Investeer pensioenvermogen in schoolgebouw

Investeer pensioenvermogen in schoolgebouw

Door Job Cohen op 31 januari 2011 Delen  

Private rijkdom
moet
wat mij betreft bijdragen aan de publieke zaak
. Neem onze pensioenfondsen:
90% van dat vermogen wordt nu geïnvesteerd in het buitenland, terwijl er
tegelijkertijd te weinig geld is om te investeren in schoolgebouwen.
Pensioenfondsen kunnen hier een rol spelen die alle partijen winst biedt. Nieuwe
en goed onderhouden schoolgebouwen dragen aantoonbaar bij aan de kwaliteit van
het onderwijs en zijn dus goed voor leerling en leraar, zij leveren een forse
impuls voor de bouw die dit juist nu hard nodig heeft, en tenslotte biedt het
pensioenfondsen de kans om maatschappelijk in Nederland te investeren. Dat heb
ik kenbaar gemaakt in de derde Herman Höftenlezing,
die ik
vanavond mocht voordragen in Almelo
. Klik op ‘lees verder’ voor de volledige
lezing.

Almelo, 31 januari 2011.

‘Eén september 1960. Op deze dag begon de 40-jarige Herman Höften zijn werk
als raadslid voor de Partij van de Arbeid in Almelo. Herman was een doorzetter,
hij hield zijn raadswerk 30 jaar vol. Hij bleef 30 jaar lang bevlogen en
ontwikkelde zich tot groot politicus en nestor van de Almelose gemeentepolitiek.

1960. Dat was de tijd dat vele politicologen en politici ervan overtuigd
waren dat ‘het einde van de ideologie’ was ingetreden. Het was over en uit met
de fundamentele politieke en sociale tegenstellingen, want iedereen wilde nu wel
zo’n beetje hetzelfde: meer welvaart, bestaanszekerheid en natuurlijk allemaal
een auto in de garage en een biefstuk op het bord. En dit lag binnen handbereik
dankzij de inspanningen van de wederopbouwgeneratie en de jaar in jaar uit
groeiende welvaart. Goed nieuws voor sociaaldemocraten zou je denken. Maar de
stemming was alles behalve feestelijk. Het kabinet Drees was in 1958 gevallen en
de PvdA zat in de oppositiebankjes. Hoe kon de PvdA zich in een tijdperk waar
het einde van de ideologie werd afgekondigd nog herkenbaar onderscheiden?

Het was Den Uyl, destijds lid van de Tweede Kamer en directeur van de Wiardi
Beckmanstichting, die als een van de eersten een analyse van de situatie maakte.
De sociaaldemocratie kreeg paradoxaal genoeg de rekening gepresenteerd van de
succesvolle emancipatie van de arbeidersklasse. De PvdA was nu een partij als
alle anderen, met slechts een extra accent op de belangen van arbeiders. Haar
ideologie had aantrekkingskracht verloren. Den Uyl concludeerde dat ‘de partij
in een dood tij’ was aangeland.

Herman Höften heeft zich destijds gelukkig weinig aangetrokken van dat ‘dode
tij’. Hij ging op dat moment de raad in omdat het zijn levensopdracht was mensen
die het wat minder hadden, een steuntje in de rug te geven. Einde van de
ideologie of niet, hij vond dat er nog heel wat te verbeteren viel en daarvoor
moest hij bij de Partij van de Arbeid zijn. Daar kon hij zijn sociale gevoel in
daden omzetten.

Den Uyl is na zijn sombere conclusie evenmin bij de pakken neer gaan zitten.
Iedereen die zich Den Uyl herinnert, weet dat juist hij het was die de PvdA weer
kleur heeft gegeven. Wat herinner ik me die strijdkreet van hem nog goed uit de
tijd dat ik lid werd van de PvdA: spreiding van inkomen, kennis en macht!

Al in 1963, had Den Uyl zijn antwoord klaar op de ideologische bleekheid van
de PvdA. In het rapport ‘Om de kwaliteit van het bestaan’ schetste hij een
rooskleurig beeld. De welvaart was toegenomen en zelfs beter gespreid door de
uitbreiding van sociale verzekeringen; werkloosheid was nagenoeg verdwenen;
arbeidsduur en arbeidsomstandigheden waren verbeterd en onderwijsvoorzieningen
toegenomen. Maar toch, deze vooruitgang in onze welvaart was volgens Den Uyl
onvoldoende, gemeten aan normen van vrijheid en gelijkwaardigheid. Daarvoor vond
hij welvaartsgroei an sich geen goede maatstaf. Zo zei Den Uyl op het
PvdA-congres in 1963: ‘In de geduldige cijfers van het nationale inkomen telt de
elektrische tandenborstel evenzeer als de verpleeghulp, de reclame-uitgaven voor
het definitieve kalmeringsmiddel evenzeer als de entreeprijzen voor de
schouwburg, het commissarissentantième evenzeer als de blindenrente’. Hij
betwistte de opvatting dat voortgezette welvaartsgroei als vanzelf tot de
opheffing van maatschappelijke kwalen zou leiden, alsof ‘immanente krachten
zullen drijven naar grotere gelijkheid, spreiding van macht en vergroting van
persoonlijke ontplooiingskansen’.

Dat was niet het geval volgens Den Uyl. De groeiende welvaart werd niet
eerlijk verdeeld en leidde niet vanzelf tot rechtvaardigheid. Nodig was ‘een
aanpak die de immanente krachten van de huidige welvaartsgroei wist te
controleren en te richten op vergroting van het gemeenschappelijke welzijn’. In
navolging van Galbraith zag Den Uyl het gevaar van private rijkdom en publieke
armoede. Om vrijheid, gelijkwaardigheid en kwaliteit van het bestaan dichterbij
te brengen was voorrang voor collectieve voorzieningen noodzakelijk.   Zolang de
welvaart niet voor een deel werd omgezet in publieke voorzieningen zoals
onderwijs, sociale zekerheid, solidariteit in de zorg, veiligheid en goede
woningen, ging de welvaart wel naar veel individuen maar niet naar de
gemeenschap.

Overigens was er in de jaren zestig hier in Almelo en omgeving bepaald geen
sprake van welvaartsstijging. Terwijl in Nederland als geheel de welvaart steeg,
stond Twente aan de vooravond van een economische en sociale ramp. Deze regio
met haar textielindustrie kreeg te maken met de enorme gevolgen van snel
gegroeide productiekosten, terwijl de productiecapaciteit in Europa veel te
groot bleek. Kleinere ondernemingen moesten de deuren sluiten en de grotere
probeerden te overleven door fusies aan te gaan. In 1962 kwam zo de Koninklijke
Nederlandse Textiel Unie tot stand, maar ook die ging na tien jaar alweer
failliet. In 1965 fuseerde een aantal bedrijven rondom Van Heek & Co in een
eveneens mislukte poging om te overleven, want ook deze fusie-onderneming redde
het niet. Duizenden werknemers stonden op straat. En daarmee vele
toeleveranciers. De werkgelegenheid in de textiel in Nederland nam tussen 1965
en 1990 af van ruim 43.000 naar nog geen 9.000 – en dat geconcentreerd in deze
regio.

De omstandigheden in deze regio zijn een typerend voorbeeld om aan te tonen
dat de PvdA haar taak met de emancipatie van de arbeider zeker niet voltooid
had. Natuurlijk, de arbeider met werk had het een stuk beter dan in de decennia
daarvoor. Maar daar heb je bar weinig aan als je in de textielindustrie werkt en
door de krachten van de globalisering je baan verliest. Naast mogelijkheden tot
omscholing en kansen op ander werk, zijn een sociaal zekerheidsstelsel
(bijstand, WW en AOW), een zorgverzekering en een goede woning ongeacht je
inkomen essentiële elementen voor je bestaanszekerheid. En misschien is nog wel
het allerbelangrijkste de zorg om je kinderen: dat zij niet de dupe worden van
omstandigheden zoals hier geschetst. Dat zij een eerlijke kans krijgen en gewoon
naar school kunnen om hun talenten te ontwikkelen. Dat zij sociale stijgers
kunnen worden en het beter kunnen hebben dan hun ouders.

Aan de keukentafel van de textielwerknemers in Almelo was de keuze tussen
hoger loon of sociale stijging in de jaren zestig géén dilemma. Almelo was
getroffen door een sociale ramp.

Maar landelijk woedde die discussie wel. Loonsverhoging of sociale stijging?
Private rijkdom of publieke rijkdom? Een eigen auto of een goede opleiding voor
alle kinderen? Natuurlijk, de welvaartsstijging ging zo snel dat die auto’s er
wel kwamen. Ook in Almelo. Net als de biefstukken. Maar waar het destijds om
ging was de vraag of een deel van de stijgende welvaart besteed moest worden aan
de welvaart van de gemeenschap of aan die van het individu. De PvdA koos voor
het eerste. Niet omdat private rijkdom verkeerd was, maar omdat die zogenoemde
‘immanente krachten’ de welvaart altijd oneerlijk zouden verdelen. Alleen met
publieke voorzieningen kon de gemeenschap als geheel vooruit geholpen worden en
kreeg iedereen een eerlijke kans. Publieke rijkdom is een voorwaarde voor
gelijkwaardigheid en vrijheid en faciliteert in hoge mate sociale stijging. Dat
was geen nieuw inzicht. In de woorden van Den Uyl: ‘De strijd voor de
emancipatie van de arbeidersklasse was een strijd voor hoger loon en kortere
arbeidsduur, zeker, maar daarbovenuit een strijd om rechtsgelijkheid, voor
algemeen kiesrecht, medeburgerschap. De armoedesituatie is eerst opgeheven, als
de scheiding tussen two nations, de natie van de door geld, stand, privilege en
traditie gebondenen, en de natie van de bezitslozen, ongeciviliseerden en
traditielozen geslecht is. Het overwinnen van de armoedesituatie wordt in onze
verhoudingen meer bepaald door de mate waarin stand, status en ‘Bildungsmonopol’
worden doorbroken, dan door loonsverhogingen.’

Dat waren de jaren zestig. Ondertussen zijn we vele malen rijker en hebben we
prachtige publieke voorzieningen opgebouwd. En toch, het pessimisme in de
Nederlandse samenleving van vandaag is groot, lijkt zelfs groter dan in de jaren
zestig. Ook al gaat het mensen goed, zij maken zich toch zorgen over de
samenleving en de toekomst. Heb ik straks mijn baan nog? Is er nog voldoende
pensioen en zorg als ik oud ben? En hebben mijn kinderen het straks nog wel
beter dan ik? Nederland lijkt gegrepen door een collectief gevoel van onbehagen
over de toekomst, een toekomst die niet meer vanzelfsprekend beter is en
misschien zelfs slechter. Dat geldt niet alleen voor Nederland, maar voor grote
delen van Europa. Een Franse wetenschapper vertelde me recent dat hij jongeren
op een demonstratie met een spandoek zag lopen met daarop de tekst: ‘wij willen
leven zoals onze ouders.’ Het geloof in een betere toekomst voor onze kinderen
staat op het spel. Ook het SIRENrapport, een groot Europees onderzoek uit 2004,
laat zien dat de ’gewone werknemer’ in Europa zich van vele kanten bedreigd
voelt. Door ‘globaliseringpijn’ – werk verdwijnt naar het buitenland, en er komt
meestal geen vergelijkbaar werk voor terug. Door permanente reorganisaties, door
herstructurering van bedrijfstakken en nieuwe stijlen van management. Wat ook
groot verdriet oplevert, is de veroudering van diploma’s, van kennis en
vaardigheden. Vrees voor sociale daling is een sleutelbegrip in dit onderzoek.

Is deze vrees terecht – ook als de welvaart toeneemt? Dat laatste zal het
geval zijn. Hoewel minder snel dan voorheen, zullen we in 2050 toch twee keer zo
rijk zijn als nu. Maar zoals Den Uyl al zei: de groei van de welvaart op
zichzelf is ontoereikend als graadmeter voor de kwaliteit van ons bestaan, want
dan gaat het ook om gelijkwaardigheid en vrijheid.

Het gaat er daarom steeds om hoe we die welvaart besteden. Privaat, met
loonsverhoging en belastingsverlaging, zodat die extra middelen niet inzetbaar
zijn voor gemeenschappelijke doelen? Of publiek, waardoor iedereen mee kan
profiteren en elk kind werkelijk de kans krijgt om zich ten volle te ontplooien
en zo sociaal te stijgen?

Er zijn over sociale stijging recent een aantal Nederlandse rapporten
verschenen. De vraag die centraal staat is of het spreekwoord ‘als je voor een
dubbeltje geboren bent, wordt je nooit een kwartje’ nog op gaat. Of hebben we
dat eindelijk overwonnen? Bij het lezen van deze rapporten heeft een
sociaaldemocraat veel om vrolijk van te worden. Als je een dubbeltje bent, heb
je steeds meer kans om een kwartje te worden. Het belang van afkomst neemt af:
opleiding is belangrijker dan afkomst en afkomst is steeds minder bepalend voor
opleiding. Gezondheidsverschillen tussen hoger- en lageropgeleiden nemen af – al
leven hoger opgeleiden nog steeds 7 jaar langer dan lager opgeleiden; er blijft
nog steeds genoeg te doen! Er is sprake van een vermenging van lagere en hogere
cultuur; vrouwen verbeteren hun achterstandpositie. Alleen op de woningmarkt is
de sociale ongelijkheid toegenomen.

Veel om vrolijk van te worden dus. Maar als we beter naar deze conclusies
kijken is er ook reden tot zorg. Er is in het onderwijs voor het eerst sprake
van sociale daling. Een op de vijf jongens heeft een lagere opleiding dan zijn
ouders. Naast de nog voortgaande sociale stijging van vooral meisjes is er nu
ook sprake van achteruitgang bij groepen die het eerst goed deden. Kwartjes
blijken dubbeltjes te worden. Dat hadden we nog niet eerder gezien. Als er
sprake is van toenemende gelijkheid van de Nederlandse samenleving is dit dus
niet alleen het gevolg van verheffing van van oudsher achtergestelde groepen
zoals voorheen de arbeidersklasse, maar ook van daling van de hogere strata in
de samenleving.

Tot op zekere hoogte is dit niet vreemd. Zeker als het om onderwijsniveau
gaat is het deels een gevolg van eerdere vooruitgang. Nu steeds meer mensen
hoogopgeleid zijn – en een hoger opgeleide trouwt tegenwoordig veelal met iemand
die ook hoger opgeleid is – kunnen hun kinderen hen nooit overtreffen, maar
hoogstens evenaren. Dit hoeft geen probleem te zijn.

Zolang de kwaliteit van ons onderwijs op alle niveaus blijft toenemen, kan er
nog steeds sprake zijn van vooruitgang. Want iedereen naar de universiteit is
ook niet alles. Sterker nog, wat zou Nederland zijn als dat het geval was?
Allemaal mensen die uitstekend kunnen analyseren en onderzoeken, maar wie houdt
onze dienstensector draaiende? Waar is de vakman op wie je kunt vertrouwen als
de auto of de centrale verwarming stuk is? Waar zijn de vakmensen die met liefde
onze ouderen verzorgen en onze kleuters wegwijs maken? Het gaat er niet om dat
iedereen de hoogst mogelijke opleiding heeft. Het gaat er om dat iedereen de
kans krijgt zijn talenten te ontwikkelen en dat die kansen niet bepaald worden
door de plek waar je wieg stond. En juist daarin zit vooruitgang.

Dat neemt niet weg dat een kind van hoger opgeleide ouders nog steeds drie
keer meer kans op een hogere opleiding heeft dan een kind van lager opgeleide
ouders. Daarnaast is er een groeiende ‘granieten kern’ van mensen die langdurig
aan de onderkant van de samenleving verkeren.

Sociale stijging zegt iets over de mogelijkheden de ladder op te klimmen,
maar het zegt niets over maatschappelijke ongelijkheden tussen de treden. En de
omvang van die ongelijkheden is van belang voor de kwaliteit van onze
samenleving als geheel. De scheidslijnen in kwaliteit van werk en
maatschappelijke vooruitzichten tussen mensen aan de onderkant van de
economische ladder en die aan de bovenkant nemen toe. Als we kijken naar
inkomens en vermogens zien we ook groeiende maatschappelijke ongelijkheid. Bijna
60 procent van het totale vermogen is in het bezit van de 10 procent meest
vermogende huishoudens.

In de economie van de onderkant, maken mensen lange dagen tegen lage lonen,
met flexibele contracten, in wisseldiensten, onder hoge werkdruk en soms slechte
arbeidsomstandigheden, met een zwakke rechtspositie – ook voor wat betreft hun
aanspraken op uitkeringen en pensioenen. Zij hebben het gevoel dat ze te weinig
waardering krijgen en zien weinig perspectief om vooruit te komen, hebben
moeilijk toegang tot private en publieke basisvoorzieningen – en vooral: kunnen
moeilijk rondkomen van hun salaris. Daartegenover staat een economie van de
bovenkant: goede salarissen, soms aangevuld met riante bonussen, luxe
arbeidsomstandigheden, goede regelingen voor werkloosheid en pensioen,
afvloeiingsregelingen inclusief ’gouden handdrukken’ en uitstekende toegang tot
private en publieke voorzieningen.

Daartussenin zit een brede middenklasse die van beide kanten steeds meer
onder druk komt te staan. De lagere middeninkomens dreigen in de knel te komen:
met forse lasten voor huis, levensonderhoud en vervoer en de kosten voor de
opvoeding van kinderen, gekoppeld aan toenemende concurrentiestrijd op de
arbeidsmarkt. Hogere middeninkomens hebben de aansluiting met de top verloren en
hebben het gevoel dat zij door de overheid flink aangeslagen worden terwijl de
kwaliteit van de overheidsvoorzieningen er nauwelijks op vooruit lijkt te gaan.

Deze groeiende afstand tussen bevolkingsgroepen past niet bij het
maatschappijmodel dat na de oorlog met zorg en gezamenlijke inspanning is
opgebouwd – en draagt bij aan de vrees voor sociale daling. Daar komt bij dat we
nu na decennia van groei te maken hebben met de gevolgen van een periode van
krimp door de financiële crisis. De vraag is nu niet hoe we de welvaart, maar
hoe we de rekening verdelen.

De idealen van onderwijs dat de veilige omgeving biedt om je talenten ten
volle te ontplooien, en van zinvolle en gerespecteerde arbeid, zijn daarom
actueler dan ooit. Maar de trends wijzen in een andere richting en het
kabinet-Rutte versterkt ze. De rekening van de crisis komt eenzijdig terecht bij
de meest kwetsbare groepen en de middeninkomens die toch al in de knel zaten. De
ongelijkheden nemen toe, en er worden geen pogingen ondernomen om de granieten
kern te slechten van mensen die langdurig, soms al generaties, aan de onderkant
van de samenleving verkeren.

De staat is geen geluksmachine is het motto van Rutte. Ik geloof niet dat er
ooit iemand geweest is die de staat als zijn eerste bron van geluk heeft
aangewezen – dus Rutte zal zijn tegenstanders hier met geen tien bouwlichten
kunnen vinden. Maar wat de staat wel is – en dan doel ik op onze publieke
voorzieningen – is een sociale stijgingsmachine. Onder dit motto van Rutte
worden de publieke voorzieningen die we hebben opgebouwd om iedereen kansen te
geven, nu op zijn minst een halt toegeroepen, en vaker beperkt. Het beleid van
het kabinet Rutte is erop gericht de private rijkdom te vergroten en de publieke
rijkdom te verkleinen.

Ik houd hier geen pleidooi voor een grotere overheid, maar verzet met tegen
het dogma van een kleinere overheid. Mijn pleidooi is er één voor een effectieve
overheid die zich erop richt de rijkdom van ons land óók en gericht in te zetten
ten goede van ons allen, voor het individu én het gemeenschappelijke. Een
overheid die zorgt voor zo veel mogelijk rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid en
vrijheid. Voor radicale gelijkheid van kansen. Voor publieke rijkdom.

Ten eerste in het onderwijs. Door het beste uit elk kind te halen. De PvdA
voelt niets voor dwingend en verstikkend gelijkheidsdenken: niet iedereen is
gelijk en we willen mensen niet gelijk maken. Maar het gaat er wel om het
onderste uit elke kan te halen, wetend dat niet elke kan even diep is. Door te
zorgen dat onze allerjongsten niet verloren gaan omdat zij taalachterstanden
niet inhalen. Door herwaardering van vakmanschap en ambachtelijkheid. We hebben
niet alleen behoefte aan ingenieurs, maar ook aan monteurs. Door extra
investeringen in het hoger onderwijs. Als de sociale stijging het plafond
bereikt, moeten we het plafond verhogen! De kwaliteit van ons hoger onderwijs
moet beter, ook om de concurrentie in de wereld aan te kunnen. Daarom is het zo
kortzichtig dat dit kabinet bezuinigt op het onderwijs.

Ten tweede op het werk. Het granieten bestand moet losgebeiteld worden. Op
eigen kracht komt niet iedereen de trampoline op. Dat lukt echt alleen met
begeleiding. Want die is nodig om mensen ook werkelijk zo ver te krijgen om weer
aan de arbeidsmarkt deel te nemen. Tegenover het recht op uitkering, staat hier
de plicht op inspanning. Bovendien, de vergrijzing komt eraan, we hebben
iedereen nodig. Dat vraagt investeringen van de mensen om wie het gaat èn van de
overheid. Werk moet lonen én gewaardeerd worden, ook voor de economie van ‘de
onderkant’ en de middenklasse.

Ten derde op de woningmarkt. De overheid speelt een cruciale rol om de
woningmarkt van het slot te halen, zodat mensen reële mogelijkheden krijgen om
een huis te kopen of te huren. Koopmarkt en huurmarkt hangen samen, en daarom
moet de koopmarkt niet ontzien worden, zoals het kabinet-Rutte doet door de
hypotheekrenteaftrek voor de hoogste inkomens niet aan te pakken en door hen
afgelopen week nog van een extra douceurtje te voorzien.  En intussen wel de
middeninkomens die het al krap hebben, opzadelen met een huurstijging van 5%.
Dat werkt averechts. En laat ik in dit verband ook nog eens wijzen op het belang
van de wijkaanpak, die voor het vorige kabinet terecht een speerpunt was. Zo’n
aanpak draagt natuurlijk enorm bij aan publieke rijkdom, juist in een omgeving
waar dat het hardste nodig is.

Publieke rijkdom leidt tot een eerlijke samenleving waarin iedereen een kans
krijgt op sociale stijging, via onderwijs, werk, en wonen. Dat lukt alleen als
we bereid zijn de welvaartsgroei niet alleen privaat neer te laten slaan, maar
een deel in te zetten voor de gemeenschap, voor de vooruitgang van ons allen. De
staat is inderdaad geen geluksmachine, maar onderzoek toont keer op keer aan dat
samenlevingen met goede en toegankelijk publieke voorzieningen, samenlevingen
met eerlijke kansen voor iedereen en waar ongelijkheid binnen de perken gehouden
wordt – simpelweg gelukkiger zijn.

Daarom keer ik mij als sociaaldemocraat die voor radicaal gelijke kansen
pleit, die weet dat dit niet lukt met publieke armoede, tegen het afbreken van
onze publieke voorzieningen. Maar daarmee is ons verhaal niet compleet. Onze
publieke voorzieningen werken alléén als sociale stijgingsmachine, ze staan
alléén in dienst van de gemeenschap, ze houden alléén de samenleving bijeen, als
ze voldoen aan twee voorwaarden. Wederkerigheid en goed functioneren van die
publieke voorzieningen.

Eerst de wederkerigheid. De sociaaldemocratie verwacht veel van de overheid
bij het realiseren van vrijheid en radicaal gelijke kansen, maar dat neemt niet
weg dat de eigen verantwoordelijkheid van burgers nooit buiten beeld mag raken.
Al in 1947 waarschuwde Den Uyl ervoor dat het verantwoordelijkheidsgevoel van
burgers ‘steeds slapper en vager wordt.’  Juist voor de PvdA, meende hij, is het
belangrijk duidelijk aan te geven waar overheidsingrijpen eindigt en de eigen
verantwoordelijkheid van mensen begint. Door aan gelijke kansen te werken,
schept de overheid belangrijke voorwaarden voor burgers om vooruit te komen.
Maar burgers moeten die kansen wèl verzilveren. Tegenover de inzet van de
overheid staat de plicht om mee te werken aan het verbeteren van het eigen lot.
Dit is ‘het element van wederkerigheid.’  Wederkerigheid is een traditioneel
sociaaldemocratisch principe, niet voor niets luidt een zin in de
Internationale: ‘geen recht waar plicht ontbreekt’. Het kan absoluut geen kwaad
om dat principe flink af te stoffen; want wij verliezen haar te vaak uit het
oog.

Als mensen zich niet ontwikkelen, betekent dat niet automatisch dat zij
onvoldoende kansen hebben gekregen. Kansen moeten ook gepakt worden. De overheid
moet niet alleen kansen bieden, maar in ruil daarvoor ook eisen  dat mensen
daarvan gebruik maken en zich als verantwoordelijk burger opstellen. Ik geef een
paar voorbeelden. Een samenleving, een overheid moet geen genoegen nemen met
voortijdig schoolverlaters, met mensen die hun huurwoning verwaarlozen of hun
buren opzadelen met overlast, met werklozen die zich niet inspannen om werk te
vinden of met fraudeurs. Kortom, een overheid moet niet alleen geven of
faciliteren, maar in ruil daarvoor ook eisen stellen. Want eisen stellen moet
ons antwoord zijn op de liberalen die het creëren van gelijke kansen maar onzin
vinden en zeggen dat burgers het maar zelf moeten uitzoeken.

Dan het functioneren van onze publieke voorzieningen. Er is alle reden dit
tegen het licht te houden. De bureaucratie levert problemen op, waardoor juist
de mensen die haar het meeste nodig hebben door de bomen het bos niet meer zien,
tot wanhoop aan toe. De overheid wordt te vaak ervaren als de kille omhelzing
van een ongeïnteresseerde tante. Betutteling en verwaarlozing gaan te vaak hand
in hand. Tien instanties die zich met één probleemgezin bezighouden zonder enige
vorm van coördinatie. Regels die boven de behoeften van mensen gaan. En de
afgelopen jaren is een aantal taken op afstand geplaatst dan wel aan de markt
overgelaten, zonder de organisatie van publieke zeggenschap en verantwoording
goed te regelen. Daardoor is een democratisch tekort ontstaan. Dit moeten we
herstellen.

Laat ik iets zeggen over de vraag hoe wij die problemen te lijf kunnen gaan,
hoe wij, als het ware, een nieuwe overheid zouden moeten inrichten. Zo’n nieuwe
overheid is geen onpersoonlijke bureaucratie. Die nieuwe overheid biedt ruimte
aan organisaties en burgers om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. De
professional krijgt meer vrijheid en vertrouwen om binnen heldere kaders naar
eigen inzicht te handelen. Burgers worden aan het roer gezet, omdat alleen in
samenwerking tussen een activerende overheid en volwassen burgers buurten veilig
kunnen zijn, onze publieke ruimten leefbaar en schoon, onze kinderen goed
opgeleid, en wij allen naar de mate van het mogelijke gezond. Overheidsdiensten
worden dus zo dicht mogelijk bij de burger georganiseerd, op een schaal die
mensen in staat stelt om betrokken te zijn. Grootschalige organisatie van
bijvoorbeeld onderwijs – hier past ons als sociaaldemocraten natuurlijk
nederigheid – heeft teveel geleid tot anonieme zielloze leerfabrieken, zonder
verbondenheid tussen leerkrachten. Ieder kind moet gekend en erkend worden door
iedere leerkracht op een school.

Het onbehagen in onze samenleving heeft vele oorzaken, maar twee oorzaken
zijn zeker vervreemding door het ontbreken van de menselijke maat en onmacht van
mensen om invloed uit te oefenen op hun omgeving. Het recept van Mark Rutte:
meer commercie, minder staat is juist daarom ook een heilloze weg. Meer
commercie leidt niet tot meer betrokkenheid en meer grip van mensen op hun
omgeving, eerder tot minder dan tot meer burgerschap. Sterke instituties worden
niet gedragen door consumenten, maar door actieve burgers. Wanneer de consument
het wint van de burger, raken onze instituties uitgehold.

Wel moeten we kijken naar creatieve manieren om private rijkdom te laten
bijdragen aan de publieke zaak. Neem onze pensioenfondsen: 90% van dat vermogen
wordt nu geinvesteerd in het buitenland, terwijl er tegelijkertijd te weinig
geld is om te investeren in schoolgebouwen. Pensioenfondsen kunnen hier een rol
spelen die alle partijen winst biedt. Nieuwe en goed onderhoude schoolgebouwen
dragen aantoonbaar bij aan de kwaliteit van het onderwijs en zijn dus goed voor
leerling en leraar, zij leveren een forse impuls voor de bouw die dit juist nu
hard nodig heeft, en tenslotte biedt het pensioenfondsen de kans om
maatschappelijk in Nederland te investeren.

Mijn conclusie mag duidelijk zijn: het einde van de ideologie is bepaald niet
aangebroken. De strijd tussen publieke armoede of rijkdom is actueel. Den Uyl
wees er al in de jaren zestig op en ik doe het hem vandaag na: ondanks alles wat
er bereikt is – en dat is véél-, is er voor een partij die strijd voor
rechtvaardigheid en eerlijke kansen, voor de mogelijkheid om van een dubbeltje
een kwartje te worden nog genoeg te doen. En juist deze rechtvaardigheid, deze
eerlijke kansen, dit geloof in sociale stijging, zijn in tijden waarin
onzekerheid over de toekomst heerst, voor heel veel mensen van belang.

Herman Höften, ter nagedachtenis van wie ik deze lezing uitspreek, heeft op
lokaal niveau 30 jaar gevochten voor rechtvaardigheid en eerlijke kansen. Hij
was een politicus die de overheid persoonlijk maakte – zich niet neerlegde bij
bureaucratie en regels, wanneer daardoor de echte taak van de overheid –
vrijheid, gelijkwaardigheid en kansen bieden – in de knel kwam. Zonder mensen
als Herman Höften zou de PvdA haar opdracht en strijdbaarheid verliezen. Maar we
hebben gelukkig heel veel méér mensen zoals Herman Höften, mensen met een groot
sociaal gevoel, wier levensopdracht het is om voor diegenen die het wat minder
hadden in de samenleving een steun in de rug te zijn om vooruit te komen. Een
dus zetten we zijn strijd, onze strijd voort! Net zo lang totdat we overbodig
zijn.’