Houd de rechtsstaat hoog en het hoofd koel

Houd de rechtsstaat hoog en het hoofd koel

Door Nico Schrijver op 13 januari 2015 Delen  

De PvdA in de Eerste Kamer gaf minister Opstelten vandaag twee adviezen mee: houd de rechtsstaat hoog en het hoofd koel. De recente gebeurtenissen in Parijs tonen aan dat de ook voor ons zo belangrijke idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap niet vanzelfsprekend zijn. Daarom sprak ik vandaag bij de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Veiligheid en Justitie over drie op het oog heel verschillende, maar voor de rechtstaat zeer belangrijke onderwerpen: een adequate aanpak van jihadgangers, voortdurende bijscholing van rechters, en eenduidig beleid voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Lees verder voor mijn bijdrage aan het debat.

Gesproken woord geldt.

Voorzitter!

Toen wij als Kamer afspraken dit begrotingsdebat te houden, konden we niet bevroeden welke sombere wolken zich zouden samenpakken boven de nationale veiligheid van Europese landen. De afgrijselijke terreuraanslagen in Parijs hebben ons allen diep geraakt. Mijn fractie heeft diep respect voor de treffende woorden die onze minister-president Rutte hierover bij de demonstratieve bijeenkomst op De Dam op donderdag jl. heeft uitgesproken. Zo ook voor zijn deelname en die van minister van Veiligheid en Justitie aan de herdenkingsmars in Parijs afgelopen zondag.

Voorzitter, het is om vele redenen passend dat wij nu als Nederlanders één met de Fransen zijn. Een daarvan is dat hun Franse revolutie-idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap een enorme positieve invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving. Behalve in de Grondwet, zijn deze idealen in onze hedendaagse rechtsstaat nader uitgewerkt en verankerd in rechtstreekse werkende bepalingen van Europese en mondiale mensenrechtenverdragen. Juist ter wille van deze leidende idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap is het nu zaak de rechtsstaat hoog en het hoofd koel te houden. Vanuit die instelling wil ik namens mijn fractie in dit begrotings- en beleidsdebat over V&J drie nogal verschillende onderwerpen kort aan de orde stellen: de strijd tegen Nederlandse jihadgangers via het recht; de kwaliteit van de rechtspraak in Nederland; en hoe om te gaan met de uitspraak van het Europees Sociaal Comité van de Raad van Europa over noodhulp aan uitgeprocedeerde asielzoekers.

Voorzitter.

De problematiek van de jihadgangers uit Nederland is weliswaar van recente datum, maar wij erkennen dat het aanpakken daarvan grote urgentie heeft. We moeten alle zeilen bijzetten om radicalisering van moslimjongeren te voorkomen, uiteraard in nauwe samenwerking met de moslimgemeenschap in Nederland en met jeugdzorginstanties. Een louter repressieve aanpak zal onvoldoende vrucht afwerpen. Natuurlijk moet tot vervolging en berechting worden overgegaan als er een ernstig vermoeden bestaat dat er strafbare feiten zijn gepleegd. In het verslag van de JBZ-raad van begin december, dat de regering ons toezond, wordt vermeld dat Eurojust heeft geconstateerd dat de strafwetgevingen in de lidstaten hiaten vertonen en aanbevelingen heeft gedaan om deze op te vullen, onder meer om te voldoen aan Veiligheidsraadresolutie 2178 (2014). Voorzitter, mijn vraag is: heeft Eurojust en/of de regering ook hiaten in de Nederlandse strafwetgeving ontwaard? Maar ook dringt zich de vraag op welk beleid ten aanzien van teruggekeerde jihadisten te voeren, als niet aanstonds vaststaat dat zij zich aan strafbare feiten schuldig hebben gemaakt. De inlichtingendiensten zullen hun handel en wandel ongetwijfeld op de voet moeten volgen. Daarbij zijn goede Europese en internationale samenwerking van groot belang. Menen de bewindspersonen dat zij hierbij ook inspiratie kunnen putten uit de zogenaamde Deense methode, die het als een publieke taak ziet teruggekeerde jihadisten op te vangen en deskundige geestelijke verzorging te bieden die gericht is op rehabilitatie? Dat is mijn eerste vraag aan de regering over dit onderwerp. De tweede vraag betreft het gebruik van het nationaliteitsrecht. De regering kondigde op een gegeven moment aan dat het voornemen om jihadgangers het Nederlanderschap te ontnemen onderdeel uitmaakt van de ‘compromisloze strijd’ tegen Nederlandse jihadisten. Minister Opstelten gaf aan in voorkomende gevallen een dergelijke beslissing zelf te zullen nemen en niet de weg van een strafrechtelijke vervolging te willen volgen als het voor het OM lastig is om een geval bewijsrechtelijk helemaal rond te krijgen. Voorzitter, mijn fractie zet vanuit rechtsstatelijk perspectief grote vraagtekens bij een dergelijke aanpak. Voorzitter, het is een fundamenteel grondrecht dat ieder individu recht heeft op een nationaliteit. De staat mag een individu derhalve niet zomaar zijn nationaliteit ontnemen. Erkent de regering dat ontneming van het Nederlanderschap wegens ernstig crimineel gedrag in onze rechtsstaat de taak van een rechter behoort te zijn, op basis van strafrechtelijke vervolging en berechting op basis van een gedegen bewijsvoering door het OM? Erkent de regering ook dat ontneming van het Nederlanderschap krachtens Europees en internationaal recht alleen dan mogelijk is, indien de schuldig bevonden persoon naast het Nederlanderschap ook nog een andere nationaliteit bezit? In andere bewoordingen: erkent de regering dat het Europees Verdrag inzake Nationaliteit, waarbij Nederland partij is, alsmede het VN-verdrag ter bescherming van staatloze personen het de regering niet toestaan om iemand op grond van crimineel gedrag de nationaliteit te ontnemen als de betrokkene daardoor staatloos zou worden? Voorzitter, laat bij deze vragen niet het misverstand ontstaan dat ook mijn fractie het spoor van het strafrecht wil volgen als uit Nederland afkomstige jihadisten zich schuldig maken aan misdrijven. In dit verband stel ik de vraag of de organisatie en de capaciteit van het OM op dit punt in het licht van de recente ontwikkelingen voldoende zijn dan wel versterking behoeven.

Voorzitter, een van de ambtenaren van de bewindspersonen heeft een hoogst kwalijke en walgelijke tweet over ISIS en zionisten uitgezonden. De minister heeft haar gelijk geschorst en de toegang tot de Justitie-gebouwen ontzegd. Dat gebeurde begin september jl. Ik neem aan dat er inmiddels rechtspositionele maatregelen zijn getroffen. Zijn deze inmiddels aan de rechter voorgelegd? Op 24 oktober 2014, nota bene op de Dag der Verenigde Naties, konden we verontrust lezen dat een politieagent in de regio Rotterdam Rijnmond een eveneens walgelijk bericht met erg kwetsende uitspraken over de Islam en de moslims op Facebook had gezet, dat ik hier maar niet zal citeren [[alleen voor de fractie: “…Ik ben helemaal klaar met die k islamieten. Ik hoop dat ze zeer snel een langzame pijnlijke dood sterven. Oftewel dood aan de islam!!!]. Het is goed dat de politietop in Rotterdam zich hier onmiddellijk van heeft gedistantieerd. Voorzitter, ik wees al eerder op het grote goed van rechtsgelijkheid: gelijke monniken, gelijke kappen. Vindt ook de regering dergelijke uitlatingen volstrekt ongepast en onaanvaardbaar van nota bene ook een politiedocent? Acht de regering dat rechtspositionele maatregelen niet alleen gepast zijn tegen uw ambtenaar Yasmina H. maar ook tegen politieagent tevens/ docent Nico G.?

Voorzitter, het tweede onderwerp dat ik namens de fractie inbreng betreft de kwaliteitszorg binnen de rechtspraak. We hebben daar woelige tijden over beleefd, die culmineerden in de noodkreten via het zogenaamde Leeuwarder Manifest en we hebben hier ook over gesproken met de regering in ons debat over de staat van de rechtsstaat. Mijn fractie heeft met veel belangstelling kennis genomen van het Rapport visitatie gerechten 2014 van de naar de voorzitter genoemde commissie-Cohen. Ook uit dit behartigingswaardig rapport blijkt dat er in korte tijd wel heel erg veel op de rechterlijke macht is afgekomen (digitalisering, reorganisatie, vernieuwing, e.d.) zonder dat daar extra middelen tegenover stonden. De Raad voor de Rechtspraak duidt het in zijn standpunt over het rapport-Cohen aan als – ik citeer – ‘teveel tegelijkertijd’ en ‘de rek is eruit’. Ik vraag de regering hierop een reactie te geven. Een van de hoofdaanbevelingen van de commissie-Cohen is dat er meer tijd aan essentiële kwaliteitsactiviteiten besteed moet worden ten einde de kwaliteit van de rechtspraak in Nederland op peil te houden. Wanneer immers de werklast hoog is, dan komen als eerste de activiteiten op het gebied van reflectie en het bijhouden van vakkennis in het gedrang; zo stelt de commissie-Cohen. Mijn vraag is op welke wijze de regering denkt te kunnen bijdragen aan een efficiënte aanpak van de werkdruk met als doel deze te verminderen en hoe voortdurende scholing te bevorderen met als doel kwaliteitsbewaking en kwaliteitsverbetering in de rechtspraak. Ziet de minister mogelijkheden om hier ook extra middelen voor beschikbaar te stellen?

Voorzitter, onze Kamer is ook in schriftelijk overleg getreden met de regering over de status van en de gevolgtrekkingen uit de uitspraken van het Europees Sociaal Comité over de mensenrechtelijke verplichting noodhulp te bieden aan irregulier in Nederland verblijvende vreemdelingen: het zogenaamde ‘bed, bad- en brooddebat’. De regering stelt zich op het standpunt dat zij zich niet eerder gebonden acht deze uitspraken op te volgen dan nadat het Comité van Ministers deze heeft onderschreven. Voorzitter, technisch juridisch heeft de staatssecretaris het gelijk aan zijn kant als hij zegt dat dit nog geen bindende uitspraak is. Het Europees Sociaal Handvest zelf bevat bindende verplichtingen. Het Europees Sociaal Comité, dat bestaat uit onafhankelijke deskundigen, kan naar aanleiding van klachten uitspraken doen over de naleving van het verdrag, die het karakter hebben van adviezen. Als zodanig komen deze uitspraken van de meest gezaghebbende instantie om uitleg te geven aan aard en inhoud van de verdragsbepalingen, die zelf wel een verplichtend karakter hebben. Maar het is aan het Comité van Ministers om deze door te zenden aan Nederland en bij zijn beslissing eventueel nog sociale en economische omstandigheden mee te laten wegen. In deze zaak gaat het vooral om de reikwijdte van artikel 13, lid 4 over het recht op sociale en geneeskundige bijstand en artikel 13, lid 2 over het recht op huisvesting. Daarnaast gaat het ook om de interpretatie van universele mensenrechten, zoals deze zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het gedetailleerde artikel 11 van het VN-verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de mens over het recht van ieder mens op een adequate levensstandaard, waaronder het recht op kleding, voedsel en menselijke waardigheid. Het Europees Sociaal Comité beval Nederland aan om direct maatregelen te nemen om de betrokken personen bed, bad en brood te verschaffen in overeenstemming met deze internationale verplichtingen. Het Comité beperkt dit tot basale levensbehoeften, nu zij zich ervan bewust is dat het hier gaat om niet legaal in Nederland verblijvende personen. Het Comité heeft het voorkomen van aanzuigende werking ook in zijn oordeel betrokken. Het stelt dat dit zeker een legitiem doel is, maar oordeelt dat dit aan een overheid toch onvoldoende rechtvaardiging kan bieden om mensen basale levensbehoeften te onthouden, waaronder met name voeding, kleding, onderdak, basale gezondheidszorg en menselijke waardigheid. Voorzitter, ik wijs ook nog op een brief van drie Speciaal Rapporteurs van de Verenigde Naties, die op 16 december 2014 de in de richting van ons land nogal zeldzame stap hebben genomen een zogenaamde ‘Urgent Appeal Letter’ te zenden met de oproep onmiddellijk noodhulp te bieden aan deze kwetsbare groep. Voorzitter, het Comité van Ministers kan het juridisch inhoudelijke oordeel van het Europees Sociaal Comité niet veranderen. Erkent de regering dit? Hoe beoordeelt zij de huidige situatie voor de rondzwervende uitgeprocedeerde asielzoekers, die in de ene gemeente wel en in de andere niet opgevangen worden? Deelt zij onze opvatting dat het wenselijk is dat hierover zo spoedig mogelijk weer landelijk beleid, eenheid van beleid ontstaat?

Voorzitter, in de mensenrechtennota van het kabinet uit 2012, getiteld Ieder mens telt, staat dat het onder meer voor een geloofwaardig internationaal mensenrechtenbeleid van Nederland nodig is dat ook Nederland openstaat voor binnenlandse en internationale op- en aanmerkingen over de mensenrechtensituatie in ons eigen land. Ik ga ervan uit dat de regering in die geest zal omgaan met deze kwestie.