De lat van ontwikkelingsrelevantie

De lat van ontwikkelingsrelevantie

Door Marit Maij op 12 maart 2013 Delen  

Het bedrijfsleven kan en mag een rol spelen in ontwikkelingssamenwerking, maar dat kan alleen ontwikkelingsrelevant zijn als het ook duurzaam en verantwoord is. Langs deze lat zal de Partij van de Arbeid de inzet van het bedrijfsleven in buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking leggen. Niet hoger, maar zeker ook niet lager.

Vooralsnog zijn de tien grootste voedsel- en drankenproducenten in de wereld onvoldoende sociaal en milieubewust. Dat stelt Oxfam-Novib in een rapport ‘Behind the brands’. Bedrijven kunnen in arme landen alleen ontwikkelingsrelevant zijn, als ze ook handeldrijven, investeren en werken volgens sociale, ecologische en fiscale normen. Dat wil zeggen dat ze hun medewerkers lokaal betrekken, fatsoenlijk betalen en nette secundaire arbeidsvoorwaarden bieden, het leefmilieu niet belasten, lokale bedrijven en toeleveranciers fatsoenlijk betalen voor hun producten en geen fiscale trucs uithalen, waardoor er nauwelijks belasting wordt betaald.

Samen met collega’s Klaver (GroenLinks) en Jan Vos vroeg ik minister Ploumen een reactie op het rapport van Oxfam-Novib. De reactie is bemoedigend, maar nog maar een begin. Er is werk aan de winkel. De minister wijst op de OESO richtlijnen, die bedrijven moeten volgen en een aantal normen die vooral zelfregulerend zijn. Zij stelt dat de ranking laat zien dat er grote verschillen zitten tussen de bedrijven en dat ze worden aangemoedigd om van elkaar te gaan leren in een ‘race to the top’. Maar, omdat het bedrijfsleven in toenemende mate een rol speelt en wil spelen in ontwikkelingssamenwerking, kunnen we niet achterover leunen en regulering aan deze grote ketens zelf over laten. Een race to the top heeft voorlopig nog niet echt plaatsgevonden, als ik het rapport van Oxfam-Novib lees.

Ploumen stelt dat ‘consumenten in veel gevallen de mogelijkheid hebben om een bewuste keuze te maken over de aanschaf van levensmiddelen, bijvoorbeeld door te kiezen voor gecertificeerde producten. Consumenten moeten erop kunnen vertrouwen dat claims van producenten over duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen stroken met de productiepraktijk in ontwikkelingslanden. Hiervoor is transparantie over de herkomst en productieomstandigheden van belang. Dit is primair de verantwoordelijkheid van de sector. Daar waar de overheid via het bedrijfsleveninstrumentarium direct betrokken is bij investeringen in de sector sporen we aan tot maximale openheid.’

Net als bij landroof, waar ik eerder een blog over schreef, is transparantie van groot belang, om helderheid te krijgen over het sociale en duurzame gevoel en beleid van voedsel- en drankenproducenten. Deze bedrijven verschuilen zich achter concurrentie overwegingen, wanneer er om meer transparantie wordt gevraagd. Toch is het voor de consument van belang om te weten wat een keurmerk, of het ontbreken daarvan, betekent voor het product wat de consument koopt.

Ploumen geeft aan dat de Nederlandse Federatie voor de Levensmiddelen Industrie namens de bij haar aangesloten bedrijven, heeft laten weten met het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Buitenlandse Zaken in gesprek willen naar aanleiding van het Oxfam-Novib rapport. Het gaat er daarbij om hoe bedrijven gezamenlijk met stakeholders beter kunnen bijdragen aan de positie van de zowel mannelijk als vrouwelijke boeren en arbeiders in ontwikkelingslanden en het voorkomen van oneerlijke landonteigeningen en andere misstanden. Nog niet echt een race to the top, maar wel een begin. De PvdA zal de minister vragen wanneer zij deze gesprekken heeft en hoe de verlopen.