Flex en veiligheid

Flex en veiligheid

Door John Kerstens op 23 mei 2013 Delen  

In een overleg met minister Asscher heb ik hem gewezen op de relatie tussen flexwerk en (on)veiligheid en hem verzocht daar actie op te ondernemen. Ook heb ik aandacht gevraagd voor het feit dat in een aantal sectoren steeds vaker geconcurreerd wordt op veiligheid en arbeidsomstandigheden. En dan niet zoals de PvdA dat graag zou zien (‘Koop bij mij, want ik heb mijn zaakjes goed op orde’), maar precies andersom (‘Koop bij mij, want ik ben goedkoper omdat ik bespaard heb op veiligheid en goede arbeidsomstandigheden’). Tenslotte heb ik mijn zorgen geuit over het snel teruglopend aantal nieuwe bedrijfsartsen. Lees verder voor mijn integrale bijdrage in het overleg.

Voorzitter,
Op de agenda staan vandaag een negental punten. Elk voorzien van achterliggende stukken. Ik zal het de minister, maar vooral de verslaglegger van ons overleg, niet aandoen al die punten hier stuk voor stuk uitputtend te bespreken. Mezelf overigens ook niet.

Wel heb ik er, alle stukken lezend, een rode draad uit gedestilleerd waaraan ik mijn bijdrage wil ophangen. Een rode draad waar ik, bijvoorbeeld in de vorm van schriftelijke vragen maar ook in ons vorige overleg, al eerder op heb gewezen.

En die rode draad is dat de kwetsbare positie die een aantal mensen op de arbeidsmarkt heeft zich naar mijn mening ook manifesteert daar waar het onderwerpen als arbeidsomstandigheden en veiligheid betreft. Of het nu om koeriers die pakketten rondbrengen gaat of om collega’s uit Midden- en Oost-Europa die in de champignonsector of in distributiecentra aan de slag zijn (om toch maar even te verwijzen naar een aantal van die negen agendapunten waar ik het net over had): op de een of andere manier heb ik het idee dat ze grotere risico’s lopen dan gemiddeld. In ieder geval grotere risico’s dan ze zouden moeten, en hoeven, lopen.

En volgens mij heeft dat te maken met een mix van omstandigheden waar de mensen waar het hier om gaat vaak mee te maken hebben. Een gevaarlijke mix.

In de eerste plaats hebben betrokkenen vaak een of ander flexcontract. Is er sprake van een (soms vage in de zin van lastig juridisch te duiden, denk aan de zzp-constructie van veel koeriers,) arbeidsrelatie die veel onzekerheid meebrengt. Onzekerheid die ertoe leidt dat je eerder je mond houdt tegenover je werkgever dan dat je ‘m opendoet, bijvoorbeeld om voor je rechten op te komen. Of het nou gaat om te weinig salaris krijgen, te lange dagen moeten maken of onder onveilige omstandigheden je werk moeten doen: de kans dat je ’t allemaal slikt is in dit soort gevallen net even wat groter. En dus ook de kans dat je wordt onderbetaald, meer uren werkt dan toegestaan of meer risico op een ongeval of gezondheidsschade loopt.

In de tweede plaats zijn ze vaak werkzaam in sectoren waar vooral, soms zelfs uitsluitend, op prijs wordt geconcurreerd. Dat is vaak ook precies de reden dat in de bedrijfstakken in kwestie zo’n groot beroep op flex wordt gedaan. En maakt het verleidelijk om te zien of je ook op zaken als arbeidsomstandigheden en veiligheid kunt besparen, bijvoorbeeld door een aantal veiligheidsmaatregelen maar niet te nemen. Een probleem ook bijvoorbeeld in een sector als de bouw: concurreren op veiligheid. En dan niet zoals we het graag zouden willen zien (‘Kies mij, want ik heb mijn zaakjes goed voor mekaar’), maar precies andersom. (‘Ik ben goedkoper; waarom zeg ik er even niet bij’).

En in de derde plaats weten we allemaal dat in scholing en opleiding van de gemiddelde flexwerker minder wordt geïnvesteerd, ook rondom veilig werken bijvoorbeeld.

Ik zei dat ik al eerder aandacht voor de relatie tussen flex en veiligheid heb gevraagd, bijvoorbeeld in een setje schriftelijke vragen over ‘jongeren (die ook relatief vaak in flexbaantjes werken) en arbeidsomstandigheden’. In z’n beantwoording toen gaf de minister aan een dergelijk verband eigenlijk niet te zien. Toch zou ik ‘m hierbij willen vragen nog eens te reflecteren op hetgeen ik zojuist heb gezegd. Niet alleen omdat in recent onderzoek van CBS en TNO (toch niet de minste in het veld) wordt beweerd dat flexwerkers meer gezondheidsrisico’s lopen en dat verband er dus wèl is en eenzelfde geluid te vernemen viel in het gesprek dat een aantal van ons gisteren met een vertegenwoordiging van de SER had, maar ook in relatie tot het vorige maand door de minister met vakbonden en werkgevers gesloten sociaal akkoord.

Daarin wordt een duidelijke aanzet gegeven voor het aanpakken van de op onze arbeidsmarkt doorgeschoten flexibilisering. Geen verrassing: ik ben daar erg blij mee. Heb er in mijn vorige baan, als voorzitter van FNV Bouw, ook vaak op aangedrongen. Maar die doorgeschoten flexibilisering leidt tot meer dan de bekende trits uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing. Volgens mij, en velen met mij, leidt ze bijvoorbeeld ook tot meer onveilige situaties, meer bedrijfsongevallen en meer gezondheidsschade.

Ik zou de minister willen vragen om bij de uitwerking van het sociaal akkoord, en in het verdergaande debat over flexibilisering, ook aandacht te besteden (meer aandacht te besteden) aan die relatie tussen flex en veiligheid. Misschien wel door de 35 extra arbeidsinspecteurs die nu in het kader van het door mij eind vorig jaar gevraagde actieplan in overleg met sociale partners in de regio en in sectoren aan de slag gaan ook aandacht te laten besteden aan arbeidsomstandigheden en veiligheid. Wellicht zou de minister bij zijn bezoek aan de Eemshaven aan ’t eind van deze maand mijn daar actieve oud-collega’s van de FNV ook eens kunnen vragen naar die relatie.

Overigens maak ik van deze gelegenheid gelijk gebruik om de minister te vragen of hij van mening is dat hij met de aanstelling van bedoelde extra inspecteurs invulling heeft gegeven aan de door hem bij de begrotingsbehandeling aan mij gedane toezegging van een ‘businesscase’ voor de Inspectiedienst die zou moeten leiden tot extra arbeidsinspecteurs. De SER in ieder geval gaat ervan uit dat dat niet zo is en dat nog over een businesscase zal worden gesproken.

Ik zou de minister eveneens willen vragen of hij, c.q. de Inspectiedienst SZW, óók een relatie ziet tussen de crisis en een verminderde aandacht voor arbeidsomstandigheden en veiligheid. Ik wees al op de situatie in bijvoorbeeld de bouw waar zeker ook afgelopen winter bouwvakkers onder onverantwoorde weersomstandigheden en ondanks andersluidende afspraken in de cao toch de steiger op zijn gestuurd. Ze durven daar, uit angst hun baan te verliezen, geen nee tegen te zeggen. Ik zou graag van de minister willen weten of hij bijvoorbeeld ook het teruggelopen aantal bedrijfshulpverleners tegen die achtergrond ziet en of (als hij mijn analyse deelt) een en ander consequenties heeft voor bijvoorbeeld de inzet van de inspectie.

En dan nog drie korte, maar niet onbelangrijke, puntjes.

Ik zou de minister willen vragen of hij de bijzondere betekenis van de datum 28 april kent. Dat is Worker’s Memorial Day, de dag dat over de hele wereld wordt stilgestaan bij mensen die tijdens of in verband met hun werk overlijden. Dat zijn er elk jaar meer dan twee miljoen. Ik ga hier niet pleiten voor een extra vrije dag (hoewel dat om voor de hand liggende redenen geen gek idee zou zijn de dag na Koningsdag), maar ik vraag de minister wel of hij in het vervolg, als verantwoordelijk bewindspersoon in dezen, aandacht aan Workers’ Memorial Day zou willen besteden.

Sociale partners en minister lijken elkaar te hebben gevonden na het unanieme SER-advies. Dat is goed nieuws. Aandachtspuntje voor de korte termijn daarbij is ten nog wel de steeds nijpender wordende situatie rondom de stilgevallen instroom van bedrijfsartsen. Ik weet dat de NVAB, de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde, inmiddels een projectvoorstel met daarin een aantal concrete korte-termijnacties heeft gemaakt. Gelet op het grote, algemene belang van een en ander zou ik de minister willen verzoeken met een welwillend oog naar mogelijke ondersteuning daarbij vanuit het ministerie te willen kijken.

Ten slotte: in de brieven over zowel de vorige als de komende ILO-conferentie wordt melding gemaakt van discussie over het mandaat van het zogenaamde comité van deskundigen als het gaat om de interpretatie van ILO-verdragen. Informeel overleg naar aanleiding daarvan heeft nog niet tot een oplossing geleid. Ik zou de minister willen vragen hier, maar vooral ook in Genève vast te houden aan het Nederlandse standpunt dat wij erg hechten aan het zogenoemde ‘supervisory mechanism’ en te bevestigen dat bedoeld mandaat daar onlosmakelijk deel van uitmaakt.

Ter verduidelijking: het gaat hier om de interpretatie van ILO-verdrag 87 over kortweg het stakingsrecht. Ik ga ervan uit dat ook dat voor het kabinet niet ter discussie staat.