‘Je komt er niet alleen met kletsen’

‘Je komt er niet alleen met kletsen’

Door De Redactie op 6 mei 2010 Delen  

In een gesprek met de Volkskrant vertelt Ahmed Marcouch over zijn politieke
carrière, zijn persoonlijke ervaringen en zijn ambities. In het interview laat
Marcouch zijn stijl zien: goed taxeren en dan ingrijpen. Niet impulsief maar wel
snel. Als stadsdeelvoorzitter van Slotervaart benoemde hij de problemen en pakte
ze aan. Soms door discussie en overleg, soms door hard op te treden. Nu neemt
hij die ervaringen en stijl mee naar Den Haag. Lees hieronder het interview
zoals het verscheen in de Volkskrant van 6 mei.

Wat trof u als stadsdeelvoorzitter aan in Slotervaart?

‘Ik begon op mijn verjaardag, 2 mei 2006, ik had net mijn mobieltje gehad, en
ik kreeg een telefoontje van de wijkteamchef van de politie die zei dat zijn
mensen werden bekogeld met steentjes. Wat hij moest doen. Ik zei: de lange lat
erover. Het werd stil aan de andere kant. Dat was hij niet gewend.

‘Ik ben meteen gaan kijken in Overtoomse Veld Noord, het afvoerputje van
Slotervaart, daar gebeurde het allemaal. Ik trof die groep aan. Aan alles kon je
zien dat zij het als hun territorium beschouwden. Ik ben verder de wijk
ingetrokken. Kwam ik de vader van Mohammed B. tegen, de moordenaar van Theo van
Gogh. Dat die daar had gewoond, drong toen pas echt tot me door.

‘Er lag overal troep. Het afval wandelde van de trappenhuizen de portieken
uit. De woningen waren verloederd. De slechtste school van Nederland stond in
die wijk. Er heerste een grote onverschilligheid onder de bewoners. Ze wilden
niks met de overheid te maken hebben.

‘Er woonde een grote groep criminelen, relschoppers, overlastveroorzakers en
radicaliserende moslimjongeren. De politie durfde er amper op te treden. De
straatvegers meden de wijk, vandaar die troep.’

En u dacht: waar moet ik beginnen?

‘Dat was mij meteen duidelijk: de politie moest het weer voor het zeggen
krijgen. Ik heb de criminaliteit van Marokkaanse jongeren benoemd. Dat leverde
aanvankelijk veel weerstand op, ik stigmatiseerde, vonden ze. Ik noemde ze tuig.
Niet om grote woorden te gebruiken, maar om de ernst van het probleem te duiden.

‘De Tweede Kamer had het over hangjongeren. Dat impliceert verveelde jeugd,
die moet je activiteiten aanreiken en dan komt het wel goed. Hier ging het om
jongens die ondernemers het ondernemen onmogelijk maakten, die bewoners het
leven zuur maakten, die het vrouwen en meisjes beletten vrij over staat te
lopen. Dat los je niet alleen op met een welzijnswerker en een buurthuis.’

Wat laat u achter?

‘Verpauperde woningen zijn of worden gesloopt, er zijn fatsoenlijke woningen
voor terug gekomen. De wijk wordt weer geveegd, de school is aan het
opkrabbelen. Er is een anti-radicaliseringsbeleid op poten gezet. Hoe spreek je
iemand aan van wie je vermoedt dat hij radicaliseert. Waarom laat je je baard
groeien? Waarom draag je ineens zo’n petje? Wat is er met je gebeurd? Er zijn
straatcoaches gekomen die het gat tussen de politie en het jongerenwerk
opvullen. Het welzijnswerk is wakker geschud.

‘We kozen voor de bewoners, het slachtoffer. Tegen de misdadiger, tegen de
overlastveroorzaker, tegen de ouder die zijn verantwoordelijkheid niet nam. Dat
werd een beweging. Normale jongeren distantieerden zich van criminele jongeren.
Er was discussie. Aanvankelijk ageerden welzijnswerkers fel tegen mijn aanpak.
Daarna ging het als een sneltrein.

‘Het heeft geleid tot een begin van emancipatie van de Marokkaanse
gemeenschap. Mensen gingen elkaar aanspreken. Wentel je niet in de
slachtofferrol, neem je lot in eigen hand. Je bent regisseur van je eigen leven,
dat is de beste verheffing.’

U trok vaak samen op met burgemeester Job Cohen. Een opvallende
combinatie, de binder met de man van de donderpreek.

‘Je komt er niet alleen met kletsen, dat vindt Cohen ook. Cohen weegt
zorgvuldig af of iets werkt. Ik heb nooit nee van Cohen gekregen, maar ook nooit
meteen ja. Uiteindelijk kreeg ik alle ruimte om op te treden.

‘Ik wilde Marokkaanse politieagenten. Er was er niet één in mijn wijk. Wil je
de problemen met Marokkanen aanpakken, heb je agenten nodig die Hassan van
Hussein kunnen onderscheiden. Dat heeft Cohen geregeld. Straatcoaches zelfde
verhaal.

‘We waren sparringpartners. Doen we het niet te hard, niet te zacht? Ik ben
ongeduldig. Alles moet uit de kast als een bewoner niet veilig zijn portiek kan
in- en uitlopen. Dan ga ik niet in een netwerk overleggen.’

Heeft Cohen wel eens gezegd: iets minder mag ook.

‘De term tuig past niet in zijn vocabulaire. Niet dat we daar grote ruzies
over hadden, we hebben een andere manier van doen. Tuig past niet zo bij een
burgemeester. Als stadsdeelvoorzitter sta je dichter bij de problemen.’

Heeft Cohen u gevraagd hem te vergezellen naar Den Haag?

‘We hebben het er wel over gehad, maar ik ben gevraagd door het
partijbestuur.’

U kwam één stem tekort om lijsttrekker te worden van de PvdA in
Nieuw-West. Hebt u te weinig geïnvesteerd in uw achterban?

‘Ik was bestuurder van Slotervaart. In die achterban heb ik ontstellend veel
geïnvesteerd. Ik ben altijd in gesprek geweest, met de bewoners en met de
fractie van mijn partij. Die stonden vierkant achter me. De bewoners gaven een 8
voor ons bestuurswerk en onze ambtenaren.

‘Ik had meer moeten investeren in de PvdA’ers van de stadsdelen waarmee wij
fuseerden. Maar ik vond het lastig om het terrein van mijn collega’s te
betreden. Zij hadden daar minder moeite mee.’

Waren de andere stadsdelen bevreesd voor u?

‘Dat zou kunnen. Er hing al een sfeer: alle aandacht gaat naar Slotervaart.
Waar collega-bestuurders zeiden: ik ga er niet over of wegdoken, ging ik
eropaf.’

Vervolgens hebt u zich gestort op de gemeenteraadsverkiezingen. Als
lijstduwer bent u volop de strijd aangegaan, maar wel een eenzame strijd. Had u
meer steun verwacht van de PvdA?

‘Ik had verwacht een prominentere rol te spelen in de campagne. En ik had
meer steun verwacht in faciliterende zin, ik heb mijn folders zelf laten
drukken. Maar niemand is groter dan de partij. Marcouches komen en gaan. We
hadden baat bij harmonie. Ik vond het al mooi dat ik zo scherp campagne voor
mezelf mocht voeren.’

Hebt u zich eenzaam gevoeld?

‘Op sommige momenten wel, ja. Het is een heel zwaar jaar geweest. In juni heb
ik mijn vader verloren, midden in de discussie over de fusie van de stadsdelen.
De spanning is non-stop doorgegaan. De intriges, de valsheid, de beschuldigingen
– alles trokken mijn partijgenoten van de andere stadsdelen uit de kast om mij
zwart te maken. En dan sta je daar, als lijstduwer voor de gemeenteraad.
Gelukkig heb ik heel veel vrienden die voor mij hebben geflyerd, vaak tot diep
in de nacht. Het heeft 12 duizend voorkeurstemmen opgeleverd.’

Wat gaat u tegen die mensen zeggen? U gaat weg.

‘Ik ga helemaal niet weg. Ik blijf in de politiek. Als je ziet hoe ik de
afgelopen vier jaar heb gewerkt, dat was een driedubbele fulltime job, dan is de
gemeenteraad een behoorlijke achteruitgang in tijd. Alle raadsleden hebben er
een baan naast. Ik wil in een positie zijn waarin ik voor 200 procent politiek
kan bedrijven. Toen het partijbestuur mij vroeg of ik me kandidaat wilde stellen
voor de Tweede Kamer, heb ik dat omarmd.

‘Ik wil mijn meerwaarde nuttig maken. Daar was ik mee aan het worstelen: hoe
kan ik dat het beste doen? Het klinkt misschien hoogdravend, maar ik voel
vaderlandsliefde. Het raakt me dat er van alles fout gaat in de wijken. Ik voel
me verplicht mijn bijdrage te leveren. Dat kan ik als Kamerlid nog optimaler.

‘De problemen die ik in Slotervaart heb aangepakt, zijn de problemen van
Culemborg, van Gouda, van bepaalde wijken in Rotterdam, van Venlo. Ik kreeg in
Slotervaart mailtjes van bewoners van die steden. Zij voelden zich gesterkt door
mijn aanpak.’

Wat zeggen de Amsterdammers die op u hebben gestemd?

‘Velen feliciteren mij met mijn hoge plaats op de lijst. Ik kwam laatst een
vrouw tegen, die zei: ik ben van het Lesbische Netwerk, wij hebben met z’n
twintigen op u gestemd en wij vinden het hartstikke goed dat u naar de Tweede
Kamer gaat. Twee mensen hebben mij verweten dat ik kiezersbedrog pleeg. Ik dacht
dat ik het raadslidmaatschap kon combineren met de Tweede Kamer, het
partijbestuur besliste anders.’

Als voorzitter van Slotervaart kon u meteen op de problemen afstappen,
maar als Kamerlid…

‘Mijn stijl blijft: eropaf. Als hoofdman van het dorp Slotervaart heb ik een
offensief ingezet. Dat kun je als Kamerlid ook doen. Naar de mensen toe gaan,
horen wat hun problemen zijn. Niet alleen kletsen op straat en debatteren in
buurthuizen, maar de problemen aanhangig maken. Mijn stijl van besturen was: als
ik er niet over ga, ben ik ambassadeur voor de bewoners. Als
volksvertegenwoordiger ben ik straks ambassadeur voor alle burgers in Nederland
die ergens tegenaan lopen. Tegen instituties, tegen regelgeving… Vergis je
niet hoe groot de afstand soms is tussen Den Haag en de straat.’

Bent u het antwoord van de PvdA op Wilders?

‘Het antwoord op Wilders is luisteren naar de bewoners die leven in buurten
met veel problemen. Het gros van de Wilders-aanhang is geen moslimhater. Het
zijn burgers die het zat zijn te worden uitgescholden op straat door tuig, die
zich onveilig voelen in hun buurt, die het zat zijn dat het wel erg lang duurt
eer een crimineel wordt opgepakt. Daar zit vaak de woede. Door die wijken aan te
pakken zoals we dat in Slotervaart hebben gedaan, kun je heel veel van die
mensen meekrijgen.’

Wanneer bent u erachter gekomen dat u een missie hebt?

‘De drang om mensen te willen helpen zat er al vroeg in. Vooral mijn oma
heeft mij geleerd dat dienstbaar zijn het hoogste is dat een mens kan bereiken.
De heer der mensen is hij die ze dient, zei ze altijd. Mijn moeder overleed toen
ik 3 was, mijn oma heeft haar plaats ingenomen.’

Wat doet tien jaar politie met je?

‘Dat maakt een kerel van je, zei mijn vader. Het was een geweldige school. Ik
heb gezien wat er achter de voordeuren gebeurt. Ik heb de sores van mensen leren
kennen. Met Kerst een oudere vrouw aantreffen die drie dagen had liggen kreunen
totdat ze toevallig werd gevonden door de buurman. Eenzaam en verlaten, haar
koelkast was leeg. Als politieman krijg je een goed beeld van de andere
werkelijkheid.

‘Het heeft me ook geleerd dat je risico’s moet nemen wil je problemen
oplossen. Je moet eropaf. En dat je altijd wint als je doorzet. Wij vonden: hoe
groot je ook bent, als we je moeten aanhouden, ga je plat. Desnoods halen we een
peloton ME erbij, maar de politie wint altijd. We laten geen onrecht
voortbestaan. Dat vormt je behoorlijk.’

U bent ongeduldig, u moet geregeld inwendig koken. Hoe hebt u geleerd uw
razernij te beteugelen?

‘Ik ben van: goed taxeren en pas dan ingrijpen. Niet impulsief, maar wel
snel. Enig ongeduld is belangrijk, je kunt bij de politie niet al te lang
blijven kijken. Als iemand boos is, kun je hem beter even laten uitrazen. Ik heb
de grootste jongens op die manier aangehouden. En soms moet je een potje
vechten.’

Ik bedoelde uw eigen razernij.

‘Rustig blijven is er voor mij niet bij. Mijn emotie zet mij aan het werk.
Maar het heeft geen zin om er als een blinde in te gaan. Dat heb ik geleerd bij
de politie.’

 

Bron: Volkskrant

Delen: