Column Abdelkader Benali op manifestatie ‘Een nieuw jaar, een ander Nederland’

Column Abdelkader Benali op manifestatie ‘Een nieuw jaar, een ander Nederland’

Door De Redactie op 19 januari 2011 Delen  

Op mijn zestiende werd ik lid van een politieke partij, wat moest ik anders
doen? We gingen niet op wintersportvakantie, waren niet lid van de
dierenbescherming en met het milieu hadden we ook niks. Het leek me sexy om lid
te worden van een politieke partij. Het voelde alsof ik toegang kreeg tot de
echte wereld, ik hoorde ergens bij.

Ik hoorde bij andere jongens van zestien die ook lid wilden zijn van een
politieke partij. Sommige van die jongens maakten de indruk dat ze omdat ze door
andere clubs niet werden geaccepteerd als lid maar besloten lid te worden van
een politieke partij. Een politieke partij accepteert iedereen, zelfs grote
domoren die dan op een dag als leider van die partij eindigen.

Als je maar lang genoeg aan de rivier zit, komt op een dag je vijand
langsdrijven, zegt een Chinees spreekwoord. Ik zou het willen parafraseren: als
je maar lang genoeg lid bent van een politieke partij, word je er op een dag de
leider van. De jongerenpartij had ook een politiek café. Het was vooral café,
weinig politiek. Bij mijn eerste bezoek werd mij gevraagd of ik penningmeester
wilde worden.

De toekomst was begonnen. Nu ik lid was van een politieke partij zou het ook
niet lang duren of ik zou ook een leuke vriendin krijgen, want wie wil er nou
geen afspraakje maken met een zestienjarige die net lid is geworden van een
politieke partij. Ik stelde me zo voor dat ik dan met haar, dat meisje dat nog
niet lid was van een politieke partij maar die ik dan geruisloos zou initiëren
richting het politieke bewustzijn dat voorafgaat aan het moment dat je de
consumptiebonnen ontvangt in het politieke café. De klassenstrijd was toen al
een strijd om consumptiebonnen geworden. De volgende grote oorlog zal gaan om
kortingsbonnen, de volgende grote migratiestromen zullen daar trekken waar de
kortingsbonnen het meest voorhanden zijn.

Ik zocht naar een meisje dat net als ik geilde op Jean Jacques Rousseau, Karl
Marx en Karl Popper. Drie mannen, alle drie al een tijdje dood.

Na mijn eerste bezoek aan het politieke café droop ik teleurgesteld af. Er
waren wel meisjes maar die leken niet zo geinteresseerd in dode blanke mannen.
Ik besloot meteen met de deur in huis te vallen. ‘Jean Jacques Roussau,’ zei ik.
‘Jaques Brel,’ zei zij. En zij viel nog wel mee.

Een ander meisje begon te vertellen over het bootje van haar vader. Ze had
het bootje geconfisqueerd, dat allemaal in naam van de klassenstrijd die dwars
door haar familie heenliep. Ik begreep toen al dat je in Nederland niet vroeg
genoeg kan beginnen om de theorie in praxis te brengen. Eerst het bootje van je
vader, daarna de consumptiebonnen en je bent binnen.

Ik besloot de lessen van het meisje in praktijk te brengen. Ik besloot het
groots aan te pakken en confisqueerde de slagerij van mijn vader. Gratis vlees
voor de verworpenen der aarde. ‘En ik zeker honger lijden,’ zei mijn vader en
gaf me een klap die nog lang bleef nasuizen. ‘Riskeerde je ook een klap,’ vroeg
ik het meisje in het volgende politieke café.

Ze keek me geamuseerd aan.

Geen meisjes van zestien begon over Karl Marx. Wat ook niet hielp was dat ik
niet over de luxe beschikte om me in het weekeinde helemaal vrij te maken voor
de jeugdcongressen en landdagen. Op die congressen gebeurde het, als ik de
verhalen in het politiek café mocht geloven. Er waren nog meer consumptiebonnen,
nog meer klassenstrijd en nog veel meer meisjes met vaders die bootjes hebben.

Het was een spannende tijd die geruisloos doodviel toen Paars I aan de macht
kwam. In een klap was het afgelopen met de klassenstrijd, met de onderliggende
spanningen in onze kapitalistische samenleving. Alles ging opgelost worden. Het
meisje begon aan een lange bootreis, ik stopte met het bezoeken van het politiek
café. Ik kreeg een vriendin die aan politiek een broertje dood had, ze was een
nihilist. Ze was een verademing.

We zijn nu vijftien jaar verder. Ik kijk om me heen. Er is niks opgelost. Als
je problemen voor de mensen oplost, gaan ze er lekker snel tien bij verzinnen.
Ik heb besloten weer lid te worden van een politieke partij. Vijftien jaar
geleden dacht ik door aan politiek te gaan doen een sprong te hebben gemaakt
naar de toekomst. De wereld kon er alleen maar op vooruitgaan. Maar de
werkelijkheids is koddiger: de wereld gaat er op vooruit, beetje bij beetje,
Nederland gaat er langzaam op achteruit.

Als we doorgaan met zaniken en zeuren en afgeven op andere culturen en op
alle slakken zout leggen en onszelf in de tussentijd toch op de borst kloppen
dat we toch maar het beste, meest vooruitstrevende, tolerante en
drugsvriendelijke land in de wereld zijn, zullen we uiteindelijk stikken in deze
cognitieve dissonantie. Je kan niet en winnaar zijn en slachtoffer, althans, ik
weet niet hoe het moet. De wereld groeit in snel tempo, we worden langzaam
ingehaald door anderen zonder dat we het in de gaten hebben.

De toekomst is aan ons. De toekomst die we hier willen gaan schrijven gebeurt
op dit moment in Delhi, Shanghai en Lagos, Nigeria. We verkeren in een kramp.

We leven in een land waar een doodziek jochie van acht jaar oud op het punt
staat teruggestuurd te worden naar Sri Lanka. De afspraken van het regeerakkoord
voelen als teugels waar ons gevoel voor menselijke waardigheid tot bloedens toe
wordt aangehaald.

We leven in een land dat de strijd tegen het water gewonnen heeft, niet door
bij de pakken neer te zitten, maar door er tegen te strijden. Een land dat de
beurs uitvond, dat schepen bouwden groot als Space Shuttles. Een land voor wie
dit land van alle gezindten en stromingen een veilige haven was. Een land
waarvan haar inwoners de top-3 innemen van het meest gelukkige volkeren in de
wereld, wat ik knap vind wanneer datzelfde volk op dagelijkse basis bloot wordt
gesteld Gordon’s en Voices of Holland.

We zien een grote wolk boven een industrieterrein en we zeggen tegen elkaar:
keigave vuurbal. En dit gelukkige volk zet jochies van acht jaar oud uit. Wij
zijn niet gelukkig, wij zijn bedorven. In plaats van de mouwen op te stropen
polariseren we. Er is brood in polarisatie, er is dood in polarisatie.

We leven in een land waar voor datzelfde jochie mensen via Facebook en
Twitter in de bres springen. Een gemeenschap van mensen die via de sociale media
de politiek de pas afsnijden, stelling nemen. Mensen die van verschillende
gezindten, die uit een humane reflex –de enige eerbiedwaardige reflex die er is–
tot actie overgaan.

De barricades zijn vervangen door de hashtag, op de digitale spandoeken staat
Ik vind dit leuk of ik vind dit niet leuk. Politiek teruggebracht tot die
binaire tegenpolen. Wij vinden dit niet leuk.

Wij vinden ons land niet leuk. Wij vinden deze regering niet leuk. Wij vinden
het niet leuk dat Abiram het land wordt uitgezet en omdat we dat niet leuk
vinden zullen we alles in het werk stellen om hem hier te houden. Je kan je niet
meer verstoppen achter nuances als het om het leven van een mens gaat. Je kan je
niet verbergen achter wetten en akkoorden en afspraken en belangen en zoetsappig
populisme als het voortbestaan van een mens aan een zijden draadje hangt. Je
moet kiezen.

Er is iets bijzonders aan dit doodgewone land. Van Kaatsheuvel, Brabant, tot
Midwolda in Groningen, van het pittoreske Deventer tot het overzichtelijke
Zwolle met zijn drukbezochte donderdagochtend markt, overal overheerst er die
typische sfeer van bedrijvigheid, opgeruimdheid en ernst die elke bezoeker van
dit land heeft weten te verbazen.

Dit is een land van toegewijde mensen. Met toewijding word je niet geboren.
Als er al een biologische noodzaak voor is dan strekt deze noodzaak niet verder
uit dan als loyaliteit aan de ouders, de familie, de stam. Toewijding gaat
verder, toewijding moet ergens op de evolutionaire snelweg binnengekomen zijn om
van een vijandige stam een overwinnende onderhandelaar te maken. Op toewijding
staat geen prijs, het is de hoofdprijs. In een succesvolle samenleving worden de
omstandigheden gecreëerd waarin een ieder toegewijd kan zijn aan datgene wat hem
of haar het liefst heeft. De moeder aan haar zoon, de werkgever aan zijn
werknemer, de docent aan zijn leerlingen. Een gelukkig land zit niet op zijn
centjes, staat niet aan de grens om elke nieuwkomer in het gebit te kijken of
het daar niet stinkt, nee, het doet dat allemaal niet, het beschermt de
toewijding. Elke keer dat ik terugkom in Nederland zie ik dwars door al het
cynisme, de volgevretenheid, dat gestoorde efficientiedenken en verslaving aan
succes die toewijding als een vuurtoren in een dikke mist oplichten.

Moeders die na een lange werkdag nog de energie opbrengen om vreemdelingen de
Nederlandse taal te leren. Jongwerkenden die in het weekeinde
basisschoolleerlingen die extra aandacht nodig hebben de nuances van de
Nederlandse grammatica leren. Een man die een fiets omgeblazen door het gure
herfstweer weer op zijn standaard zet.

Twee gepensioneerde vrienden die in Nunspeet poezie op de muren brengen.
Toewijding. In dit land voelen mensen zich verantwoordelijk voor elkaar, voor de
vreemdeling, voor de achterblijvers, voor de taal, voor de gehandicapten, voor
elk levend individu dat ademt, dat verlangt, dat droomt van betere tijden.

Het is niet moeilijk om cynisch te zijn in dit land. Er is teveel van alles.
Teveel walging, teveel irritatie. En we zijn trots op die misplaatste trots dat
niemand genoeg voor ons is.

We zijn een laf volk geworden. Een volk dat zich te goed is gaan voelen voor
zijn eigen land. En toch, die toewijding gaat dieper dan al die oppervlakkige
gevoelens. Kan iemand vandaag van onze leiders die toewijding tot uitdrukking
brengen? Liefst in gewoon Nederlands, in dertig seconden? Wie dat lukt krijgt
van mij twee consumptiebonnen.

Maar als de progressieve golf die vandaag de populistische tsunami moet
wegspoelen diezelfde toewijding aan de dag kan leggen als de mensen van dit
land, dan geef ik het een kans.

Oh, wil het meisje dat het bootje van haar vader confisqueerde zich bij me
melden, ik heb ook voor haar een consumptiebon.

Delen: