Samsom aan de slag als straatcoach

Samsom aan de slag als straatcoach

Door Diederik Samsom op 16 september 2011 Delen  

Talloze rapporten zijn er gepubliceerd over – veelal Marokkaanse – jeugdoverlast. Ellenlange discussies hebben we er in de Tweede Kamer over gevoerd, als er op het August Allebéplein werd gevochten, als er in de bus in Gouda werd bedreigd of als Marokkaanse jochies weer eens op indringende wijze via YouTube hun stuitende wangedrag wereldkundig hadden gemaakt. En ondanks al die informatie en debat, of misschien wel juist daardoor, kreeg ik niet het idee dat ik het echt snapte. En dus klopte ik aan bij Stichting Aanpak Overlast Amsterdam, die al enige jaren met straatcoaches en gezinsbezoekers de overlast te lijf gaat. Dat werk kon me dichter op het probleem brengen dan ik ooit kon komen via de beleidsstukken, zo meende ik. En dat was ook zo. Een jaar later, na tientallen huisbezoeken en vele avonden en nachten als straatcoach, maak ik de balans op.

Yassine Yacoubi, 17 jaar, hangt met kenmerkende ‘wie maakt mij wat’-houding op de bank. Naast hem zit zijn vader. Samen met mijn collega gezinsbezoeker Brahim heb ik het gezin Yacoubi opgezocht om hen aan te spreken op het verergerend wangedrag van hun zoon op het Boniplein. Yassine bedreigt vrouwen en meisjes, scheldt op politieagenten en is betrokken bij diefstal van scooteronderdelen. Tijdens het gesprek pingt Yassine onafgebroken op zijn BlackBerry, alsof dit gesprek niet over hem gaat. Totdat Brahim de telefoon uit zijn handen grist en hem in onvervalst Arabisch opdraagt recht te gaan zitten en zich beleefd te gedragen. Dat helpt, maar we realiseren ons dat het maar voor even is.

Voor structurele verbetering is de vader nodig. En die zit erbij en kijkt ernaar. Vader Yacoubi is moe. Moe van een leven lang hard werken, moe van zijn zoon die hem al lang te snel af is. Onze verwoede pogingen zijn ouderlijke verantwoordelijkheid aan te spreken stuiten op onmacht en onwil. Zijn uiteindelijke verweer – “Ja, jullie komen hier nu even streng doen vanuit de gemeente. Maar hier in Nederland, hier mag toch altijd alles?” – vormt de even veelzeggende als ontluisterende apotheose van het gesprek. Daar zit je dan als dienaren van de Nederlandse overheid.

Een gesprek zoals ik er vele voerde, sinds ik een jaar geleden parttime straatcoach en gezinsbezoeker werd. Omdat ik de papieren discussie zat was. Talloze rapporten zijn er gepubliceerd over – veelal Marokkaanse – jeugdoverlast. Ellenlange discussies hebben we er in de Tweede Kamer over gevoerd, als er op het August Allebéplein werd gevochten, als er in de bus in Gouda werd bedreigd of als Marokkaanse jochies weer eens op indringende wijze via YouTube hun stuitende wangedrag wereldkundig hadden gemaakt. En ondanks al die informatie en debat, of misschien wel juist daardoor, kreeg ik niet het idee dat ik het echt snapte.

Wat gebeurt er werkelijk op straat? Welke mechanismes zitten daarachter? Hoe kan het dat de Marokkaanse jongens de overlaststatistieken zo domineren? Wat speelt er zich af achter al die voordeuren? Ik wilde het wel snappen, meemaken, doordringen tot wat inmiddels ‘Ground Zero’ van het maatschappelijk debat over integratie lijkt te zijn geworden: Marokkanenoverlast.

En dus klopte ik aan bij Stichting Aanpak Overlast Amsterdam, die al enige jaren met straatcoaches en gezinsbezoekers de overlast te lijf gaat. Dat werk kon me dichter op het probleem brengen dan ik ooit kon komen via de beleidsstukken, zo meende ik. En dat was ook zo. Een jaar later, na tientallen huisbezoeken en vele avonden en nachten als straatcoach, maak ik de balans op.

Het probleem van de overlast en straatcriminaliteit is enorm en de zorgen en het chagrijn hierover zijn terecht. Ja, er gaat veel goed, met de Marokkaanse meiden gaat het zelfs buitengewoon goed. En ja, er is ook veel te veel beeldvorming en hype in de discussie geslopen. Maar de kern bestaat uit een reëel en hardnekkig probleem. Wie probeert om met statistieken de overlast te bagatelliseren, miskent de harde realiteit op straat. De kwantiteit is dankzij goed werk de laatste jaren enigszins tot staan gebracht, maar het karakter verandert, de overlast wordt indringender, crimineler.

Ik heb als straatcoach ook zelf (te) vaak tegenover een groep scheldende en treiterende jongens gestaan. Te talrijk om effectief op in te grijpen en te snel weg (scooters) om back-up erbij te halen. Het jennen, dreigen en vooral het triomfalisme van een zichzelf onaantastbaar wetende groep is voor straatcoaches of politie een afgang. Maar het échte probleem is dat het gezagsvacuüm op zo’n moment niet alleen voor óns voelbaar is, maar zich aan Nederland toont. Amsterdam ziet het. En – via YouTube of nu.nl – ziet heel Nederland het. En dat is wat mensen, ook degenen die zelf niks van overlast ervaren, ongerust maakt. Kunnen we dit wel aan? Hoe veel erger gaat dit nog worden?

Die ongerustheid neem je niet weg met de misdaadcijfers. Dat lukt alleen met een zichtbare aanpak waar mensen vertrouwen aan kunnen ontlenen. Mensen moeten zien dat wangedrag op straat niet wordt getolereerd. Ook bij de lichtere vormen. Een groep van die hele jonge jochies die ongehinderd de sfeer op het pleintje of in de supermarkt verziekt, levert net zo’n grote bijdrage aan het smeltend vertrouwen. Waarom corrigeert niemand? Een zichtbare – en voelbare – draai om de oren zou wonderen doen, en wordt te weinig uitgedeeld.

Falende ouders, falend overheidsgezag op straat, ontsporende jongens en een land dat zich steeds chagrijniger afvraagt wie er nu eens ingrijpt. Waar zit het lichtpuntje heb ik me geregeld afgevraagd in het afgelopen jaar? Waar is het aanknopingspunt?

Het kan toch niet zo zijn dat een hele groep jongens een verloren zaak is? Wel als ze de 15 gepasseerd zijn, is het onthutsende eerste deel van mijn antwoord. Tegen die tijd zijn de banden met het normale normatieve bestaan, school, thuis, sportclub, grotendeels eraan gegeven, luisteren ze niet meer naar hun vader, laat staan hun moeder en maken goedbedoelde ‘Nieuw-Perspectief’-trajecten weinig kans. Het betekent niet dat je deze jongens maar moet laten gaan.

Juist voor deze groep is het herstel van het gezagsvacuüm op straat nodig: straatcoaches en politie moeten hier hun corrigerende werk verrichten. Maar heb niet de illusie dat je met welzijnstrajecten nog veel uitricht als de leeftijd van 15 gepasseerd is.  De sleutel tot structureel succes is ‘eerder ingrijpen’, nog voordat de eerste kruimeldiefstal is gepleegd of mishandeling is begaan.

Ik heb het afgelopen jaar vaak tegenover een 17-jarige, met een te lange kerfstok, gezeten. En bijna evenzoveel keren dacht ik: ‘ik moet met jou de tijdmachine in, naar toen je 11 was, toen je je kansen nog niet vergooid had, toen je nog naar je moeder luisterde’. Dán maakt correctie een kans. Zoals bij de elfjarige Essam.

De wijkagent die ons zijn naam doorgaf, vertelde me dat hij Essam iedere week iets dichter bij het Ecuplein rond zag hangen. Eenmaal daar aangekomen zou de aansluiting bij de criminele Ecuplein-groep snel een feit zijn, met alle gevolgen van dien. ‘Die jongen is slim genoeg voor  het Gymnasium’, zei de wijkagent, ‘hij staat nu letterlijk op het kruispunt en iemand moet hem de juiste kant op duwen, zijn ouders hebben geen idee‘. Een aantal bezoeken later wisten de ouders het wel, waren ze doordrongen van het feit dat alleen zij en niemand anders Essam op het juiste pad konden houden en was de weg naar het Ecuplein voor Essam afgesloten. Er staan op dit moment honderden Essams in Amsterdam op zo’n kruispunt. Wie stuurt ze met zachte dwang of harde hand de juiste kant op?

Als je er vroeg bij bent kan correctie dus effectief zijn. Maar dan moet er wel ‘gecorrigeerd’ worden, en minder ‘hulp verleend’. Goedbedoelend beginnen veel hulpverleners in probleemgezinnen niet zelden met de sanering van de mobiele telefoonschuld of een cursus voor het gebrekkige concentratievermogen van de overlastjongere. Niet doen. Er is in de meeste gezinnen geen klassieke hulp nodig, er is iemand nodig die op niet mis te verstane wijze aan de jongenre en zijn ouders duidelijk maakt dat er geen enkel excuus bestaat voor wangedrag op straat. Dat is al moeilijk genoeg, veel complexer moeten we het niet maken.

Er bestaan indrukwekkende theorieën over gedragsverandering bij jongens. Maar de effectiviteit van deze ragfijne benaderingen verpulvert grotendeels in de praktijk van Marokkaanse probleemgezinnen. Niks ten nadele van de uitstekende meiden van die fris van de SPH opleiding komen met de juiste theoretische bagage, maar ze bereiken in deze gezinnen erg weinig. Effect wordt gesorteerd door de harde Marokkaanse gezinsbezoeker die als ‘surrogaatvader’ de jongen zijn plaats wijst en het eergevoel van de ouders weet aan te spreken zodat die hun opvoedende rol weer oppakken.

Eerder ingrijpen, minder hulpverlening, meer correctie. Het is geen ingewikkeld recept. Maar het vergt nog veel veranderingen in onze aanpak. Het is nu bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk vroeg in te grijpen, omdat we niet weten welke jongens van 10 of 11 jaar we moeten hebben. Lijsten zijn er vooral van beginnende delinquenten, van een jaar of 15, en dan is het dus te laat. Afgezien van de toevallige waarneming van een oplettende wijkagent komen de 11 jarigen nauwelijks ‘in beeld’. Als we alle leerkrachten van groep 7 zouden bellen met de vraag om de twee of drie jongens te noemen waarvan ze vrezen dat die over een aantal jaar scooterjattend door het leven gaan, dan hebben we wél zo’n lijst, en een hele accurate. De intuïtie van de leerkracht is van onschatbare waarde. Maar we bellen ze niet, onder andere omdat een leerkracht niet zomaar namen mag geven, vanwege privacy-belemmeringen. Maar waarom eigenlijk niet? Waarom mogen we niet meer aan elkaar vertellen over wie je je zorgen maakt? Waarom blijven we door regelgeving, of uit gewoonte, afzijdig waar keiharde betrokkenheid noodzakelijk is?

Ook ‘mínder hulpverlening en méér correctie’ is in Nederland niet zo eenvoudig te realiseren. Om een jongen te corrigeren moet je overwicht hebben, hem zo nodig vaak opzoeken, consistent zijn en dat lang volhouden. Al deze voorwaarden hebben we grotendeels weggeorganiseerd in onze hulpverlenings-spaghetti van coördinatie en afstemmingsstructuren, waarin we teveel tijd kwijt zijn met elkaar en te weinig met degene om wie het gaat. Ik maakte mee dat het dossier van Nouredinne bij een ‘ketenoverleg’ letterlijk werd doorgeschoven langs 7 verschillende hulp- en overheidsorganisaties rond de tafel, zónder dat iemand van plan was bij hem aan te bellen.

Iedereen was met Nouredinne bezig, maar hij zelf ging daar niks van merken. Dat is allemaal heel verklaarbaar. Het ‘dossier’ coördineren is een stuk veiliger dan bij Nouredinne aanbellen, zeker als je weet dat Nouredinne, en zijn broers, losse handjes hebben. En er is altijd een goede reden om nog niet langs te gaan, maar eerst het dossier verder ‘op orde te brengen’. Begrijpelijk, maar funest. Want Nouredinne moet niet gecoördineerd, maar gecorrigeerd. En dat is zwaar werk. Na weer een dag van confrontaties, taalbarrières, sluimerende agressie, onwil en onmacht bij Luciano, Abdelhak, Soufian en Arjan én hun ouders, voelde ik me iedere keer uitgewoond. De gezinsbezoekers van de Stichting Aanpak Overlast Amsterdam doen het full-time. Daar heb ik groot respect voor.

Ook het corrigerend optreden op straat zelf vergt vaardigheden die lang niet iedereen in zich heeft. ‘Gewoon hard aanpakken’ is een simplisme dat op straat niks waard is. De wijkagent die uit onmacht overgaat tot het uitdelen van drie boetes in 3 minuten wint niet aan gezag, maar verliest. De straatcoach die keer op keer zijn fysieke overmacht moet inzetten, maakt de sfeer op het plein niet veiliger, maar gespannener.

Het is de straatcoach of wijkagent die de alpha-cultuur van een groep opgefokte jongens perfect aanvoelt en bespeelt en iedere confrontatie in zijn voordeel beslecht, zónder dat de ander ‘eer verliest’ (en dat weer elders botviert). Die zijn goud waard.   Maar ze worden door onze salarissystematiek steeds zeldzamer. Want wie van de straat vertrekt en achter een bureau gaat zitten om te coördineren of regisseren verdient meer.

Na een jaar werken in de frontlinie van de overlast verbaas ik me nog het meest over het feit dat we dat normaal zijn gaan vinden. Wie van achter het bureau de processen op straat gaat regisseren en coördineren gaat makkelijker werk doen met – in essentie – mínder verantwoordelijkheid. We hebben ons mond vol van de ‘professionals in de frontlinie’. Welnu: voeg daad bij woord en draai het salarisgebouw om. Dan houd je je beste mensen waar ze het hardste nodig zijn: op straat.

Het probleem van overlast en straatcriminaliteit is urgent. Omdat ieder slachtoffer er een te veel is. Maar ook omdat het vreet aan ons collectieve zelfvertrouwen. Is onze vrije en ontspannen cultuur wel bestand tegen dit nieuwe fenomeen? Zijn we als samenleving in staat om dit in de hand te houden? Heeft onze overheid nog genoeg gezag? De twijfel dreigt om te slaan in apathie. Er groeit een neiging om te capituleren: weg ermee, opdonderen. Capituleren kan nooit de oplossing zijn. En het hoeft ook niet. Mijn bijbaan maakte me niet alleen bij tijd en wijle ontzettend teleurgesteld, chagrijnig en boos, maar ook optimistisch. We doen nog lang niet alles goed, maar we zitten er bemoedigend vaak dichtbij.

Dankzij de inzet van de vele mensen in de frontlinie die al lang de valse Haagse digotomie tussen ‘harde repressie’ en ‘softe preventie’ voorbij zijn en zoeken naar een aanpak die het best omschreven kan worden als ‘meedogenloze preventie’. Wat nu nog nodig is, zijn meer politici en bestuurders die bereid zijn om voor hen de barrières op te ruimen, de ingesleten patronen te doorbreken en het belangrijkste werk ook het best te waarderen. Omwille van die jongens en omwille van 99,9% van de andere Nederlanders.

Namen zijn om redenen van privacy gefingeerd.

Delen:

Een verbonden samenleving

Eerlijke spelregels zijn nodig. Zodat grote bedrijven netjes belasting betalen, net als de bakker op de hoek. Zodat we uitbuiting van werknemers aanpakken. En zodat we minder schreeuwen en beter naar elkaar luisteren.

Lees ons verkiezingsprogramma