Nergens bang voor

Nergens bang voor

Door Eberhard van der Laan op 1 maart 2010 Delen  

Een sociaaldemocraat laat niet zijn oren hangen naar de grootste bek. Dit
citaat van mij siert de omslag van
de
nieuwe Rood
. Het ledenblad van de Partij van de Arbeid plofte deze maand
weer bij onze leden op de mat. In een groot interview vertel ik onder meer over
mijn tijd in de Amsterdamse gemeentepolitiek. Zoals dat gaat in Amsterdam, wordt
het eerste uur je de huid vol gescholden, draaikont hier, zakkenvuller daar.
Daar heb ik geleerd van me af te bijten: ‘Hoezo zakkenvuller, ik heb de hele dag
gewerkt op mijn kantoor en sta me hier nu ’s avonds in te zetten voor de stad.
Wat heb jij eigenlijk gedaan vandaag?’

Het integrale interview uit Rood, 7e jaargang, nummer 1, februari
2010
:

Aan de muur van zijn werkkamer hangen portretten van twee van zijn grote
voorbeelden – Floor Wibaut (1859-1936) en Jan Schaefer (1940-1994).
Daadkrachtige, non-conformistische bestuurders die hebben laten zien dat
sociaaldemocratische wethouders het verschil kunnen maken, zegt Eberhard van der
Laan, ooit korte tijd politiek assistent van Jan Schaefer. ‘Het waren echte
volkshuisvesters. Ze grepen rigoureus in verpauperde volksbuurten in. Bouwen
voor de buurt en met de buurt was hun motto.’ In de tijd dat Schaefer wethouder
was, woonde hij in de Kinkerbuurt en De Baarsjes, toen nog vervallen buurten vol
dichtgespijkerde panden, waar de drugshandel tierde en menig liquidatie werd
voltrokken. ‘Als ik met mijn vrouw langs een coffeeshop liep, vroegen we ons
schertsend af wat nu het veiligste was; dicht langs de gevel blijven lopen, of
toch maar oversteken naar de andere kant van de straat.’

Mede door de krachtige onorthodoxe aanpak van Jan Schaefer (In geouwehoer kun
je niet wonen) is de Kinkerbuurt helemaal opgeknapt. Voor Floor Wibaut (Wie
bouwt? Wibaut!) geldt – begin vorige eeuw – hetzelfde verhaal. Hij sloopte
krotten en bouwde vele tienduizenden nette arbeiderswoningen daarvoor in de
plaats. Van der Laan: ‘Dat is de traditie waaruit wij voortkomen. We hebben
laten zien dat we grote problemen op een sociale wijze kunnen oplossen. Aan onze
generatie de taak om deze ongelooflijk inspirerende traditie op een moderne
wijze voort te zetten.’

Van der Laan is gepokt en gemazeld in de Amsterdamse gemeentepolitiek. Hij
was in de jaren negentig fractievoorzitter van de PvdA, naast zijn werk als
advocaat. Avond na avond de buurten in om met bewoners in gesprek te gaan over
hun problemen met de buurt, met scholen of met hun medebewoners. Pittige
bijeenkomsten waren dat. ‘Zoals dat gaat in Amsterdam, wordt het eerste uur je
de huid vol gescholden, draaikont hier, zakkenvuller daar. Daar heb ik geleerd
van me af te bijten: “Hoezo zakkenvuller, ik heb de hele dag gewerkt op mijn
kantoor en sta me hier nu ’s avonds in te zetten voor de stad. Wat heb jij
eigenlijk gedaan vandaag?”

Dan werd het even stil en keken ze elkaar aan: “Wat krijgen we nou, iemand
die zich niet zoals vroeger gezellig laat uitschelden.” En vervolgens raakte je
echt met elkaar in gesprek. In de Tweede Kamer heb ik dat inmiddels ook een paar
keer aan de hand gehad. Een mevrouw van de SP bestond het me te vragen of ik nu
minister van Integratie of van Segregatie ben. Lazer op zeg, weet ze wel wie ze
voor zich heeft? We hebben één van de minst gesegregeerde landen van Europa,
mede dankzij mijn partij die al honderd jaar een belangrijke rol speelt in het
landsbestuur. Wegwezen, met dat geklets. Je moet als politicus niet bang zijn om
flink tegengas te geven. Ik vind over het algemeen dat we als PvdA wel wat
assertiever mogen zijn, er is genoeg om trots op te zijn.’

U spreekt bewonderend over Schaefer en Wibaut. Voelt u zich ook
verwant met hen?

‘We zijn actief geweest in dezelfde stad en delen dezelfde sociaaldemocratische
idealen. Ook voor mij staan actief optreden en solidariteit met de gewone man
voorop, of die nu allochtoon of autochtoon is. Als PvdA hebben we die laatste
groep te lang over het hoofd gezien waardoor zij zich achtergesteld voelden. Ons
bestaansrecht is het verbinden van de gewone man met de middenklasse, daar komen
we vandaan en dat mogen we nooit, maar dan ook nooit vergeten. We zijn geen D66.
Bij die solidariteit hoort nog een ander begrip – eigen verantwoordelijkheid.
Wibaut en Schaefer waren bepaald geen doetjes als ze merkten dat mensen of
instanties er de kantjes van afliepen of als de eerlijkheid in het geding kwam.
Ze waren onafhankelijk en niet bang. Ook daarin herken ik me. Ik ben geen
beroepspoliticus en zal dat ook nooit worden. Als hier in Den Haag iets gebeurt
wat ik niet voor mijn rekening wens te nemen, ben ik nog hetzelfde dagdeel
vertrokken. En bang ben ik ook niet, niet voor Wilders, niet voor boze burgers
en zeker niet voor al die claimende clubs van bouwbedrijven,
woningbouwverenigingen, lobbyisten en brancheverenigingen, die ik hier over de
vloer krijg. Dat is echt uit de hand gelopen, die claimcultuur van mensen die
menen dat hun eigen belang ver verheven is boven het algemeen belang. Als ik
hoor wat ze met de vuist op de tafel durven te eisen – echt belachelijk. Ik hoor
het even aan en dan is het: “Jongens, graag koffie opdrinken en wegwezen.” Een
sociaaldemocraat laat niet zijn oren hangen naar de grootste bek.’

Eberhard van der Laan groeide op in Rijnsburg. Zijn vader was naast huisarts
jarenlang gemeenteraadslid voor de ARP. Zoon Eberhard was voorbestemd zijn vader
op te volgen, maar nadat hij was uitgeloot voor de studie Medicijnen, vertrok
hij naar Brussel. Daar verdiende hij de kost als kaartspeler, bloemenverkoper en
taxichauffeur, alvorens naar Amsterdam terug te keren voor een studie Rechten
aan de VU, die cum laude werd afgesloten. Net als zijn vader raakte hij
betrokken bij de gemeentepolitiek, met dit verschil dat zoon Eberhard koos voor
de PvdA. Hij werd politiek gevormd in de jaren zeventig in Amsterdam, de tijd
van de stadsvernieuwing. De onderdelen Wijken en Wonen in zijn portefeuille zijn
hem dan ook na aan het hart gebakken. In de jaren negentig hielp hij als
fractieleider met de reorganisatie van de Amsterdamse PvdA, die in zijn eigen
ogen te regentesk was geworden. ‘We hadden het contact verloren met de oude
Amsterdammers.’

Vanaf het begin heeft u het nodige te stellen gehad met de
woningcorporaties. Een aantal werd door u onder curatele gesteld. Als
‘betuttelende staatssocialist’ werd u neerbuigend betiteld, toen u de
woningcorporaties dichter naar de overheid toe wilde halen. Hoe is uw relatie
met de woningbouwverenigingen nu?

‘Woningcorporaties zijn van onschatbare waarde voor de sociaaldemocratie, zo
leert het verleden. Vijftien jaar geleden zijn ze van het ene op het andere
moment over de schutting van de overheid zo de vrije markt opgegooid. De
verenigingen en stichtingen hadden geen leden, geen kiezers en geen eigenaren
meer aan wie ze verantwoording dienden af te leggen.

Gelukkig gingen de meesten verstandig om met die nieuwe rol, maar een aantal
schoot flink de bocht uit. Ik ben nu druk doende ze weer dichter naar de
overheid toe te halen. Dan ben ik maar een staatssocialist, maar zo kon het niet
verder, ik moest ingrijpen. Het terrein van de volkshuisvesting is te belangrijk
om aan de markt over te laten. Ik kan me ontstellend ergeren als ik hier in Den
Haag weer eens lees: “privaat wat kan, publiek wat moet”. Onzin, sommige dingen
kun je beter privaat oplossen, voor andere zaken is het beter dat ze in publieke
handen blijven. Daar valt de volkshuisvesting onder. Ik kan in iedere wijk in
Nederland de huizen en straten aanwijzen die vallen onder de corporaties en
welke privaat bezit zijn. Zeker in de armere wijken zijn de huizen van de
corporaties veel beter onderhouden en de straten zijn er netter. Daar zie je de
kracht van corporaties, maar het gaat nog verder. In Rotterdam en Eindhoven
bouwen de corporaties de zogenoemde brede scholen, scholen die zo mooi zijn dat
de kinderen in Amsterdam-Zuid er jaloers op zijn. De mooiste scholen in de
armste buurten, dat is hun en mijn ideaal. Maar ze bouwen niet alleen huizen en
scholen, hun bemoeienis strekt zich ook uit tot achter de voordeur.’

Dat is niet onomstreden, vanuit privacyoogpunt.

‘Zo kende ik het project uit de krant, als opdringerig. Maar nu ik weet wat het
behelst, ben ik er laaiend enthousiast over. Het is in wezen heel simpel.
Huismeesters van corporaties constateren dat in sommige huizen de gordijnen
altijd gesloten zijn. Ze bellen aan en zien in een oogwenk een berg problemen,
variërend van stapels onaangeroerde post tot taalproblemen en kinderen die
zonder ontbijt of zelfs helemaal niet naar school gaan. De hulp begint eenvoudig
met het op orde brengen van de financiën en het leren verstandig met geld om te
gaan. Dat brengt rust, de gordijnen gaan op een kier. Dan bouw je langzaam
verder en op een zeker moment zie je dat de kinderen weer iedere dag met een
volle maag naar school gaan, dat de ouders zich actiever met hun buurt bemoeien,
een cursus of een opleiding gaan volgen en uiteindelijk misschien zelfs wel de
arbeidsmarkt opgaan. Het heeft in 2008 tot 14 procent minder huisuitzettingen
geleid in vergelijking met het jaar daarvoor. De overheid en maatschappelijke
instellingen zelf veranderen ook door deze aanpak. Instanties werken beter samen
en zijn weer gericht op mensen in plaats van op regels. Ik ben er trots op, het
is humaan, het organiseert kleine successen die het zelfvertrouwen van mensen
vergroten en het helpt mensen vooruit. Het is, kortom, de sociaaldemocratie in
optima forma.’
Eind vorig jaar verscheen zijn integratiebrief. Het uitgangspunt van de brief
was dat alle Nederlanders gelijkwaardig zijn, maar dat van immigranten wel een
extra inspanning mag worden verwacht om mee te kunnen doen in de Nederlandse
samenleving.

‘Dat is een verplichting die overal in de wereld geldt voor migranten, maar
waar Nederland soms krampachtig mee omgaat. Dit kabinet wil aan iedere
krampachtigheid voorbij,’ lichtte Van der Laan zijn brief toe. De reacties waren
voorspelbaar. VVD en PVV diskwalifi ceerden de nota als ‘slappe hap’, de andere
kant van het politieke spectrum vond de nota te streng of zelfs discriminerend.

