Hannie Schaft Herdenking

Hannie Schaft Herdenking

Door Job Cohen op 29 november 2010 Delen  

Zondag 29 november mocht ik de spreken bij de
Hannie Schaft Herdenking
2010. Klik op lees verder om mijn speech te lezen

Hannie Schaft Herdenking 2010
Haarlem, zondag 28 november

 

‘Dames en heren,

Ik neem u mee naar 1938, het jaar dat Jannetje Johanna Schaft begon aan een
studie rechten aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. De opkomst van het
nationaalsocialisme en fascisme in Europa was toen al enige tijd voelbaar in de
Amsterdamse universiteitswereld.

Sommige studenten sympathiseerden met de NSB. Een enkele hoogleraar
verkondigde de nationaalsocialistische ideeën zelfs in de collegezaal. Andere
intellectuelen hadden eerder juist een ‘Comité van Waakzaamheid’ opgericht,
omdat ze het als hun taak zagen om het nationaalsocialisme te bestrijden via
publicaties, studiegroepen en conferenties. Een van de leden van het comité was
Menno ter Braak. Hij schreef in 1935 al dat de ‘student veel verschuldigd is aan
de democratie. En daarom is – voor alles – hij geroepen haar tot het uiterste te
verdedigen’. Veel goede hoop daarop had Ter Braak niet: ‘Een der bijna gewijde
tradities van Nederlandse studenten is’, schreef hij, ‘hun afkeer van een
politieke houding’.

Waar was Ter Braak bang voor? Nederland was een democratie en de oorlog was
hier nog niet begonnen. Het ging hem dan ook niet om oorlog. Het ging hem om de
wapening tegen een nieuw en alles overwoekerend gedachtegoed. Het meest van
alles, vreesde hij de intellectuele kracht van de nieuwe beweging. De
nationaalsocialisten waren niet zomaar barbaren. Het waren barbaren met een
eigen verhaal. Een zeer destructief verhaal.

Ter Braak sprak daar regelmatig over met Hendrik Pos, hoogleraar in de
theoretische wijsbegeerte. Hendrik Pos was een opmerkelijk figuur. Hij begon
zijn academische carrière als conservatief aan de gereformeerde Vrije
Universiteit. Hij had zelfs goed contact met Martin Heidegger, de Duitse
filosoof die berucht werd omdat hij nooit afstand zou nemen van zijn sympathie
voor het nationaalsocialisme.

Pos nam die afstand wel, al heel snel. Halverwege de jaren dertig liet hij
zijn geloof los en streed actief mee tegen het nationaalsocialisme. Hij zei
daarover: “we stellen ons op een progressief standpunt en komen met klem tegen
elke terugdringing van de beschaving op. Het monster heeft vele koppen en
daardoor hebben we ons front ertegen verbreed.”

Het is niet toevallig dat we Hannie Schaft terugvinden bij een college van
deze Hendrik Pos. Daar ontmoette ze Philine Polak, een medestudente. In het boek
dat de journalist Ton Kors over Hannie Schaft schreef, vertelt Philine over dit
eerste treffen:

“Ze was daar aan het collecteren voor de vluchtelingen uit Spanje. Hoewel ik
niet in staat was een bijdrage te geven, omdat ik mijn zakgeld had besteed voor
de vluchtelingen uit Duitsland werden we toch bevriend. Later ontmoetten we een
derde studente Sonja Frenk, ook een joods meisje, en met ons drieën hebben we
–laat ik maar zeggen- een driemanschap gevormd dat gezamenlijk studeerde, bij
elkaar at of op visite kwam en af en toe uitstapjes ondernam.”

Dus toch, ondanks de observatie van Menno ter Braak, politiek bewustzijn.
Hannie Schaft was dus al vroeg een uitzondering. Met een aantal gelijkgezinde
studentes richtte ze een nieuw dispuut op.

“We waren eigenlijk allemaal wat vreemde meiden”, vertelde Erna Kropveld
later. Ze was één van de weinige leden van dit dispuut die de oorlog overleefde.
“We hadden allemaal iets merkwaardigs. Wat dat nou precies was, weet ik niet,
maar gemakkelijke tantes waren we niet. De discussies waren meestal fel. Hannie
nam daar bij een vooraanstaande plaats in.”

Die vreemde, geëngageerde Hannie Schaft haalde na het uitbreken van de oorlog
nog wel haar kandidaatsexamen. Maar van studeren kwam niet veel meer. Waar Ter
Braak en Pos zo bang voor waren gebeurde: niet alleen de bezetting van het land,
maar ook de bezetting van de geest. In oktober 1940 moest al het
overheidspersoneel de ariërverklaring ondertekenen. Die trof ook het
universitaire personeel. En een maand later werden joden ook uit overheidsdienst
ontslagen, en zag Hannie Schaft hoe de joodse professoren van de universiteit
verdwenen. Het was het moment waarop professor Cleveringa in Leiden zijn later
beroemd geworden rede hield. Hij sprak over de uitzonderlijke geleerde Meijers:
‘Het is deze Nederlander, deze nobele en ware zoon van ons volk, deze mens, deze
studentenvader, deze geleerde dien de vreemdeling welke ons thans vijandig
overheerst, “ontheft van zijn functie”!’

Hannie Schaft ontfermde zich vervolgens over Philine Polak en Sonja Frenk.
Het studeren werd deze jonge vrouwen in die maanden steeds meer onmogelijk
gemaakt. Bibliotheken en leeszalen werden voor hen verboden terrein. Ook mochten
ze geen lid meer zijn van een studentenvereniging. De bezetting was compleet.
Het moet een enorme indruk op ze gemaakt hebben.

Toen in de lente van 1942 Joden een gele ster moesten gaan dragen, vervalste
Hannie Schaft twee persoonsbewijzen van ongeveer even oude vrouwen voor Sonja en
Philine. Kort daarna werden joden opgeroepen voor de Arbeitseinsatz in
Duitsland. Er kwamen razzia’s in Amsterdam. Hannie Schaft en andere studenten
hielpen de twee jonge vrouwen aan onderduikadressen.

De invoering door de bezetter van de loyaliteitsverklaring gaf voor velen aan
de universiteit de doorslag. Een student zal alleen nog maar worden toegelaten
als hij ‘plechtig’ verklaart, ‘dat hij de in het bezette Nederlandsche gebied
geldende wetten, verordeningen en andere beschikkingen naar eer en geweten zal
nakomen en zich zal onthouden van iedere tegen het Duitsche Rijk, de Duitsche
weermacht of de Nederlandsche autoriteiten gerichten handelingen, zoomede van
handelingen of gedragingen welke de openbare orde aan de inrichtingen van hooger
onderwijs, gezien de vigeerende omstandigheden, in gevaar brengen.’

De Werdegang van de jonge vrouwen in die dagen doet mij denken aan dat van
een andere jonge vrouw in die tijd, ook een studente in de rechten. Mijn moeder,
want over die vrouw heb ik het hier, studeerde aan de Universiteit van Leiden –
en maakte daar de rede van Clevringa mee. Mijn moeder was in Nederland geboren
en getogen. Ja, ze was Joods, maar dat was geen belangrijk aspect van haar
identiteit. Ze was gewoon een Nederlandse vrouw die leefde in een land waarin
verdraagzaamheid als redelijk vanzelfsprekend gold.

Maar voor de bezetters golden joden als Fremdkörper, als vreemde lichamen in
een door etnische kenmerken afgebakende beschaving. Opeens was die jonge,
Nederlandse vrouw veranderd in een ‘vreemde’, iemand die er niet bij hoorde. En
als het aan de bezetters lag er ook nooit meer bij zou horen. Net als Philine en
Sonja en talloze lotgenoten kreeg zij een collectieve identiteit opgedrongen,
een identiteit die eerst zwart werd gemaakt, en vervolgens uitgeroeid moest
worden. De afloop is bekend. Gelukkig niet voor mijn moeder, dankzij een reeks
onderduikadressen. Bij mensen zoals Hannie Schaft en haar ouders.

Het is goed dat de Stichting jaarlijks deze Hannie Schaft-herdenking
organiseert. Dat ze zich ten doel stelt mensen bewust te maken van het gevaar
van fascisme, racisme en discriminatie. Ook nu, juist nu.

Want terwijl ik mij bezon op het thema voor deze lezing, trof mij hoe
gemakkelijk tegenwoordig  het woord ‘fascisme’ wordt gebruikt. Het was jarenlang
méér dan een scheldwoord.  Mensen schrokken er niet alleen van als ze fascist
genoemd werden, het was ook ‘not done’ om het begrip te gebruiken. De gebruiker
shockeerde, maar plaatste zichzelf ook buiten het debat. Inmiddels keert het
begrip vrijwel dagelijks terug in de krant en op tv.

Minstens drie groepen mensen worden in Nederland nu regelmatig voor fascisten
versleten. Ten eerste zijn er de moslims. Geert Wilders noemt de Islam een
fascistische ideologie. Hij vergelijkt het heilige boek van de moslims
regelmatig met Hitler’s Mein Kampf, waarbij dan wat hem betreft Mein Kampf er
goed uitspringt. Als het niet zo pijnlijk was, zouden we er om kunnen lachen.

Er is nog een andere kerk die tegenwoordig fascisten heet te herbergen. De
linkse kerk. Geert Wilders’ collega en inspirator Martin Bosma doet er alles aan
om socialisten en nationaalsocialisten tot vergelijkbare categorieën te
verklaren. Het verkiezingsprogramma van de PVV zegt: ‘op 4 mei gedenken wij de
slachtoffers van het (nationaal) socialisme.  En: ‘Hitler was een socialist,’
zei Bosma niet zo lang geleden in de Volkskrant. Het is een opmerking die
tijdens een eerstejaars werkgroep geschiedenis interessante discussies zou
hebben opgeleverd. In dit geval  was hij ondubbelzinnig bedoeld om andere mensen
tot op het bot te kwetsen.

Ook de derde groep kennen we allemaal: dat zijn de politici van de PVV zelf.
Het is een sinds een paar jaar terugkerend debat of de PVV en haar aanhangers
zélf als fascistisch te kwalificeren zijn.

Eerlijk gezegd vind ik dit een onverstandig debat. Ten eerste omdat het leidt
tot ‘begripsinflatie’. Het historisch beladen begrip wordt steeds minder waard
als  het gebruik ervan minder zeldzaam wordt.

Mijn tweede bezwaar is praktischer. De vergelijkende discussies over de vraag
‘wie fascisten zijn’, leiden af van de werkelijke problemen. Het risico bestaat
dat we op een dag ontdekken dat we een discussie over woorden hebben gevoerd,
waarin zowel de historische als de hedendaagse werkelijkheid geen recht is
gedaan. Dat risico moeten we niet nemen.

De boodschap die ik hier heb is simpel: wie alarm wil slaan, wie wil
waarschuwen voor iets groots en verschrikkelijks, moet niet meedeinen met dit
verbale geweld. Laten we praten aan de hand van de dagelijkse realiteit, niet
aan de hand van een besmeurend begrip, dat ook nog eens op twee of drie manieren
uitgelegd wordt.

Van deze stelregel is Hannie Schaft nog altijd een prachtig voorbeeld. Zij
werd bij de colleges van Hendrik Pos niet gealarmeerd, omdat ze het begrip
‘fascisme’ hoorde en daarom meteen wist wat ze moest doen. Ze zag onrecht in
haar omgeving en handelde er naar. Haar vriendinnen Philine en Sonja werden in
een proces van enkele maanden tot tweederangs burgers gemaakt. Ze werden
beschimpt en vernederd, zonder dat zij daar persoonlijk aanleiding toe hadden
gegeven.

Het waren niet de grote woorden die de doorslag gaven, maar deze geleidelijke
veranderingen in het dagelijks leven. Het moment dat het mensen – haar eigen
vrienden! – verboden werd om zich nog langer met hun eigen samenleving te
identificeren. Wat Hannie Schaft zag was dat Philine en Sonja door de bezetter
een nieuwe identiteit opgelegd kregen. Een totale identiteit, die maar
gedeeltelijk iets met hun persoon te maken had. Mensen werden teruggebracht tot
die ene identiteit. Dat overkwam hen samen met al die andere joden, met
homoseksuelen, met Roma en Sinti. In 1940 werden zij van Nederlanders tot joden,
tot homo’s en tot Roma en Sinti gemaakt.

Om goed te beseffen hoe accuraat het inzicht van Hannie Schaft was, moeten we
in gedachten houden dat zij nog niets wist en kon weten van de gruwelijkheden
die in de jaren daarna te gebeuren stonden. Natuurlijk zal ze over het
nationaalsocialisme gelezen hebben. Maar ze wist niet welk lot de joden te
wachten stond. Juist dat maakt haar verzet bijzonder. Natuurlijk werd zij later
de grote verzetsheldin, het meisje met de rode haren. Maar ik heb het hier over
de vroege periode. Zij liet toen zien dat verzet zich niet alleen tegen Het
Overduidelijke Kwaad hoeft te keren, maar dat er al eerder aanleiding kan zijn
om in opstand te komen. Zij verzette zich niet tegen moord, maar tegen sociale
uitsluiting. Ze verzette zich niet tegen deportatie, maar tegen de afname van
waardigheid. Tegen wat ik eerder de bezetting van de geest noemde.

Mede daarom is het debat over de vraag of en zo ja ‘wie de fascisten zijn’ zo
pijnlijk. Iedereen die een ander ervan beticht fascist te zijn, doet zijn best
om de andere partij een negatieve collectieve identiteit aan te praten. Hij of
zij probeert die ander tot ‘Het Kwaad’ te maken. Er wordt gewerkt met
stereotypen, met uitvergrotingen. Zo worden mensen teruggebracht tot een
eigenschap van het collectief waar ze deel van uitmaken.

Liever zou ik zien dat mensen hun toon zouden matigen. Het is zinloos elkaar
fascist te noemen. Wij moeten ons richten op de praktijk van de uitsluiting. Wij
moeten blijven oppassen voor pogingen om anderen tegen hun zin in een bepaalde
identiteit te forceren. Want het is niet bezwaarlijk om als jood, christen,
moslim of – andere categorie! – sociaaldemocraat gezien te worden, maar als
anderen gaan bepalen dat dit aspect van je  identiteit alle andere aspecten
wegdrukt, is het mis.

Net als Hannie Schaft toen, weten wij ook nu niet waar de toekomst toe leidt.
Maar dat hebben we ook niet nodig om te zien wat er in het heden gebeurt. We
moeten handelen vanuit de werkelijkheid van nu. Ik zie dat de verhoudingen
tussen bevolkingsgroepen verharden, dat groepen mensen in Nederland,
Nederlanders, één identiteit wordt opgedrongen, waar zij zelf niet per se voor
kiezen. Als moslim, als jood, als homo, als ‘Marokkaan’. En dat zij met die
opgedrongen identiteit een vreemde worden. Daar moeten we ons ook nu tegen
verzetten.

Dat is de les van Hannie Schaft en die les geldt vandaag nog steeds.’

Delen: