Gewoon goed werk voor iedereen

Gewoon goed werk voor iedereen

Door John Kerstens op 6 december 2016 Delen  

Wie je ook bent, wat je ook doet en waar je ook vandaan komt: de Partij van de Arbeid wil gewoon goed werk voor iedereen. Dat is de kern van mijn boodschap bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vandaag en morgen.

Gewoon goed werk. Dat is werk waarmee je je brood kan verdienen. Met iets erop, en iets erbij. Waardoor je jezelf verder kunt ontwikkelen, waarbij je verzekerd bent tegen ziekte, ongeval en voor je oude dag, beschermd bent tegen willekeur van baas of opdrachtgever, dat je kunt combineren met je leven buiten ’t werk en waar je gezond bij blijft.

Gewoon goed werk op een fatsoenlijke arbeidsmarkt. Een arbeidsmarkt waar mensen niet worden gezien als kostenpost waarop je zoveel mogelijk bezuinigt, maar als grootste kapitaal waarin je juist investeert. Waar mensen niet de baantjes aan elkaar hoeven rijgen om thuis de eindjes aan elkaar te kunnen knopen, maar die mensen perspectief biedt en meer zekerheid dan nu. Waar mensen die elkaars collega’s zijn niet elkaars concurrenten worden, niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar samen werken. Waar mensen die extra hulp nodig hebben om mee te kunnen doen niet aan de kant staan, maar gewoon aan de slag kunnen.

De afgelopen jaren hebben we in die strijd voor een fatsoenlijke arbeidsmarkt belangrijke stappen gezet. Vaak schouder aan schouder met de vakbeweging.

Met de Wet Aanpak Schijnconstructies en de Wet Ketenaansprakelijkheid in de transport bijvoorbeeld. Zodat de grote jongens niet langer de andere kant kunnen opkijken als mensen worden uitgebuit. We hebben stappen gezet met de Participatiewet en de Wet Banenafspraak en Quotum. Waardoor het steeds gewoner wordt dat mensen met een beperking aan de slag zijn in het bedrijfsleven en bij de overheid. Omdat maatschappelijk verantwoord ondernemen meer is dan Max Havelaarkoffie schenken. Met de Wet Normering Topinkomens. De strengste in z’n soort in Europa. Zodat weer helder wordt dat mogen werken in de publieke en semipublieke sector om dienen gaat, en niet om verdienen. Met de afschaffing van het wettelijk minimumloon op 21 en 22 en de forse verhoging van dat van jongeren onder de 21. Met het verbeteren van kinderopvang en verlofregelingen, omdat je naast je werk ook nog een leven hebt. Met het als rijksoverheid gewoon zèlf vast in dienst nemen van schoonmakers. Met het garanderen dat mensen die op stukloon werken altijd minstens het minimumloon verdienen. En met de Wet Werk en Zekerheid, die het ontslagrecht eerlijker maakt (zodat niet alleen de goedbetaalde manager, maar ook de bouwvakker of schoonmaker bij ontslag een vergoeding krijgt) en waarmee we een eerste dam proberen op te werpen tegen de afgelopen decennia doorgeslagen flexibilisering.

Maar de strijd om een fatsoenlijke arbeidsmarkt, die is nog niet gestreden. Nog lang niet. Want er is fors verzet tegen. Steeds nieuwe trucs, steeds nieuwe slimmigheidjes, steeds nieuwe constructies, steeds nieuwe verdienmodellen om maar zo goedkoop mogelijk uit te zijn, om over de rug van hardwerkende mensen zelf zo veel mogelijk binnen te slepen. Op de arbeidsmarkt is al een tijd een race naar de bodem aan de gang, en wij proberen die te stoppen. Een race naar de bodem, waarbij steeds meer mensen kopje onder gaan. Steeds meer, maar niet iedereen dus. Met een tweedeling op en rond die arbeidsmarkt als gevolg. Tussen hen voor wie het zzp-schap de volgende stap in de emancipatie van de arbeider is en diegenen voor wie het de klok 100 jaar terugdraaien betekent. Naar de tijd van de dagloner die met de pet in de hand maar moet wachten of er morgen werk, en brood op de plank is. Een tweedeling tussen de haves en de have nots. Tussen insiders en outsiders. Geluksvogels en pechvogels.

We zijn, na vier jaar PvdA in ’t kabinet, hard op weg naar méér werk. Daar moeten we op blijven inzetten. In ons verkiezingsprogramma lanceren we een plan voor 100.000 banen voor mensen met zoals dat heet ‘een afstand tot de arbeidsmarkt’. Maar het moet steeds gaan, steeds méér gaan, om fatsoenlijk werk, om eerlijk werk. Of je ’t voor mensen allemaal nog beroerder wil maken of ze perspectief en meer zekerheid wil bieden, of je steeds maar meer flex als probleem ziet of als oplossing, als onvermijdelijk of als een keuze die ook ànders kan, anders moet: dáár gaat het om. Vandaag, bij de komende verkiezingen, en daarna. De Partij van de Arbeid is wat dat betreft helder: de race naar de bodem waardoor steeds meer mensen kopje onder gaan, die moet stoppen!

Hieronder lees je mijn volledige bijdrage.


Voorzitter,

Wie je ook bent, wat je ook doet en waar je ook vandaan komt: de Partij van de Arbeid wil gewoon goed werk voor iedereen.

En gewoon goed werk, dat is werk waarmee je je brood kan verdienen. Met iets erop, en iets erbij. Waardoor je jezelf verder kunt ontwikkelen, waarbij je verzekerd bent tegen ziekte, ongeval en voor je oude dag, beschermd bent tegen willekeur van baas of opdrachtgever, dat je kunt combineren met je leven buiten ’t werk en waar je gezond bij blijft.

Gewoon goed werk op een fatsoenlijke arbeidsmarkt. Dàt is waar de Partij van de Arbeid voor staat. Een arbeidsmarkt waar mensen niet worden gezien als kostenpost waarop je zoveel mogelijk bezuinigt, maar als grootste kapitaal waarin je juist investeert. Waar mensen niet de baantjes aan elkaar hoeven rijgen om thuis de eindjes aan elkaar te kunnen knopen, maar die mensen perspectief biedt en meer zekerheid dan nu. Waar mensen die elkaars collega’s zijn niet elkaars concurrenten worden, niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar samen werken. Waar mensen die extra hulp nodig hebben om mee te kunnen doen niet aan de kant staan, maar gewoon aan de slag kunnen.

De afgelopen jaren hebben we in die strijd voor een fatsoenlijke arbeidsmarkt belangrijke stappen gezet. Vaak schouder aan schouder met de vakbeweging.

Met de Wet Aanpak Schijnconstructies en de Wet Ketenaansprakelijkheid in de transport bijvoorbeeld. Zodat de grote jongens niet langer de andere kant kunnen opkijken als mensen worden uitgebuit. Want dan krijgen ze zelf de rekening. Een flinke steun in de rug van buitenlandse collega’s die hun mond vaak niet open durven doen, omdat alles wat ze dat oplevert een enkele reis Warschau is. Maar vooral ook van de Nederlandse werknemer (in de bouw, in de transport en op heel veel andere plekken) die als zogenaamd ‘te duur’ aan de kant word gezet. ‘Voor jou twee Polen, drie Bulgaren, of vier Roemenen.’ De vakbonden, die niet voor niks hebben gedemonstreerd vóór deze wetten, zijn er blij mee.

We hebben stappen gezet met de Participatiewet en de Wet Banenafspraak en Quotum. Waardoor het steeds gewoner wordt dat mensen met een beperking aan de slag zijn in het bedrijfsleven en bij de overheid. Als collega tussen de collega’s. Omdat maatschappelijk verantwoord ondernemen meer is dan Max Havelaarkoffie schenken.

Met de Wet Normering Topinkomens. De strengste in z’n soort in Europa. Zodat weer helder wordt dat mogen werken in de publieke en semipublieke sector om dienen gaat, en niet om verdienen.

Met de afschaffing van het wettelijk minimumloon op 21 en 22 en de forse verhoging van dat van jongeren onder de 21.

Met het verbeteren van kinderopvang en verlofregelingen, omdat je naast je werk ook nog een leven hebt.

Met het als rijksoverheid gewoon zèlf vast in dienst nemen van schoonmakers.

Met het garanderen dat mensen die op stukloon werken altijd minstens het minimumloon verdienen.

En met de Wet Werk en Zekerheid, die het ontslagrecht eerlijker maakt (zodat niet alleen de goedbetaalde manager, maar ook de bouwvakker of schoonmaakster bij ontslag een vergoeding krijgt) en waarmee we een eerste dam proberen op te werpen tegen de afgelopen decennia doorgeslagen flexibilisering.

Doorgeslagen flexibilisering die volgens anderen onvermijdelijk is of zelfs ‘de oplossing’: volgens de Partij van de Arbeid is het dat niet. Zeker niet. Integendeel. Flex, niet omdat er bijvoorbeeld sprake is van piek en ziek en je daar met je bedrijf snel op wil (op moet) inspelen, maar omdat ’t de goedkoopste manier is om mensen voor je aan het werk te zetten, ìs geen oplossing. Het is een probleem. Een groot probleem. Voor de mensen die er de dupe van zijn, voor hen die hun eigen arbeidsvoorwaarden erdoor naar beneden gezogen zien worden, voor bedrijven en branches die zo op den duur hun eigen graf graven, voor de arbeidsmarkt als geheel, voor onze samenleving.

Recent onderzoek bevestigt het nog eens: die troosteloze, die uitzichtloze, die kansloze flex slaat vooral neer bij die mensen die dat ’t slechtst kunnen lijen: mensen die ’t niet allemaal cadeau krijgen in het leven, die niet de meeste kansen hebben gekregen, niet de hoogste opleiding hebben kunnen volgen. Maar die ook gewoon die boterham met iets erop en iets erbij, voor zichzelf en voor hun gezin, willen verdienen. Zouden moeten verdienen. En dus niet bij die 79% van de aanwezigen op een groot congres van uitzendbureaus pas geleden waarbij uitgebreid de lof van flex werd bezongen, maar die zelf wel allemaal een vast contract hadden. Zij wel.

Die strijd, die strijd om een fatsoenlijke arbeidsmarkt, die is nog niet gestreden. Nog lang niet. Want er is fors verzet tegen. Steeds nieuwe trucs, steeds nieuwe slimmigheidjes, steeds nieuwe constructies, steeds nieuwe verdienmodellen om maar zo goedkoop mogelijk uit te zijn, om over de rug van hardwerkende mensen zelf zo veel mogelijk binnen te slepen. Uitgebuite Filipijnen op de vrachtwagen, onderbetaalde Bulgaren en Turken op de steiger, hun Nederlandse collega’s aan de kant, jongeren die na hun afstuderen alleen als stagiaire aan de slag kunnen (want dan kun je met een boekenbon worden afgescheept), mensen die jaren lang vast werk doen maar daar geen vast contract voor krijgen, oproepkrachten die maar moeten afwachten of, wanneer en hoe lang ze worden opgeroepen en of, wanneer en hoeveel inkomen ze dus hebben. Mensen die geen zekerheid hebben. Maar ook geen keus. Geen andere keus dan ’t allemaal maar te accepteren.

Voorzitter,
Op de arbeidsmarkt is al een tijd een race naar de bodem aan de gang, en wij proberen die te stoppen. Een race naar de bodem, waarbij steeds meer mensen kopje onder gaan. Steeds meer, maar niet iedereen dus. Met een tweedeling op en rond die arbeidsmarkt als gevolg. Tussen hen die meedoen, en zij die aan de kant staan. Tussen hen voor wie het zzp-schap de volgende stap in de emancipatie van de arbeider is en diegenen voor wie het de klok 100 jaar terugdraaien betekent. Naar de tijd van de dagloner die met de pet in de hand maar moet wachten of er morgen werk, en brood op de plank is. Een tweedeling tussen de haves en de have nots. Tussen insiders en outsiders. Geluksvogels en pechvogels.

Zo’n tweedeling is voor de Partij van de Arbeid onaanvaardbaar, en voor onze samenleving onhoudbaar. Daar doen we dan ook aan wat we kunnen. Maar er moet méér gebeuren. De Partij van de Arbeid wìl er ook méér aan doen. Wij wel.

Niet door de andere kant op te kijken en zo het spreekwoordelijke water naar het even spreekwoordelijke laagste punt te laten stromen. Niet door dat laagste punt nog wat láger te leggen, door eindeloze reeksen van tijdelijke contracten, door voor te stellen cao’s af te breken en en passant vakbonden een kopje kleiner te maken. En ook niet door van alle mensen die nog wèl enige zekerheid hebben díe zekerheid af te pakken onder het motto ‘even slecht is ook gelijk’, door voor te stellen het ontslagrecht de nek om te draaien en vervolgens elke flexbaan gewoon een vaste baan te noemen.

Het onder het motto ‘u zoekt het allemaal zelf maar uit’ afbreken van ons arbeidsrecht, van ons sociale stelsel, zal veel mensen opbreken. Zal onze samenleving opbreken.

Wat nodig is om die race naar de bodem te stoppen, is een norm stellen: de norm dat werkgevers fatsoenlijk met hun mensen omgaan. En hetzelfde geldt voor opdrachtgevers.

Mijn ideaal, dat van de Partij van de Arbeid, om dat te bereiken is niet de boel afbreken, maar bouwen. Bouwen aan een gelijk speelveld. Qua rechten (en plichten) voor werkenden, wat betreft kosten en risico’s voor werkgevers en opdrachtgevers. Ons ideaal, maar ook noodzakelijk. Zodat er weer eerlijke keuzes gemaakt worden. Op een fatsoenlijke arbeidsmarkt. En de onzekerheid, die aan mensen vreet, die aan onze samenleving vreet, wordt teruggedrongen.

Daar hebben we zoals gezegd al een aantal flinke stappen in gezet. Maar meer stappen zijn nodig. En een deel daarvan kunnen, móeten, we nu al zetten.

Daarom vraag ik de minister om z’n strijd in Europa voor ‘gelijk loon voor gelijk werk’ nog steviger voort te zetten. Daar waar het de regels zèlf zijn die ervoor zorgen dat de een wordt onderbetaald en de ander weggeconcurreerd, moeten die regels anders. Of weg. Eerst de Detacheringsrichtlijn, en daarna de regels die premieshoppen in de sociale zekerheid mogelijk maken. Noodzakelijk voor een socialer Europa. Ik vraag de minister om ervoor te zorgen dat Nederland bij bijvoorbeeld de onderhandelingen die volgen rondom de zogenaamde ‘Brexit’ stevig inzet op het schrappen van foute regels. En om te doen wat ik ‘m onlangs hoorde zeggen: stoppen met arbeidsmigratie als dat leidt tot onderbetaling van de een en wegconcurreren van de ander.

Wat ik ‘m óók (en opnieuw) vraag, is daar waar het onze eigen regels zèlf zijn die grote verschillen in loonkosten veroorzaken en dus bijdragen aan die race naar de bodem, ook díe regels aan te pakken. De expatregeling (onderhand meer misbruikt dan gebruikt) en het convenant tussen fiscus en uitzendbranche dat Nederlands werknemers duurder maakt voorop.

Ik vraag de minister de tijdelijke uitbreiding van de arbeidsinspectie die na een eerdere motie die ik indiende bij het sociaal akkoord werd overeengekomen nu structureel te maken en in het voorjaar te kijken wat daarbovenop moet en kan. Goede handhaving is het sluitstuk van een effectieve aanpak van misstanden, niet de sluitpost. Daarnaast vraag ik ‘m om met z’n collega van Infrastructuur en Milieu nu snel een eind te maken aan de mensonterende toestanden op parkeerplaatsen in het hele land waar Oost-Europese chauffeurs gedwongen wekenlang in hun truck bivakkeren en hun potje op een campinggasstelletje moeten koken. Tijdens het rondetafelgesprek dat de Kamer onlangs had over de misstanden in de transportsector, stond het aanpakken dáárvan met stip op één.

Voorzitter,
Als het gaat om stappen richting een fatsoenlijke arbeidsmarkt: onlangs deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak over payrolling. Een uitspraak met verstrekkende, en geen fraaie, gevolgen voor werknemers: die kunnen eindeloos aan het lijntje worden gehouden. Uit de beantwoording van de Kamervragen die ik daarover stelde, maak ik op dat de minister daar net als ik iets aan wil doen. Klopt dat?

Vorige week hebben we als het gaat om de voorbeeldrol van de overheid zelf aangaande een fatsoenlijke arbeidsmarkt meters gemaakt door gemeenten te verplichten echte beschutte werkplekken te maken, dus mensen met bijvoorbeeld ernstige beperkingen niet langer via dagbesteding af te schepen met een uitkering maar ze gewoon loon te betalen. Ik dring bij de staatssecretaris al langer aan om gemeenten óók te verplichten meer werk te maken van het tegengaan van verdringing bij reïntegratie van uitkeringsgerechtigden waardoor om het zomaar te zeggen flexbanen ex-banen worden. M’n voorstel om van gemeenten te verlangen dat ze van tevoren toetsen op verdringing (waarbij iemand dus z’n betaalde baan verliest omdat die door een ‘gratis’ iemand wordt ingenomen) gaat haar steeds te ver. Toch doe ik dat voorstel hierbij nòg een keer: laat gemeenten vrij in hoe ze zo’n toets vormgeven (met een commissie met de vakbond erin of via een meldpunt bijvoorbeeld), maar verplicht ze om het in ieder geval te dóen.

Voorzitter, nu ik toch bij de Participatiewet ben aanbeland: cruciaal voor het aan de slag komen van de mensen voor wie de wet bedoeld is, is het door gemeentes en UWV, maar vooral voor werkgevers inzichtelijk hebben wie iemand is, wat-ie kan, wat-ie wil en wat er voor nodig is om daar te komen, wat iemands talenten zijn, en ja: ook iemands beperkingen. Met de pas gepresenteerde ‘kandidatenverkenner’ is daartoe een belangrijke stap gezet. Een stap die ik verder wil brengen, in het hele land. Daarom mijn beroep op de staatssecretaris om daar extra geld uit te trekken voor elk van de 35 arbeidsmarktregio’s.

Om in die regio’s bovendien nog een extra slinger te geven aan dat bij elkaar brengen van werkgevers en kandidaten, zou ik graag een aantal ‘trekkers’ uit de mensen voor wie de wet bedoeld is zèlf zien. Ik heb gezien dat niks zo inspirerend, zo enthousiasmerend werkt als echte mensen die weten waar het om gaat, die om dat verschrikkelijke woord toch maar te gebruiken ‘de doelgroep’ een gezicht èn een stem geven. Ik wil van de staatssecretaris weten of ze bereid is ook daar geld voor uit te trekken.

Daarnaast heb ik eerder, onder meer in het vragenuur, gepleit voor het verlengen van de extra inzet op voorlichting over werken over de grens. Daar liggen kansen op werk, en die moeten we pakken. Ik herhaal dan ook mijn pleidooi om daar ook na 2019 extra geld voor in te zetten.

Als het gaat om kansen op werk sluit ik me overigens aan bij wat m’n VVD-collega heeft gezegd over extra scholing voor werkzoekenden. De scholingsvouchers die we daar samen voor hebben bedacht, slaan flink aan. Vooral mensen met een VMBO- en een MBO-opleiding hebben er profijt van. Voortzetten dus!

Gewoon goed werk betekent ook werk dat je niet ziek maakt. Waaraan je niet dood gaat. Daarom heeft de Partij van de Arbeid bijvoorbeeld gepleit voor een onafhankelijk instituut beroepsziekten. De minister is daarover in gesprek. Ik vraag ‘m nu al te besluiten dat beroepsziekten het centrale thema wordt van de over een tijdje, als de huidige over werkstress afgelopen is, van start gaande arbocampagne van de overheid.

Ik vraag ‘m ook na te denken over of voor slachtoffers van de zogenaamde ‘schildersziekte’ een regeling kan worden getroffen die vergelijkbaar is met wat we een aantal jaar terug voor asbestslachtoffers hebben gedaan.

Voorzitter,
Uit de cijfers blijkt dat de armoede in Nederland terugloopt. Dat is goed nieuws. Bovenop de 100 miljoen die het kabinet al zowat vanaf het begin extra heeft vrijgemaakt om armoede te bestrijden en een eenmalige impuls om kinderen die in armoede opgroeien mee te laten doen met sport en dergelijke, is afgelopen Prinsjesdag 100 miljoen (elk jaar opnieuw) uitgetrokken voor dat laatste. Zo kunnen de kinderen in kwestie gewoon meedoen: mee op schoolreisje, naar de sportclub, een nieuwe winterjas. In de tweede termijn zal ik een motie indienen om te zorgen dat dat geld ook echt bij hen terechtkomt.

Voorzitter,
Voordat ik ga afsluiten, vraag ik nog aandacht voor de positie van oudere werknemers. Ik zou graag op korte termijn inzicht krijgen in hoeverre ze bij faillissement en een doorstart wel dan niet mee gaan naar een nieuwe werkgever. Daar is veel discussie over. Ik heb daar naar aanleiding van een paar grote faillissementen in de winkelbranche een paar keer schriftelijke vragen over gesteld en duik daar graag verder in. Daarnaast herinner ik de minister even graag aan het rare verhaal dat ouderen die een paar jaar voor hun pensioen hun baan kwijtraken tot dat pensioen moeten blijven solliciteren terwijl hun collega’s die in het laatste jaar voor hun pensioen worden ontslagen dat niet hoeven. Minister: trek dat gelijk. Laat de sollicitatieplicht voor beiden vervallen. En tenslotte, wat dit onderwerp betreft, vraag ik hoe de minister aankijkt tegen het eventueel verlengen van de zogenaamde ‘IOAW-regeling’ voor oudere werklozen die na het zonder een nieuwe baan te vinden na het doorlopen hebben van de WW-periode aanspraak moeten maken op een bijstandsuitkering.

Voorzitter,
De Nederlandse economie is de snelste groeier in de eurozone. De werkgelegenheid, die bij het aantreden van het kabinet razendsnel daalde, neemt inmiddels harder toe dan de afgelopen tien jaar het geval is geweest. We hebben voor het eerst in onze geschiedenis meer dan tien miljoen banen. De werkloosheid, die bij het aantreden van het kabinet steeg en steeg, daalt inmiddels sneller en sneller, er zijn de laatste zeven jaar nog nooit zoveel jongeren aan het werk geweest, oudere werkzoekenden vinden weer makkelijker een baan. De armoede neemt af. En er komen, voor het eerst in jaren, ook weer meer vaste banen bij (alleen al het laatste kwartaal 48.000 nieuwe).

We zijn dus, na vier jaar PvdA in ’t kabinet, hard op weg naar méér werk. Daar moeten we op blijven inzetten. In ons verkiezingsprogramma lanceren we een plan voor 100.000 banen voor mensen met zoals dat heet ‘een afstand tot de arbeidsmarkt’. In m’n tweede termijn morgen zal ik een motie indienen die ingaat op de werkgelegenheidskansen die een duurzamere economie met name voor hen biedt. Maar het moet ook steeds gaan, steeds méér gaan, om fatsoenlijk werk, om eerlijk werk. Of je ’t voor mensen allemaal nog beroerder wil maken of ze perspectief en meer zekerheid wil bieden, of je steeds maar meer flex als probleem ziet of als oplossing, als onvermijdelijk of als een keuze die ook ànders kan, anders moet: dáár gaat het om. Vandaag, bij de komende verkiezingen, en daarna. De Partij van de Arbeid is wat dat betreft helder: de race naar de bodem waardoor steeds meer mensen kopje onder gaan, die moet stoppen!

Een verbonden samenleving

Eerlijke spelregels zijn nodig. Zodat grote bedrijven netjes belasting betalen, net als de bakker op de hoek. Zodat we uitbuiting van werknemers aanpakken. En zodat we minder schreeuwen en beter naar elkaar luisteren.

Lees ons verkiezingsprogramma