Burgerparticipatie: recht én plicht

Burgerparticipatie: recht én plicht

Door Pierre Heijnen op 2 december 2009 Delen  

Hoe zorgen we ervoor dat de overheid en de semi-collectieve sector weer van
de burger wordt, schrijf ik in een opiniestuk in dagblad Trouw. Niet door de
burger in z’n rol van consument te versterken. Maar door de burger opnieuw aan
te spreken op zijn eigen verantwoordelijkheid voor de samenleving en haar
instituties.

Dagblad Trouw plaatste onderstaand stuk op woensdag 2 december 2009.

‘Het vertrouwen van burgers in de overheid is niet om over naar huis te
schrijven. Meewerken aan vaccinatie tegen een pandemie? Volstrekt niet
vanzelfsprekend. Het ‘kastje van Camiel’ wordt gewantrouwd, onder meer vanwege
de veronderstelde bedreiging van de privacy. De opkomst bij de vervroegde
raadsverkiezingen in november was ondanks de landelijke media-aandacht
bedroevend. Hoewel in internationaal perspectief Nederland beschikt over goede
collectieve voorzieningen in onderwijs, zorg en veiligheid en een goed werkende
democratie, blijft de onvrede over onderwijs, zorg, veiligheid en bestuur groot.
Publieke dienstverleners worden niet met respect bejegend, maar regelmatig met
agressie in woord en gebaar. Politieke partijen die het meest verantwoordelijk
worden gehouden voor de stand van zaken in onze verzorgingsstaat, staan op
verlies in opiniepeilingen. Partijen die de onvrede articuleren scoren beter. Er
lijkt soms sprake van een legitimiteitscrisis van onze collectieve
voorzieningen.

Er is zeker wat aan te merken op onderdelen van ons bestuur en de
semi-collectieve sector. Maar is dat het hele probleem of is er meer aan de
hand? Ik denk het laatste. De overheid en de (semi-)collectieve sector wordt
ervaren als ‘over’ de burgers, niet ‘van’ de burgers, als ‘zonder’ de burgers,
niet ‘met’ de burgers. De samenleving is niet van ons samen, maar van anderen.
Hoezo samen werken, samen leven? ‘Ze’ doen maar.  Dát is naar mijn indruk de
kern van het probleem. Anders geformuleerd, burgerschap is nog steeds op z’n
retour. Burgerschap als het idee van gedeelde verantwoordelijkheid voor de
samenleving, in het klein, voor het gezin, de straat, de buurt of de vereniging
en in het groot, voor de school, het verzorgingstehuis, de woningcorporatie, de
gemeente. Dat idee raakt eerder steeds verder op de achtergrond dan dat het
terrein wint.

Natuurlijk, de organisatie van allerlei diensten in eigen, vaak
levensbeschouwelijke,  kring, van kruisvereniging tot voetbalclub, van
woningcorporatie tot school en van vakbond tot brancheorganisatie ligt ver
achter ons. De burger heeft zich bevrijd uit zijn ‘zuil’, is geëmancipeerd,
hoger opgeleid en mondiger geworden. De burger kan kiezen uit een concurrerend
aanbod van crèches, scholen, zorginstellingen, woningcorporaties, etc., etc.
Niet meer de pastoor, de dominee of de socialistische voorman bepaalt nog waar
je aan deelneemt, dat doe je zelf!

Prima, maar steeds sterker worden we geconfronteerd met een belangrijk nadeel
van deze ontwikkeling. Werden die collectiviteiten vroeger ervaren als
gemeenschappelijk eigendom, als iets ‘van’ de burger, nu is die burger als het
ware van zijn ‘collectiviteiten’ vervreemd: ze zijn niet meer van hem, maar van
de ander, de corporatiedirecteur of het schoolbestuur, personen of gremia
waarmee hij geen enkele binding heeft. Hij spreekt daar ook niet over mee, wordt
niet betrokken bij de organisatie van al deze voorzieningen, de
democratiseringsinspanningen van de 70-er jaren ten spijt.

Hoe zorgen we ervoor dat de overheid en de semi-collectieve sector weer van
de burger wordt? Niet door de burger in z’n rol van consument te versterken.
Maar door de burger opnieuw aan te spreken op zijn eigen verantwoordelijkheid
voor de samenleving en haar instituties. Door hem op te voeden in democratisch
burgerschap, via het onderwijs en het Huis van de Democratie, door als overheden
de besluitvorming veel meer te organiseren met vormen van burgerparticipatie,
waaronder burgerraadpleging , door hem te betrekken bij veiligheidsvraagstukken
in de buurt en prioritering van politie-inzet, door hem samen met anderen
toezicht te laten houden in buurten en hem te faciliteren in de verbetering van
de leefbaarheid en het onderhoud van buurten, door de betrokkenheid van jonge
ouders bij crèches en basisscholen als uitgangspunt te nemen voor
medeverantwoordelijkheid voor het bestuur van kinderopvang en basisonderwijs,
door hernieuwde democratisering van scholen, universiteiten, woningcorporaties,
zorginstellingen, kortom van alle door belastingen en premies betaalde
voorzieningen. Burgerparticipatie is een recht, maar wat mij betreft ook een
plicht. Zoals de voetbalvereniging in mijn buurt de bardienst verplicht stelt,
mag de gemeente het schoonmaken van de stoep en  de school, het
verzorgingstehuis en de corporatie enige vorm van meedoen in de besluitvorming
en/of activiteiten verplicht stellen.

Een discussie over de stemplicht gaat waarschijnlijk te ver. De solidariteit
in de samenleving kan niet alleen maar gestalte worden gegeven via de
belastingen en premies, de blauwe envelop, via het sentiment ‘ik betaal er toch
voor’, maar moet steviger verankerd worden. Door het stimuleren van democratisch
burgerschap. Daar is meer voor nodig dan een Handvest Verantwoord Burgerschap.
In dat Handvest staat overigens het recht om niet te participeren (en toch te
klagen). Wat mij betreft een verkeerd signaal. Meedoen is de norm, niet
afzijdigheid. Daar is een langdurige kabinetsbrede inzet voor nodig. Een
campagne gericht op het bevorderen van betrokken burgerschap. Identificeren van
de vele initiatieven in de samenleving en het ondersteunen ervan: onbaatzuchtige
hoogopgeleide jongeren die zich inzetten in achterstandsbuurten, de vele
initiatieven in wijken, particuliere ontwikkelingshulp, vrijwilligerswerk in
uiteenlopende vormen, nieuw burgerschap! Verder moet de wet- en regelgeving en
het beleid worden doorgelicht en waar nodig verbeterd dat betrekking heeft op de
medezeggenschap van leerlingen, studenten, ouders, huurders, patiënten, etc. De
collectieve sector moet weer ván de burgers worden. En juist in collectieve
verbanden kan men de competenties van democratisch burgerschap ontwikkelen: men
moet omgaan  met strijdige belangen, leert compromissen sluiten, ontdekt dat de
bomen niet tot in de hemel groeien , etc.

Laten we werken aan een deelnemersdemocratie in plaats van een
toeschouwersdemocratie. Laten we een eind maken aan de muppetsmentaliteit.’

Delen: