexibiliteit op de arbeidsmarkt door een verlies aan
zekerheid. Voor hen is er vaak geen ww als ze zonder baan komen te zitten, ze
hebben te maken met pensioengaten, en na ontslag is er geen scholing voor hen.
Daarom ben ik een groot voorstander van echte banen bij een echte baas. Na
school en studie, moet je léren werken en dat duurt een tijd en is niet
makkelijk. Ik gun dat iedereen, ook degenen met wat achterstand, met wat pech.

Beste aanwezigen, ik dwaal af. Dat heb je met politici. Ik hoop enigszins
gesproken te hebben in de geest van Ab Harrewijn. En ik hoop dat jullie allen
weten dat jullie betrokkenheid ertoe doet, belangrijk is. En tot slot hoop ik
dat wij, politiek en overheid, uw aller geluid blijft horen en ondersteunen.
Zodat we met elkaar blijven werken aan een sociale en solidaire samenleving.

Ik dank u voor uw aandacht.’

Delen: