Geen uitzonderingspositie Britten in EU

Geen uitzonderingspositie Britten in EU

Door Michiel Servaes op 14 januari 2013 Delen  

Op de opiniepagina van NRC Handelsblad zet ik vandaag mijn bezwaren uiteen tegen een Britse uitzonderingspositie in Europa. Het zou het einde betekenen van het gelijke speelveld dat de basis vormt voor de interne markt. Het zou aan de fundamentele rechten en vrijheden van Europese burgers raken. Dat kunnen we nooit accepteren. Lees verder voor het hele stuk in NRC.

‘The fault of the Dutch is offering too little and asking too much’, schreef de Britse minister van Buitenlandse Zaken en latere premier George Canning in 1826. Aanleiding was een onderhandeling tussen de twee handelsnaties over de toegang tot elkaars havens. In een op rijm gesteld bericht gaf Canning zijn ambassadeur in Den Haag opdracht niet toe te geven aan de in zijn ogen eenzijdige en onredelijke eisen van Willem I.

Een kleine tweehonderd jaar later staat de Britse premier David Cameron op het punt om zijn eisen op tafel te leggen voor een andere onderhandeling. Als er dan toch over een nieuw Europees verdrag gesproken wordt, zo stelt hij, hebben de Britten het volste recht om op een ander, losser soort EU-lidmaatschap aan te sturen. Naar verluidt zou Cameron zijn langverwachte Europa-speech in Nederland willen geven.

Geen misverstand: een actieve rol van het Verenigd Koninkrijk in Europa is van groot belang. Als er één land in staat is om op gezette tijden tegenwicht te bieden aan de Frans-Duitse as is het wel het VK. En dat komt Nederland meestal goed uit.

Of het nu gaat om het beteugelen van de Europese uitgaven, hervorming van de landbouwsubsidies of het formuleren van een ambitieus handels- of klimaatbeleid, steeds staan Britten en Nederlanders zij aan zij. Een kritische toets van al te veel Brusselse regelzucht kenmerkt ook ons beiden. Daar komt bij dat het gemeenschappelijke buitenland- en veiligheidsbeleid, hoe moeizaam dat soms ook tot stand komt, zonder de Britten veel minder gewicht in de schaal zou leggen.

Ondanks dat het VK zich de laatste jaren steeds verder terugtrekt uit de kern van de Europese samenwerking, is er voor Nederland en voor de EU als geheel dus veel aan gelegen om de Britten aan boord te houden. Dit betekent echter niet dat we Cameron’s wensenlijstje straks voor de lieve vrede zo maar moeten accepteren. Wat hij precies zal noemen in zijn speech valt nog te bezien.

De geluiden vanuit de eurosceptische Tory backbenchers liegen er in elk geval niet om: minder Europese bemoeienis met sociale minimumnormen, een beperking van het vrije verkeer voor werknemers en minder toezicht op de bankiers in de City.

Bij alle drie wensen maak ik bezwaar tegen een Britse uitzonderingspositie. Het zou het einde betekenen van het gelijke speelveld dat de basis vormt voor de interne markt, nota bene een Brits stokpaardje. En het zou aan de fundamentele rechten en vrijheden van Europese burgers raken. Dat kunnen we nooit accepteren. Een financieel offshore centrum pal voor de Europese kust dat zich onttrekt aan EU-regels is ook bepaald geen aanlokkelijk perspectief.

Sowieso kun je je afvragen waarom de Britten uitgerekend nu met hun eis tot het terughalen van bevoegdheden komen. De reden voor een mogelijk nieuw EU-verdrag is om een einde te maken aan de eurocrisis. Juist de Britse regering heeft altijd aangedrongen op een doortastende aanpak en noemde een nauwere samenwerking tussen de eurolanden ‘meedogenloos logisch’.

Het zou dus op zijn minst vreemd zijn wanneer diezelfde regering door met een veto te dreigen dit toch al precaire proces zou frustreren en daarmee mogelijk de crisis zou verlengen of verdiepen. Dat zou niet alleen voor ons maar ook voor het VK zelf een ramp zijn, aangezien het eiland voor meer dan de helft van hun export afhankelijk is van de andere EU-landen. Gelukkig wijzen Britse ondernemers, waaronder Virgin-baas Richard Branson, hun regering hier inmiddels op.

Als diplomaat was ik een paar jaar terug getuige van het ontstaan van de goede verstandhouding tussen de premiers Cameron en Rutte. Vanwege die band en de nauwe Brits-Nederlandse samenwerking zou Cameron voor Nederland gekozen hebben om zijn grote Europa-speech te geven.

Hij is natuurlijk van harte welkom. Maar Cameron dient wel de les van zijn verre voorganger Canning in de oren te knopen: wie zelf weinig wil geven, moet een ander niet overvragen.