Dat is een stevige aantijging
Fel: ‘Ja, ik ben dan ook ongelooflijk boos geworden. Ik maak me over van alles
zorgen, maar niet dat ik met mijn lange juridische en sociaaldemocratische
ervaring, ooit maar in de buurt van discriminatie kom. Eén van de centrale
punten in de brief is de bescherming die de rechtsstaat biedt aan alle burgers.
De brief heeft ook eindelijk oog voor de reële problemen van de bewoners van de
oude wijken, zoals ook voor onderwijzers, artsen, politie en andere
hulpverleners die soms aan het eind van hun spankracht zijn. Opvallend is dat
mensen in de buurten zelf stukken genuanceerder en oplossingsgerichter denken
over het integratievraagstuk dan sommigen hier in Den Haag. Dat geeft moed, want
voor die mensen zit ik hier. Wat me opviel tijdens werkbezoeken was dat onze
wijkaanpak door velen werd beleefd als iets wat specifiek gericht was op nieuwe
Nederlanders. Oude bewoners voelden zich achtergesteld, iets waarin ik ze niet
ongelijk kon geven. We hebben in het verleden te weinig voor hen gedaan en tot
“wij” reken ik nadrukkelijk ook mijn eigen partij. Ik zie leraren die soms 90
procent of meer allochtone leerlingen in hun klas hebben en ieder jaar opnieuw
worden geconfronteerd met leerlingen die zich met twee jaar taalachterstand
melden voor hun eerste schooldag. We zijn jarenlang vanuit de
solidariteitsgedachte met een grote boog om deze problemen heen gelopen. Ik zie
het als mijn opdracht als sociaaldemocraat om die mensen en problemen extra
aandacht te schenken, zodat ze het gevoel krijgen er weer bij te horen.’

Aandacht, solidariteit, dat klinkt abstract. Wat zijn uw concrete
plannen om de leefbaarheid in de aandachtswijken te vergroten?


‘Heb je de brief gelezen? Goed, dan weet je dat het niet blijft bij woorden,
maar dat we de eisen om hiernaartoe te komen hebben aangescherpt. Dan weet je
ook dat ik, samen met minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Albayrak, de
huwelijksmigratie heb aangepakt. Mensen mogen trouwen met wie ze willen, maar de
import van bruiden leidt tot nog meer achterstand, terwijl bovendien van vrije
huwelijkskeuze lang niet altijd sprake is. Het zou dus fijn zijn als de focus
van de nieuwe Nederlanders meer op Nederland zou komen te liggen, al was het
maar voor al die leuke Fatima’s die het hier zo goed doen, maar door
huwelijksmigratie wéér op achterstand dreigen te worden gezet. Maar ook voor de
wijken zou het goed zijn als die nieuwe Nederlanders niet sparen voor de bouw
van een huis in Marokko of Turkije, maar het geld in hun eigen huis hier
stoppen.’

Komt het ooit goed met de integratie?
‘Natuurlijk, alleen kost het meer tijd en inspanning dan ik dacht en hoopte.
Sorry, dat ik onze sociaaldemocratische geschiedenis er weer bij sleep, dat is
nu eenmaal een hobby van me – maar die laat zien dat we grote opgaven op een
sociale wijze kunnen oplossen, ik noem kinderarbeid, de achturige werkdag, de
woningnood en zo kan ik nog duizend voorbeelden geven waarin de overheid door
actief op te treden de problemen heeft opgelost. De grote opgaven van deze tijd,
zoals integratie en onderwijs, krijgen we ook onder de knie, daar twijfel ik
geen moment aan. Maar dat lukt alleen met een sterke PvdA, dus tegen al die
mensen die overwegen eens een keer niet op ons te stemmen, wil ik zeggen: “Dat
doe je maar als we weer zestig zetels hebben en weer arrogant geworden zijn. Dat
is nu even niet aan de orde.’

Tekst: Gert Hage

Delen: