Den Uyl-lezing: Vertrouwen in de symbolische samenleving

Den Uyl-lezing: Vertrouwen in de symbolische samenleving

Door De Redactie op 9 mei 2011 Delen  

De Vlaamse hoogleraar sociologie Mark Elchardus sprak begin vorige maand de tweeĆ«ntwintigste Dr J.M. den Uyl-lezing uit. Klik op ‘lees verder’ voor de uitgeschreven spreektekst van de lezing die de titel ‘Vertrouwen in de symbolische samenleving’ draagt. Elchardus citeerde aan het begin van zijn lezing de openingszin van de Vlaamse sp.a-politicus Frank Vanderbroucke, die in 1999 de lezing mocht houden: de sociaaldemocratie staat vandaag sterk in Europa. ‘Spijtig genoeg is dat vandaag niet het geval’, voegde Elchardus eraan toe. Update: klik hier voor de geredigeerde versie met referenties (pdf).

Amsterdam, de Rode Hoed, maandag 4 april 2011.

‘Heel graag was ik mijn lezing begonnen met dezelfde openingszin als mijn Vlaamse voorganger hier, in 1999, Frank Vandenbroucke: ‘De sociaaldemocratie staat vandaag sterk in Europa’. Spijtig genoeg is dat vandaag niet het geval.

Terugblikkend op de Den Uyl-lezingen valt het op dat als het goed gaat met de sociaaldemocratie de sprekers hun aandacht richten op grote uitdagingen: armoede in de wereld, grenzen aan de groei, schuldenlast van de arme landen, vernieuwing van de welvaartsstaat, reguleren van het internationale financiële systeem, aanzwengelen van kennisgestuurde groei…

Als het slecht gaat, wordt gekeken naar de sociaaldemocratie zelf. Terecht. De sociaaldemocratie is het middel waarmee we die uitdagingen aan willen en aankunnen. In goede tijden vragen we ons daarom af wat de sociaaldemocratie met de wereld kan doen; in slechte tijden moeten we ons afvragen wat de wereld met de sociaaldemocratie heeft gedaan. Ik leg me daarbij neer.

Het is voor mij een grote eer hier vanavond te mogen spreken, in deze lezingenreeks opgedragen aan een van de waarlijk grote Europese sociaaldemocraten, Joop Den Uyl. Het was Paul Kalma die polste of ik bereid zou zijn deze lezing te houden. Ik vind het bijzonder moeilijk neen te zeggen tegen de auteur van Socialisme op sterk water. Pas na het ja-woord heb ik kennis genomen van de bundeling van de eerste twintig jaar Den Uyl-lezingen. Had ik dat vooraf gedaan, dan had ik waarschijnlijk nooit plaats durven nemen in die illustere rij.

De sociaaldemocratie is niet alleen een beweging. Haar naam is ook verbonden met wat we zonder breedsprakerigheid een kleine beschaving kunnen noemen, gevestigd in het noordwesten van Europa, gedragen door geseculariseerde, open welvaartsstaten die trouw aan traditie hebben geruild voor culturele vernieuwing en gezag en gehoorzaamheid voor meer egalitaire vormen van omgang. Die samenlevingen, hoewel gekenmerkt door een relatief grote mate van gelijkheid als men ze vergelijkt met andere rijke landen, hebben schrijnende ongelijkheden toch niet weten te bannen.

In België bijvoorbeeld heeft een hoogopgeleide man van 25 gemiddeld nog 46 jaar te leven, een laaggeschoolde nog 37 jaar, 9 jaar minder! Welvaartstaten hebben de ongelijkheid niet ongedaan gemaakt, hebben niet kunnen verhinderen dat deze nu – onder meer onder invloed van de kenniseconomie – sterk samenhangt met het onderwijspeil. Waar de rijke verzorgingsstaten beter in slagen, is het wegnemen van de financiële onzekerheid bij sociaal zwakkeren en bij laaggeschoolden… en dat draagt bij tot levenstevredenheid, met het gevolg dat in de rijke welvaartstaten de laaggeschoolden niet merkelijk minder tevreden zijn of gelukkig dan de hooggeschoolden. Dat is een opmerkelijke verwezenlijking.

In 1973 al pleitte Joop Den Uyl ervoor niet alleen aandacht te hebben voor welvaart, maar ook en misschien meer nog voor welzijn. De sociaaldemocratie is daarin geslaagd. Zij heeft de welvaart verhoogt, is er enigszins in geslaagd die gelijker te verdelen, maar zij is heel succesrijk geweest in het scheppen van welzijn en van levenstevredenheid. Overigens niet alleen omdat het lot van de uitgeslotenen wordt verlicht; ook omdat meer mensen worden opgenomen. Laaggeschoolden hebben een lagere kans op tewerkstelling dan hooggeschoolden, maar dat verschil is veel kleiner in landen als Noorwegen, Nederland, Duitsland, Zweden en Finland dan bijvoorbeeld in Tsjechië, Rusland, Roemenië, Bulgarije, de Slovaakse Republiek of Slovenië.

Terwijl het verschil in levenstevredenheid tussen laag- en hooggeschoolden veel kleiner is in de rijke welvaartsstaten dan in de andere Europese landen, zien we dat de samenhang tussen het onderwijspeil en het maatschappelijke onbehagen groter wordt naarmate landen de kenmerken van een rijke welvaartsstaat verwerven. Vandaag nog in landen als Bulgarije en Slovakije, vroeger in een grotere groep landen stelde men vast dat de hooggeschoolden minder vertrouwen hadden in de maatschappelijke instellingen, negatiever waren over de gang van zaken in de democratie, meer kritiek hadden op de ontwikkeling van de samenleving, dan de laaggeschoolden. In vele landen vindt men vandaag geen verband meer tussen het opleidingspeil en het maatschappelijke onbehagen. Maar – en dat weet u hier in Nederland dankzij het Sociaal Cultureel Planbureau – in landen als België, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en Denemarken, zijn het nu de laaggeschoolden die (veel) minder vertrouwen hebben in de instellingen, meer kritiek op de politiek en een veel negatiever beeld van de gang van zaken in de samenleving.

Ik kan die vaststelling moeilijk rapporteren zonder terloops, als een commentaar op mijn beroepsgroep, er aan te herinneren dat toen de houding van de hoogopgeleiden negatiever was, de sociologen en politicologen die dat vaststelden het toegeschreven aan een meer ontwikkelde kritische zin die het gevolg was van de lange scholing. Nu de laaggeschoolden zich negatiever opstellen wordt dat niet omschreven als een kritische houding, maar als een gevolg van onbehagen.

Nemen we het ganse plaatje voor ogen, dan zien we aanhoudende ongelijkheid en een sterk en over de laatste decennia sterker geworden verband tussen het opleidingspeil en verschillende vormen van ongelijkheid. Maar, in ons soort samenlevingen, in het noordwesten van Europa, zien we nauwelijks een verschil in levenstevredenheid tussen laag- en hooggeschoolden, wel een groeiende kloof tussen die twee groepen in de wijze waarop ze de gang van zaken in de samenleving beoordelen en waarderen. Er is een positieve waardering vanwege hooggeschoolden, een negatieve tot zeer negatieve vanwege de laaggeschoolden. Deze laatste zijn van oordeel dat veel van de waardevolle dingen zoals zekerheid, veiligheid, geborgenheid, sociale cohesie, goede relaties met de buren, leefbaarheid, wederzijds respect, solidariteit… verloren gaan. Zij ventileren dat gevoel via hun stemgedrag – dat is ook de bedoeling in een democratie – en dat ligt aan de basis van de opkomst en het succes van populisme, neo-populisme, rechts-populisme, nationalisme en extreem-rechts.

Het gaat om een fascinerende groep van mensen. Nogal tevreden met het eigen leven, ondanks soms schrijnende ongelijkheden, maar overtuigd dat het met de samenleving echt de verkeerde kant opgaat, ondanks, over de wat langere termijn bekeken, toch een indrukwekkende toename van welvaart en welzijn. Het is belangrijk die mensen te begrijpen. De sociaaldemocratie heeft dat onvoldoende gedaan. Op cruciale punten heeft ze zich in haar maatschappijanalyse vergist, op cruciale tweesprongen werd het verkeerde pad gekozen.

Ten eerste, heeft de sociaaldemocratie zich decennia lang vergist bij het interpreteren van het stemgedrag. Uitermate invloedrijk was de instrumentele, utilitaristische interpretatie van het stemgedrag, zoals bijvoorbeeld kort en bondig verwoord door Anthony Downs in 1957: ‘Each citizen casts his vote for the party he believes will provide him with more benefits than any other’. We zijn er van uitgegaan dat mensen stemmen om hun belangen te behartigen en dat politieke partijen daarom moeten proberen zo duidelijk mogelijk te appelleren aan de belangen van het electoraat dat ze willen bereiken. Aan Margaret Thatcher en Ronald Reagan hebben we niet veel te danken, maar wel een onbedoelde maar belangrijke bijdrage aan de politieke wetenschap. Omdat zij zich zo ongeremd beriepen op het eigenbelang – het stemmen met de belastingsaangifte voor ogen – zijn een groter aantal onderzoekers zich gaan afvragen of mensen bij het stemmen daadwerkelijk gedreven worden door eigenbelang en door economische berekening. Hun besluit is dat mensen bij hun politieke keuzes veel meer gedreven worden door maatschappelijke overwegingen, door wat zij denken dat een bepaalde persoon, partij of beleid kan betekenen voor de toekomst, niet van hun geldbeugel, maar van hun samenleving.

Die vaststelling heeft aanleiding gegeven tot heel veel discussies over de vraag of mensen nu egoïstisch of altruïstisch stemmen. Maar daar gaat het niet om. De instrumentele of utilitaristische overtuiging ging er van uit dat het stemmen, zoals andere keuzes, een uitging is van hun positie in de wereld, van hun beroep en inkomen, kortom, van de materialiteit van het leven. Deze vertaalt zich volgens die visie spontaan, als vanzelf, zonder de tussenkomst van overtuigingen, gevoelens of een verhaal, in belangen. Die belangen bepalen dan op hun beurt het stemgedrag. Het is deze theorie van de spontane generatie van belangen die door het onderzoek onderuit wordt gehaald. Tussen onze levenssituatie enerzijds, ons politiek optreden, onze politieke keuzes anderzijds, staat altijd een bepaalde visie op de samenleving, een verhaal.

De vraag “welke belangen drijft mensen” moet worden ingeruild – hadden we eigenlijk al een paar decennia terug moeten inruilen – voor ‘In welk verhaal leven mensen als ze even uit hun dagelijks leven stappen om, ter gelegenheid van verkiezingen of een protest, aan politiek te doen’?

Die vraag werd wel hier en daar gesteld, maar ook zij kreeg een verkeerd antwoord. Doorgaans werd en wordt aangenomen dat het verhaal van politieke partijen betrekking moet hebben op de privélevens van de mensen. Een filosoof als Charles Taylor (1989:13-14) beweert dat het Puritanisme de grote waardering voor het gewone, alledaagse leven heeft bevorderd. Daarmee ligt het volgens hem mee aan de basis van de anti-heroïsche, burgerlijke politiek, gericht op de welvaart en het welzijn van de mensen, die vandaag de onze is. Misschien verklaart de rol van het Puritanisme in die ontwikkeling ook waarom zinsneden als ‘…het bestaan leefbaar maken…’ of ‘om de kwaliteit van het bestaan’ hier in Nederland zo overtuigend en redelijk klinken.

In zijn prachtige boeken over de opkomst van de intimiteit, van de waardering voor het alledaagse leven, steunt Todorov (1993, 2000) trouwens vooral op de Hollandse genre-schilders uit de 17de eeuw, op die reeks prachtige schilders die aan het private en intieme de allures van het grandioze wisten te geven. De interpretaties van Taylor en Todorov en van zovele andere zijn natuurlijk schatplichtig aan Hannah Arendt’s  The Human Condition, waarin het Christelijke Europe met het klassieke Griekenland wordt vergeleken door het eerste voor te stellen al een soort veralgemeend huishouden waarin alledaagse, huishoudelijke zorgen de publieke ruimte vullen, waarin de publieke ruimte en de politiek met andere woorden een plek zijn geworden waar privé-belangen uitgroeien tot dé publieke zaak bij uitstek (1958:33). De aanhangers van die visie stellen niet, zoals de utilitaristen dat doen, dat mensen altijd handelen uit eigenbelang. Zij beweren wel dat bij ons, in onze cultuur, de privésfeer voor ons zo belangrijk is geworden dat de publieke sfeer nu geïnstrumentaliseerd en geprivatiseerd is, ten dienste staat van de belangen die uit de privésfeer voortvloeien: ten dienste moet staan van de welvaart en het welzijn van gezinnen en individuen.

Maar het onderzoek waarover ik het had, toont nu net aan dat mensen niet zozeer stemmen op basis van hun privébelangen, wel op basis van wat zij denken dat hun stem kan betekenen voor de gang van zaken in de samenleving. In mijn eigen onderzoek heb ik vastgesteld dat de evaluatie van het persoonlijke leven, de mate waarin men persoonlijk tevreden of ontevreden, gelukkig of ongelukkig is, geen invloed heeft op de mate waarin men deelneemt aan verkiezingen noch op de kans dat men voor een anti-establishment partij kiest. Men doet dat wel als men de indruk heeft dat het slecht gaat met de samenleving.

Die verschillende onderzoeksbevindingen maken tevens duidelijk dat de evaluatie van het persoonlijke leven en de evaluatie van de gang van zaken in de samenleving onderling slechts zwak samenhangen. Mensen kunnen best tevreden zijn het hun leven, maar van oordeel dat het slechts gaat met de samenleving, of ontevreden met het eigen leven en van oordeel dat het goed gaat met de samenleving. Die twee soorten evaluaties komen ook op een heel verschillende manier tot stand. De wijze waarop mensen hun persoonlijke leven evalueren steunt heel sterk op hun persoonlijke ervaringen en situatie: op hun inkomen, hun gezondheid, hun job, hun mate van werkzekerheid, hun financiële zekerheid, op de wijze waarop ze met hun medemensen verbonden zijn…

De wijze waarop zij de gang van zaken in de samenleving beoordelen, wordt daarentegen nagenoeg niet beïnvloedt door hun persoonlijke situatie, en sterk beïnvloed door het soort onderwijs dat ze hebben genoten en hun mediavoorkeur en mediagebruik. Die twee laatste hangen nauw samen. Verschillende media richten zich tot verschillende onderwijsniveaus en zowel onderwijs als media reiken interpretatiekaders aan, manieren om naar de wereld te kijken, wijzen van perceptie en manieren om te interpreteren wat men waarneemt. Als we klassen omschrijven als mensen die levensomstandigheden delen, moeten we naast klassen zeker interpretatieve gemeenschappen onderscheiden: groepen van mensen die, onder meer ten gevolge van een gedeeld onderwijsniveau en een gedeelde mediavoorkeur, manieren van perceptie en interpretatie delen.

Hoe komt het, kunnen we ons afvragen, dat het zo lang leek alsof mensen wel stemden op basis van belangen. Welbegrepen eigenbelang, zo geloofden velen, deed de mensen kiezen voor de welvaartsstaat. Het door de sociaaldemocratie gekanaliseerde politieke streven, was het streven naar betere onderwijskansen voor de kinderen, een decent pensioen, toegang tot medische zorgen, vervanginkomens bij wekloosheid, betere huisvesting, kortom “de kwaliteit van het bestaan”. In het licht van wat we nu weten, dringt een enigszins verbazende vraag zich op: stemden die mensen sociaaldemocraat om die belangen te behartigen, of stemden ze sociaaldemocraat omdat zij met de sociaaldemocratie een verhaal deelden en tot dezelfde interpretatieve gemeenschap behoorden?

Ik ben geneigd te geloven dat het laatste antwoord meer waarheid bevat dan het eerste. Het gedeelde verhaal was dat van een klasse die zich bewust is van haar gemeenschappelijke belangen, deze verdedigt en op die manier de wereld transformeert en een betere en rechtvaardige samenleving schept. Dat verhaal verenigde de sociaaldemocratie en haar electoraat. En, wat heel belangrijk is, het gaf aan elke kiezer de mogelijkheid van zijn of haar persoonlijke zorgen over werk, gezondheid, buurt, huis, kinderen, ouders en ouder worden … een begeesterend maatschappelijk project te maken. Het was niet zozeer een gedeelde situatie die gemeenschappelijke belangen schiep, maar een verhaal dat het geloof in gemeenschappelijke belangen creëerde en van die gemeenschappelijke belangen de weg naar een betere en rechtvaardiger samenleving maakte. Het klassenbewustzijn, de klassenideologie, de utopie daarmee verbonden, maakten het mogelijk elk persoonlijk belang te veredelen tot een kleine, maar terechte stap in de richting van de goede samenleving. Men behartigde zijn belangen niet alleen voor zichzelf, maar voor iedereen.

Dat verhaal zijn we kwijt, onherroepelijk vrees ik. Het is niet meer van deze wereld.

De tweede vergissing van de sociaaldemocratie heeft er in bestaan te geloven dat we dat verlies kunnen compenseren door in te spelen op de instrumentalisering of privatisering van de publieke ruimte. De sociaaldemocratie heeft dat massaal gedaan en doet dat nog. Het is het privilege van grote geesten zo’n keuzes ook helder te zien en te verwoorden. In 1995 begon Wim Kok zijn den Uyl-lezing met een citaat van Joop den Uyl dat eigenlijk best van Wim Kok zelf had kunnen komen. ‘In onze tijd wordt nogal eens de klacht gehoord, dat er zo weinig utopie meer is, dat de inspirerende kracht van het geloof in een andere en betere wereld (…) thans ontbreekt. Daarin ligt voor mij geen reden tot ontmoediging of oorzaak van ontluistering. Integendeel. De wereld bewoonbaar en het bestaan leefbaar maken is een opdracht voor elke generatie (…)’. Joop den Uyl schreef dat in 1978. De opdracht is nog altijd even actueel en dringend… de illusie dat het vervullen van die opdracht het verhaal, ‘de kracht van het geloof in een andere en betere wereld’ kan vervangen, moeten we echter laten varen.

Dat de sociaaldemocratie haar verhaal is kwijtgeraakt, niet langer de spil van een interpretatieve gemeenschap vormt, heeft overigens weinig te maken met de sociaaldemocratie of het socialisme op zich. De christendemocratie en het liberalisme zijn hetzelfde lot beschoren. Het gaat duidelijk om een brede maatschappelijke evolutie, ook wel eens detraditionalisering genoemd. Een lelijk woord, toegegeven, ik gebruik het hier daarenboven in een wat bredere betekenis dan doorgaans het geval is.

Onder detraditionalisering versta ik een sterke stijging van de welvaart, de opkomst van de consumptiemaatschappij, het verbreden van het pakket aan keuzes die een consument kan maken. Het risico op armoede neemt af, schaarste wordt minder drukkend. Dat is nog meer het geval als de beschikbare rijkdom, zoals in de sterke verzorgingsstaten, meer gelijk verdeeld wordt. In een aantal van de rijke samenlevingen, niet overal in dezelfde mate, zijn we ook getuige van een sterke secularisering, niet alleen in de zin van de scheiding van Kerk en Staat, maar in de zin van ontkerkelijking, geloofsafval, tanen van gezag dat steunt op religieuze integriteit; afname en marginaal worden van gestrengheid in de leer. Dat geldt natuurlijk voor de autochtone bevolking niet voor de nieuwe islamitische bevolkingsgroepen. Precies omdat het niet in gelijke mate voor hen geldt, zorgt hun komst voor spanning en conflict. Niet alleen geloof, ook heel wat ideologieën maakten een seculariseringsproces door. Ook daar is ideologisch gezag en gestrengheid in de leer nagenoeg verdwenen. Het zijn overigens niet alleen die vormen van gezag die taanden. Er was ook het verdwijnen van de bereidheid tot gehoorzaamheid. Niemand wil nog gehoorzamen en sommigen willen nog bevelen en dat zorgt voor spanningen.

Die cluster van ontwikkelingen is genoegzaam gekend. Hij scheidt onze wereld vandaag van die van de jaren vijftig. Die reeks in elkaar hakende ontwikkelingen werd door velen geïnterpreteerd als de verwezenlijking van de droom van de Verlichting. De ketens van schaarste, geloof en bijgeloof, traditie, onderwerping en gehoorzaamheid… werden gebroken en afgelegd. En eindelijk was het daar, het bevrijde, autonome individu dat, omdat het zo bevrijd en autonoom was, natuurlijk ook best wat meer verantwoordelijkheid kon opnemen voor de eigen keuzes en het eigen handelen. Hier tekent zich de derde vergissing af. Via het werk van sociologen als Ulrich Beck en meer nog Anthony Giddens werd die interpretatie van de detraditionalisering een van de fundamenten van de Derde Weg. De sociaaldemocratie moest nu bouwen aan een samenleving van autonome en verantwoordelijke individuen: ondernemers van het eigen leven, die ook als kleine ondernemers zouden worden behandeld, aangesproken op hun verantwoordelijkheid, geconfronteerd met het verhoogde risico op het faillissement van het eigen leven.

We weten inmiddels dat er niet zoveel individualisering is. Het denken, voelen en doen van mensen wordt nog sterk bepaald door onder meer hun maatschappelijke posities en collectieve identificatoren als geslacht, leeftijd, het soort onderwijs dat zij hebben genoten enzovoort. Een heel mooie bijdrage aan het onderzoek over de geringe mate van individualisering is van de hand van Paul de Beer. Hij toonde aan dat de opvattingen en houdingen van de Nederlanders tussen 1970 en 2000 niet individueler, wel meer voorspelbaar zijn geworden op basis van collectieve identificatoren.

Toen Paul de Beer dat schreef was het geloof in de geldigheid van de individualiserigsthese nog zo sterk en onwrikbaar dat zijn collega’s zich afvroegen of zijn analyse als grap of provocatie was bedoeld. Inmiddels weten we dat er bitter weinig individualisering is en dat we een zorgvuldig onderscheid moeten maken tussen individualisme en individualisering. Het eerste is een ‘isme’, een ideologie of een geloof dat voorhoudt dat wij autonome individuen zijn die vrij onze keuzes maken, onze eigen smaken, opvattingen en handelingswijzen kiezen. Individualisering wijst op de mate waarin onze smaken, keuzes en handelingswijzen effectief individueel worden, niet of minder voorspelbaar door de plaats die we in de samenleving innemen en op basis van de collectieve identificatoren waarmee we in die samenleving worden gesitueerd. Er is in onze samenleving heel veel individualisme, maar weinig individualisering.

Dat onevenwicht is een bron van psychische miserie. Het verklaart ook waarom verantwoordelijkheid, hoe belangrijk ook als moreel principe en beleidscategorie, door heel wat mensen wordt ervaren als natrappen, nemen van wie al weinig heeft, bestraffen van wie pech had.

De afwezigheid van individualisering is een paradoxale vaststelling, zeker als men ze bekijkt in het licht van de Verlichtingsidealen. Detraditionalisering is immers een reuzengrote stap in de richting van een samenleving waarin mensen bevrijd zijn van schaarste, waar democratische omgangsvormen gelden, het ritualistische volgen van traditie vervangen wordt door een meer bewuste en zelfbewuste houding, waar geopenbaarde waarheid is vervangen door wetenschap… en toch zo weinig individualisering! De schijnbare tegenstelling verdwijnt als we beseffen dat we ons weliswaar hebben bevrijd van een aantal oude sturingsmechanismen die we beu waren, maar die hebben ingeruild voor andere sturingsmechanismen, minder dwingend, minder zichtbaar, maar tevens veel doeltreffender. Bij het sturen van het gedrag van de mensen doen de posttraditionele samenlevingen nog maar weinig beroep op religieus en ideologisch gezag, op gehoorzaamheid, gestrengheid in de leer, vanzelfsprekende traditie, schaarste en de dreiging met armoede. Maar dat betekent niet dat er nu nog enkel autonome individuen resten of, zoals conservatieven wel eens vrezen, nu geen maatschappelijke sturing meer is.

De wijze van sturing is veranderd. Zij steunt nu heel sterk op een individu, dat van zichzelf gelooft dat het zeer autonoom is, zelf kiest, heel eigen smaken en hoogstpersoonlijke emoties heeft. Posttraditionele samenlevingen hebben echter een groot aantal instellingen uitgebouwd die bepalen hoe individuen voelen, denken en doen omdat ze de kennis, de vaardigheden, de smaken en opvattingen, de perceptiewijzen, voorstellingen, de gevoelshuishouding van de individuen diepgaande beïnvloeden. Het gaat om instellingen als het onderwijs, de massa-media, de reclame of beter het kapitalisme van de begeerte, de therapie. Dat zijn meteen ook de instellingen die over de laatste honderd jaar en vooral over de laatste vijftig jaar een spectaculaire expansie hebben gekend. Een expansie in termen van hun reikwijdte, van het aantal mensen dat er mee bezig is, dat er zijn boterham aan verdient, van de budgetten die daarbij berokken zijn, van de technologieën die worden aangewend, van de kennis waarop dat alles steunt, de opleidingen waarin die kennis kan worden verworven enzovoort, enzovoort.

Ik hoop dat u me niet verkeerd begrijpt. Ik ben geen ‘Big brother’-verhaal aan het vertellen. Ik zeg niet dat al die instellingen het denken, voelen en doen van de mensen in dezelfde richting proberen te duwen. Dat is geenszins het geval. Zij sturen het gedrag wel op dezelfde manier. Niet zozeer door te bevelen en te beperken, maar door te bouwen aan en in te spelen op de factoren die individuele keuzes bepalen. Die instellingen kunnen onderling op gespannen voet leven, bijvoorbeeld het onderwijs enerzijds, de massamedia en het kapitalisme van de begeerte anderzijds. Elk van de instellingen heeft op zijn manier bijgedragen tot de groei van de nieuwe modus van controle. Veel moest worden aangeleerd. Het kapitalisme van de begeerte heeft daarin een heel belangrijke rol gespeeld. In Gustafe Flaubert’s Madame Bovary is er een personage dat nauwelijks uit de verf komt, de schoonmoeder van Emma Bovary. Zij begrijpt niet waarom Emma steeds weer nieuwe stoffen en patronen nodig heeft om nieuwe kleren te maken. Zij verhoudt zich op een andere manier tot de wereld, duurzamer zouden we vandaag zeggen. Het waren personen zoals de schoonmoeder van Emma die tot moderne consument moesten worden opgeleid. De toen nog jonge discipline die voor die vorming moest zorgen was de reclame.

Eén expert, Emily Fogg Mead – moeder van de meer bekende Margaret Mead – formuleerde de opdracht in 1901 als volgt: ‘We are not concerned with the ability to pay, but with the ability to want and choose’. Het leren begeren en kiezen, een van de geslaagd vormingsprojecten van de 20ste eeuw.

