Een lange, harde strijd

Een lange, harde strijd

Een lange, harde strijd

Door De Redactie op 29 januari 2014 Delen  

Het eerste landelijke gemeenteraadsprogramma was van de SDAP. Hiermee had de jonge partij een Nederlandse primeur. Toch duurde het nog lang voordat de idealen van de oprichters werkelijkheid werden. De geschiedenis van de SDAP in vogelvlucht.

Jan Schaper kwam uit een groot arbeidersgezin in Groningen. Hij was huis- en decoratieschilder. Door een val uit een dakgoot raakte hij op zeventienjarige leeftijd ernstig gewond. Het herstel duurde bijna twee jaar. Die tijd gebruikte hij om een enorme berg boeken te lezen enzich zo te ontwikkelen. Op zijn achttiende meldde hij zich aan als lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB), een voorloper van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Schaper was een van de ‘twaalf apostelen’ die de SDAP in 1894 oprichtten. In 1897 deed de partij voor het eerst mee aan de gemeenteraadsverkiezingen. Dat leverde vier zetels op: één in Friesland (T. de Boer, Idaarderadeel) en drie in Groningen: G. Petersen (Sappemeer), H. Wolterman (Zuidbroek) en Schaper, die in de stad Groningen 453 stemmen kreeg. Hij had de kiezers beloofd te zullen ijveren voor ‘kindervoeding van gemeentewege’ om te voorkomen ‘dat ook maar één kind hongerig op de schoolbanken zit’. Verder wilde hij een fatsoenlijk loon voor gemeentepersoneel, billijke bestekbepalingen bij aanbestedingen en toegang tot het middelbaar onderwijs voor kinderen met talent uit arme gezinnen. Ook mochten, als het aan Schaper lag, de slecht betaalde mannen van de gemeentereiniging bij de arbeiders thuis geen tonnen met uitwerpselen meer ophalen tijdens lunchtijd, omdat zij dan in de stank zaten. Schaper beloofde vooral te zullen opkomen voor de belangen van het ‘arbeidende en neringdoende, niet-bezittende deel der burgerij. Ik meen dat dit in onze raad zeer nodig is.’

Gemeenteraadsprogramma
Schapers beloftes werden de basis voor het eerste landelijke gemeenteraadsprogramma van de SDAP. Dat programma is van 1899 en daarmee had de nog jonge SDAP de primeur in de vaderlandse geschiedenis. De confessionele en liberale partijen volgden pas later. Zelfs internationaal liep de SDAP hiermee voorop; de Duitse sociaaldemocraten bijvoorbeeld kregen pas in 1928 een gemeenteprogram. Ook met de oprichting van een eigen vereniging voor lokale bestuurders in 1901 waren de sociaaldemocraten in ons land de eersten. Het eerste gemeenteprogramma, opgesteld door een commissie waarvan Schaper als raadslid deel uitmaakte, bevatte een fors aantal ‘eisen’: uitbreiding van het gemeentelijk grondbezit, gemeentelijke zorg voor armen, zieken, gebrekkigen en werklozen, kosteloos lager- en middelbaar onderwijs, keuring van levensmiddelen, hogere lonen en een uitkering bij ziekte voor gemeentewerklieden. Er moesten arbeiderswoningen worden gebouwd en elke woning moest op het waterleidingnet worden aangesloten. Voorts dienden er gemeentelijke bad-, was- en slaaphuizen te komen. Nutsbedrijven moesten in handen van de gemeente komen, er moesten progressieve gemeentelijke belastingen worden ingevoerd en bepalingen in plaatselijke verordeningen die de vrijheid van drukpers en vergadering belemmerden, moesten worden geschrapt. De burgemeester zou, als het aan de SDAP lag, niet meer door het Rijk maar door de gemeenteraad worden benoemd, en hetzelfde gold voor de aanstelling van het gemeentelijke politiepersoneel. 

Nachtwakersstaat
In die tijd was er op maatschappelijk gebied inderdaad nog veel te verbeteren. Het sociale beleid stond nog in de kinderschoenen. De Gemeentewet van 1851, geesteskind van de liberaal Thorbecke, had slechts een beperkte democratisering gebracht. Er kwamen wel rechtstreeks gekozen gemeenteraden, maar het kiesrecht was alleen voor de elite weggelegd en vrouwen hadden nog geen stemrecht. De overheid, meende men in die tijd, moest zich zo veel mogelijk onthouden van ingrijpen in het sociale leven en zich beperken tot het handhaven van de openbare orde en wetten. Aan deze ‘nachtwakersstaat’ kwam pas geleidelijk een einde. Een van de eerste sociale wetten was het bekende ‘Kinderwetje’ van het liberale Kamerlid Samuel van Houten uit 1874, dat kinderarbeid enigszins aan banden legde. In 1900 kwam er een Leerplichtwet, die het gemeentebesturen ook mogelijk maakte voeding en kleding aan behoeftige schoolkinderen te verstrekken. In 1901 werden arbeiders bij bedrijfsongevallen financieel schadeloos gesteld (tot 70 procent) krachtens de Ongevallenwet. Belangrijk waren verder de Woningwet en de Gezondheidswet van 1901, die verbetering van arbeiderswoningen mogelijk maakten. Al die maatregelen werden doorgevoerd door kabinetten zonder sociaaldemocraten, al oefenden die vanuit de oppositie (in 1897 veroverde de SDAP haar eerste twee Kamerzetels) natuurlijk wel veel druk uit. Pas in 1939 zou de partij voor het eerst twee ministers leveren.

Kiesrecht
Ook in de gemeenteraden had de partij lange tijd een zwakke positie. Confessionelen en liberalen maakten overal de dienst uit en die waren niet te porren voor ingrijpende hervormingen op gemeentelijk terrein. Om echt iets te bereiken moest de SDAP dus eerst haar positie versterken. Dat ging moeizaam zolang er nog geen algemeen kiesrecht was. In 1902 werd Henri Polak het eerste SDAP-lid in de gemeenteraad van Amsterdam. In het katholieke zuiden debuteerde pas in 1908 een SDAP’er in een gemeenteraad: de priester Jan van den Brink in Breda. In 1919, toen de gemeenteraden voor het eerst met algemeen mannenkiesrecht werden gekozen, steeg het aantal sociaaldemocratische raadsleden spectaculair naar 1218. Daarmee had de partij in 421 gemeenten voet aan de grond. Nieuw was dat er ook vrouwen in de gemeenteraden kwamen. Zij werden nog door mannen gekozen. Pas in 1922 mochten zij zelf ook stemmen voor de gemeenteraad.

Wethouderskwestie
Om haar programma te verwezenlijken had de SDAP ook wethouderszetels nodig. Het landelijk partijbestuur vond dat SDAP’ers alleen zitting mochten nemen in B&W als de sociaaldemocraten een meerderheid in de raad hadden en er dus zeker van konden zijn dat het socialistische gemeenteprogramma kon worden verwezenlijkt. Toch gaf het bestuur in enkele gevallen waarin die meerderheid ontbrak, het groene licht voor collegedeelname. Dat was bijvoorbeeld het geval in Ambt Almelo, waar Gerrit Schotveld wethouder werd in 1911 en in Zaandam, waar Jan Duijs een jaar later op het pluche kwam. Jarenlang zou de ‘wethouderskwestie’ de partijgemoederen bezighouden. Partijleider Pieter Jelles Troelstra was sowieso niet erg gecharmeerd van socialistische wethouders. In 1920 verklaarde hij sommigen van hen ‘wel van hun wethouderszetels te willen trappen’. Maar dat bleek een achterhoedegevecht te zijn. De SDAP bezette op dat moment al ruim 80 wethoudersposten in meer dan 70 gemeenten en het zouden er steeds meer worden. Zo werden de idealen van Jan Schaper en de zijnen stukje bij beetje werkelijkheid.

Dit artikel verscheen ook in de editie van december 2013 van Rood, het ledenblad van de PvdA.

Delen:

Een verbonden samenleving

Eerlijke spelregels zijn nodig. Zodat grote bedrijven netjes belasting betalen, net als de bakker op de hoek. Zodat we uitbuiting van werknemers aanpakken. En zodat we minder schreeuwen en beter naar elkaar luisteren.

Lees ons verkiezingsprogramma