Goed onderwijs voor elke jongere

Goed onderwijs voor elke jongere

Door Tanja Jadnanansing op 5 december 2012 Delen  

Deze week wordt de onderwijsbegroting besproken. Daarbij gaat het voor de Partij van de Arbeid om de kwaliteit van het onderwijs. Jongeren hebben recht op onderwijs dat het beste uit hen haalt. Om dit te bereiken moeten schoolbestuurders weer weten wat er speelt op school, zijn er meer MBO-stageplaatsen nodig en moet er meer aandacht komen voor techniekonderwijs. Zo brengen we de B terug in beroepsonderwijs.

Allereerst is het van groot belang dat schoolbestuurders weer moeten weten wat er gebeurt op hun scholen. Zij moeten de docenten en jongeren kennen, gewoon op school rondlopen. Dit zou gerealiseerd kunnen worden door bestuurders verplicht te stellen om zich op scholen te vestigen, in plaats van in meestal veel te dure kantoren die kilometers verder liggen.

Ten tweede moet er iets gebeuren met het aanbod van MBO-stageplaatsen. Dit aantal stageplaatsen is al jaren dalende. Het afgelopen jaar alleen al zijn er 27.000 stageplekken verdwenen, terwijl een stage juist heel belangrijk is voor de voorbereiding op het werkveld. Bovendien zijn stages op veel scholen verplicht. Het mag niet zo zijn dat leerlingen hun opleiding moeten stoppen omdat er geen stageplaats beschikbaar is. Daarom stel ik een stage-offensief voor. Per regio moeten er afspraken gemaakt worden, onder landelijke regie, tussen onderwijsinstellingen en bedrijven over het aantal benodigde stageplaatsen per jaar.

Ten derde vind ik het belangrijk dat er op basisscholen aandacht wordt besteed aan techniekonderwijs. Je kunt kinderen niet vroeg genoeg enthousiast maken voor bètavakken, zeker niet nu de vraag naar technisch geschoolde arbeiders stijgt. Samen met VVD-Kamerlid Anne Wil Lucas stel ik voor dat het vak Wetenschap & Techniek geïmplementeerd wordt op iedere basisschool. Om de kwaliteit van dit vak te waarborgen is het uiteraard van belang dat toekomstig leraren op pabo’s les krijgen in dit vak. Hier maken wij dan ook 100 miljoen euro voor vrij.

Lees hier mijn bijdrage aan het debat over de onderwijsbegroting:

Gesproken woord geldt

Voorzitter,

Als nieuwbakken woordvoerder beroepsonderwijs zou ik graag meteen beginnen met de kern van mijn verhaal, namelijk dat de B terug moet in het beroepsonderwijs, maar helaas maakt de casus Amarantis dat ik het toch eerst moet hebben over de B van bestuurders.

Deze bestuurders zorgden niet voor goed beroepsonderwijs, maar wel voor de eigen portemonnee. De integriteit was ver te zoeken. Het zou te makkelijk zijn om alleen de bestuurders als schuldig te bestempelen. Uit het rapport dat maandag aan de minister werd gepresenteerd blijkt dat velen rondom de school hebben gefaald. Niet alleen de inspectie, raad van toezicht of het ministerie had beter moeten opletten, maar ook de bestuurders zelf hadden onderling hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Er waren immers genoeg signalen. De inspectie moet in het vervolg beter optreden, dat is duidelijk.

Ik vraag de minister om een nieuwe visie op governance in het onderwijs met meer zeggenschap voor deelnemers ouders en docenten. Zij verdienen een rol in het toezicht op besturen.

Kwaliteit van het onderwijs komt er alleen als alle instellingen die ermee te maken hebben van hoge kwaliteit zijn. Wij eisen van onze jongeren dat zij over voldoende taal en reken vaardigheden beschikken, dat zij hun opleiding afmaken en dat zij up to date zijn voor de arbeidsmarkt. Dat zijn terechte eisen, maar zo kunnen zij ook eisen van de politiek dat er bij wantoestanden op hun school meteen wordt ingegrepen. En zo kunnen zij ook eisen dat de inspectie goed kijkt naar besteding van gelden en dat de raad van toezicht van hun school goed weet wat er speelt. Een terechte eis zou zijn dat het bestuur een verbod krijgt om elders kantoor te houden. Een bestuurder hoort gewoon op zijn school rond te lopen en zijn docenten en jongeren te kennen. Nadenken over een verbod dat bestuurders in dure kantoren zijn gehuisvest, ze horen gewoon op school.

De toestand bij Amarantis is zorgelijk, maar leidt af van waar het volgens mij over zou moeten gaan als het gaat om het beroepsonderwijs: de B moet terug in het beroepsonderwijs.

De kracht van het beroepsonderwijs is om steeds de koppeling te maken met de participatie van bedrijven op verschillende niveaus. Niet alleen de betrokkenheid bij het formuleren van de kwalificerende eisen voor de beginnend beroepsbeoefenaar, nog belangrijker is de rol van een bedrijf als leerbedrijf. Immers, het onderwijsleerproces speelt zich voor 50% van de onderwijsdeelnemers voornamelijk af binnen de muren van het leerbedrijf. Wij als tweede kamer zien toe op het behoud en verbeteren van de kwaliteit van ons beroepsonderwijs. De focus daarbij is van nature gericht op de onderwijsinstellingen, terwijl het leerbedrijf als onderwijslocatie niet de aandacht krijgt die het verdient.

Versterken van de positie van het leerbedrijf, de deskundigheid van de praktijkopleider en de versterking van de driehoek leerbedrijf, onderwijsinstelling en de regio komen tegemoet aan het gewenste toekomstig vakmanschap van onze jongeren. In hoeverre is de minister bereid om in de deskundigheid van de praktijkopleider te investeren?

De B in het beroepsonderwijs betekent ook stage lopen, maar helaas geven te veel jongeren aan dat zij geen stage kunnen vinden en dat zij daardoor vertraging oplopen. Die stage is broodnodig.
Daarom roep ik de minister op met een stage-offensief te komen om ervoor zorg te dragen dat er per regio afspraken gemaakt worden tussen bedrijfsleven en scholen. Dat in maart al duidelijk is dat er genoeg stageplekken zijn voor het jaar erop. En dat de groep bedrijven in een branche gezamenlijk garant staan en elkaar helpen zodat niemand zijn opleiding vroegtijdig hoeft te staken.

Om die B terug te krijgen moet ook gekeken worden naar in hoeverre scholen kunnen worden gestimuleerd om de organisatie van hun onderwijs beter aan te laten sluiten bij de situatie in de praktijk, dat vraagt om scholen die ruime openstellingstijden kennen. Professionalisering van docenten MBO omvat in elk geval vormen van leren in de praktijk van de branche waarvoor men opleidt.

De B terug in het beroepsonderwijs is ook gebaat met trots zijn op het beroepsonderwijs, op vakmanschap, maar het imago is beroerd. De educatieve wedloop om vooral maar op het Havo terecht te komen is daar een goed voorbeeld van. Een trotse vakman word je niet vanzelf! En dan is de terechte vraag: “hoe zorg je ervoor dat het imago van deze jongeren wordt opgekrikt?” Wellicht door er hier en nu alvast een lans voor te breken, door in ieder debat dat over het onderwijs gaat extra aandacht te vragen voor het belang van deze jongeren in het beroepsonderwijs, immers die hebben wij gewoon nodig in onze kennis en maakeconomie. Want wie repareert straks onze verwarming, onze auto, onze fiets, wie haalt de oogst van het land, en wie haalt het onkruid uit de grond? Vakmanschap is meesterschap en een hamer kunnen vasthouden is ook in onze kenniseconomie goud waard.

Natuurlijk is ook eerlijkheid geboden: niet elke MBO-opleiding leidt meteen naar een baan en er is een mismatch tussen het opleidingenaanbod en de behoefte van de arbeidsmarkt. Teveel jongeren kiezen voor opleidingen die hun leuk lijkt. De ondersteuning om jongeren dan te begeleiden naar een opleiding die niet alleen leuk lijkt, maar ook een boterham oplevert is nog niet genoeg op orde. Eerlijke voorlichting, goede begeleiding en matchingsgesprekken helpen.

De B terug in het beroepsonderwijs is ook taalvaardigheid hebben op elementair niveau; daar is iedereen het over eens. Hierbij merk ik wel op dat de lat die het vorige kabinet heeft gehanteerd voor specifieke groepen te hoog gegrepen is. Het betreft hier een grote groep jongeren, die niet op 16 of 18 jarige leeftijd aan het gestelde taalniveau voldoet. Ik vraag de minister wat zij gaat doen om te voorkomen dat deze groep leerlingen zonder startkwalificatie het onderwijs verlaat. Zou het niet wenselijk zijn om een harde grens, zoals die nu wordt toegepast, in te ruilen voor maatwerk? Zou het niet wenselijk zijn om deze jongeren te blijven stimuleren en vooruitgang te belonen? Om deze jongeren te blijven begeleiden en in hun eigen tempo hun taal en rekenvaardigheden bij te spijkeren?

Hierbij kan de harde grens die nu wordt gesteld een streefniveau worden. Zo zetten we in op ontwikkeling en vooruitgang in plaats van het simpelweg buiten de arbeidsmarkt houden van deze jongeren door het niet toekennen van een startkwalificatie. Dit omdat we er uiteindelijk voor willen zorgen dat deze jongeren hun beroep kunnen gaan uitoefenen en ze stapsgewijs hun taal op niveau kunnen brengen in hun eigen tempo, zodat zij op de arbeidsmarkt en in de samenleving naar behoren kunnen functioneren

Onderwijs met een visie. Een visie die niet in Den Haag wordt bedacht maar in samenspel met de docenten, de jongeren en de samenleving. Misschien wel via crowdsourcing zoals Petra op twitter voorstelde?

Een onderwijsvisie waarbij elke jongere het beste uit zichzelf kan halen, omdat de docent al vroeg zijn of haar talent herkent en de juiste begeleiding weet te bieden. De docent is in die toekomstvisie iemand die genoeg tijd heeft om zich te kunnen voorbereiden op de les, die genoeg tijd heeft om de jongere te begeleiden en die genoeg tijd heeft om maatwerk te kunnen bieden. De docent weet zich gesterkt door een integer bestuur waar onderwijs ook gewoon centraal staat en niet de eigen portemonnee of vriendjeskliek. Die visie omvat, ten slotte, ook een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en terugkeer van de B in het beroepsonderwijs.