De samenleving gekenmerkt door die nieuwe modus van controle noem ik de symbolische samenleving. Alle samenlevingen zijn uiteraard symbolisch. Mensen zijn altijd via symbolen met elkaar verbonden. Maar er is waarschijnlijk nooit eerder een samenleving geweest die op een gelijkaardige schaal en met eenzelfde intensiteit en snelheid symbolen, woorden, beelden, verhalen produceert, verspreidt en recycleert als de hedendaagse samenlevingen.

De geschetste ontwikkeling suggereert drie correcties aan het gangbare sociaaldemocratische denken.

(1) Van de politiek verwachten mensen niet dat deze expliciet op hun belangen inspeelt, wel zorgt voor een betere samenleving.

(2) De band met een electoraat kan niet steunen op gedeelde condities en levensomstandigheden, maar komt tot stand binnen een interpretatieve gemeenschap.

(3) In de vorming van dergelijke gemeenschappen is de rol van geloof, ideologie, traditie, gezag… sterk afgezwakt, misschien wel uitgespeeld, ten voordele van nieuwe actoren als onderwijs, massamedia, het kapitalisme van de begeerte, therapie en de therapeutische cultuur.

Daarmee zijn we aanbeland in een maatschappelijke situatie die heel sterk verschilt van degene waarin de sociaaldemocratische benadering van de werkelijkheid vorm heeft gekregen. Hoe kan de sociaaldemocratie daarmee omgaan? Een pasklare oplossing heb ik niet. Wel een paar denkpistes, wat we in het Vlaams “probeersels” noemen, pogingen.

(1) Het maatschappelijk onbehagen van de laaggeschoolden gaat gepaard met het verlaten van of breken met houdingen die de democratische, open rechtstaat ondersteunen en de weerbaarheid van de mensen tegen onverdraagzaamheid, haat, onverschilligheid, passiviteit doet afnemen. Van alle instellingen die belangrijk zijn in het vormen van de manieren van denken, voelen en doen, hebben we als gemeenschap voorlopig enkel greep op het onderwijs. De sociaaldemocratie moet er voor ijveren via de scholen aan waardevorming te doen, die houdingen en waarden verspreiden die helpen de boel bij mekaar te houden, die vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid bevorderen, diversiteit leefbaar maken. Ik heb ook de gelegenheid gehad de inspanningen die in Vlaanderen op dat vlak worden geleverd te evalueren. Het werkt, maar het is als joggen om te vermageren: een zware inspanning voor een reëel, maar bescheiden resultaat.

(2) De politieke communicatie is vandaag in handen van de massamedia en die volgen een heel andere logica dan politieke partijen. Ik heb geprobeerd de gevolgen daarvan te beschrijven in de Dramademocratie. Ik blijf bij mijn besluit uit dat boek. De samenleving krijgt haar media voorlopig niet onder controle en er bestaat geen magische vorm van mediavorming die de mensen wapent tegen de invloed van de media. We moeten daarom zoeken naar middelen om de politiek – niet het beleid – institutioneel beter af te schermen van de media. Het succes van partijen en politici zou onafhankelijker moeten worden van de media. We moeten daarom niet aan de vrijheid van de media tornen, wel aan de vorm van de democratie. De hedendaagse democratie heeft dringend nieuwe institutionele vormen nodig die de selectie, het verkiezen en het optreden van politiek personeel minder afhankelijk maken van mediabijval.

(3) Terugblikkend op het recente verleden is het ook onthutsend vast te stellen hoe traag de sociaaldemocratische partijen en alle beleidspartijen, geregistreerd hebben wat er in hun samenlevingen gebeurde. De alomtegenwoordige massamedia zijn blijkbaar toch een heel gebrekkig middel om te laten zien wat er in de samenleving omgaat en/of de beleidspartijen zijn bijzonder hardleers. De zeer traag gegroeide malaise, het langzaam gegroeide ongenoegen heeft hen, land na land, alsof er ook nooit iets van buurlanden kan worden geleerd, overspoeld met de plotsheid van een door een aardbeving veroorzaakte tsunami. Het is duidelijk dat politieke partijen de samenleving slecht waarnemen of ze waarnemen maar de waarnemingen onvoldoende benutten. Politieke partijen en bewegingen moeten veel betere maatschappelijke observatoria uitbouwen.

(4) Inmiddels zijn de contouren van het onbehagen duidelijk en is het ook wel, tot op zekere hoogte, duidelijk waar de mensen de oorzaken van hun ongenoegen situeren. Het gaat om leefbaarheid, om de spanningen rond de nieuwe groepen van medeburgers, om het verlies van cohesie en van goede sociale relaties, om de kloof tussen een posttradioneel Europa en een traditionalistische Islam, om criminaliteit en veiligheid, om het vervagen van de natiestaat, om het gevoel dat de politiek machteloos is… De sociaaldemocratische partijen in Europa, zeker in het noordwesten van Europa zullen rond die problemen veel concretere posities moeten innemen en posities die aansluiten bij de ervaringen van de mensen, in het bijzonder bij die van wat wel eens de “gewone” mensen wordt genoemd, de minder hoog opgeleide mensen. Het gaat daarbij in grote mate om de problemen die verantwoordelijk zijn voor het spagaat van het sociaaldemocratische electoraat. De aandacht toespitsen op wat de sociaaldemocratische electoraten nog bindt, is gemakkelijk, maar ontoereikend, want te weinig toegespitst op de zorgen van de mensen. Eén van de electoraten laten varen is geen optie. De sociaaldemocratische beweging heeft twee benen nodig. Dit is een uiterst moeilijke uitdaging, maar ik ben optimist op dit vlak omdat ik geloof dat de huidige spreidstand grotendeels berust op de eenzijdigheid van de voorbije aanpak. Een meer evenwichtige, maar kordate en duidelijke aanpak kan mijns inziens brede steun verwerven. Te breed moet die steun overigens ook niet zijn. De sociaaldemocratie is niet voor iedereen. Het is iets voor goede mensen. Ik bedoel daarmee niet dat sociaaldemocraten allemaal vriendelijke en lieve mensen zijn, wel dat het mensen zijn die, als het enigszins kan, liever samen vooruitgaan dan vooruitgaan ten koste van anderen. Daarin verschillen ze grondig van nationalisten en populisten en van heel wat liberalen.

(5) In het licht van de drie correcties aan het sociaaldemocratische denken die ik voorstel, volstaat zo’n aanpak echter niet. Het onbehagen is niet alleen een gevolg van een reeks concrete, aanwijsbare problemen, maar ook en vooral van een gebrek aan een verhaal dat de zorgen van de mensen koppelt aan een duidelijke opvatting over een betere samenleving. Het is ten gevolge van het ontbreken van zo’n verhaal dat partijen van het onbehagen de meest onpraktische dingen kunnen voorstellen zonder te worden weggelachen. Een goed verhaal heeft drie ingrediënten:

  • het raakt rechtstreeks de zorgen, verzuchtingen, belangen van de mensen,
  • het geeft aan waarom het realiseren van die belangen en verzuchtingen een stap is in de richting van een goede en rechtvaardige samenleving voor iedereen, en
  • het geeft een idee van hoe die stap concreet zal worden gezet.

We staan ook, op wat langere termijn voor een paar grote en moeilijke uitdagingen.

(6) Het is duidelijk dat het kapitalisme van de begeerte zijn beste tijd heeft gehad. Levenstevredenheid en geluk afhankelijk maken van frenetieke consumptie en steeds meer consumptie, is niet langer houdbaar, noch in het licht van onze economische vooruitzichten, noch in het licht van de vereisten van duurzaamheid. De sociaaldemocratie moet het aandurven de mensen te tonen en te leren hoe geluk minder consumptieafhankelijk kan worden.

(7) We moeten ook trouw blijven aan het Verlichtingsideaal van vrijheid. Er naar blijven streven dat mensen inderdaad vorm kunnen geven aan hun eigen leven, ernaar streven dat het denken en voelen en doen van de mensen niet wordt bepaald door krachten die hen overstijgen of ontgaan of overweldigen. Wij moeten, met andere woorden, individualisering bevorderen. Het is inmiddels duidelijk dat dit ideaal niet meer wordt gediend, niet meer kan worden gediend door individualisme. Integendeel, individualisme is vandaag een middel van controle geworden. We moeten angstvallig waken over de individuele vrijheden, geen beperkingen opleggen aan de wil van de mensen tenzij die een bedreiging vormen voor de welvaart, het welzijn, de veiligheid of de gezondheid van de anderen. Maar dat volstaat vandaag niet.

Het is aan de sociaaldemocratie om het vrijheidsideaal te vernieuwen. Niet het individuele streven naar autonomie moet ons daarbij voor ogen staan, wel het collectieve streven naar controle over de krachten die het denken, het voelen en het handelen en daarmee de welvaart en het welzijn van de mensen beïnvloeden. Het democratisch verwerven van collectieve controle over hoe onderwijs, massamedia, het kapitalisme van de begeerte en therapie ons denken, voelen en doen beïnvloeden, dat is de nieuwe emancipatiestrijd. Het samen verwerven van die positieve vrijheid is altijd het grote project van links geweest.

Vandaag wordt het weer duidelijk hoe we dat doel moeten nastreven.’

Delen: