Bijdrage Marleen Barth aan Algemene Politieke Beschouwingen Eerste Kamer

Bijdrage Marleen Barth aan Algemene Politieke Beschouwingen Eerste Kamer

Door Marleen Barth op 1 november 2016 Delen  

Als PvdA-fractie zien we ontwikkelingen die de kopzorgen van veel landgenoten heel goed invoelbaar maken. Zo vinden we het goed te begrijpen dat mensen in Nederland zich zorgen maken over onze verzorgingsstaat en of die bereikbaar en betaalbaar blijft. De verzorgingsstaat is voor onze partij het Meesterstuk van de sociaal-democratie.

Dat is een belangrijke reden waarom het kabinet zoveel aandacht heeft besteed aan het verduurzamen er van. Het zorgt er voor dat we de verzorgingsstaat zullen kunnen doorgeven aan volgende generaties. Toch blijven er ook voor een volgend kabinet nog opgaven over, bijvoorbeeld om te voorkomen dat de verzorgingsstaat wordt uitgehold.

Ander punt van grote zorg voor veel mensen is de manier waarop we met elkaar omgaan. Als we een samenleving willen waarin iedereen zijn eigen levenspad mag kiezen, dan moeten we allemaal kunnen en willen omgaan met verschillen. Dat leren, daar kun je niet jong genoeg mee beginnen. Burgerschap en maatschappijleer als verplichte schoolvakken gaan hierbij helpen.

Dat zei ik vandaag in mijn bijdrage (pdf) aan de Algemene Politieke Beschouwingen in de Eerste Kamer.

Download mijn bijdrage (pdf) >

Mijn volledige spreektekst (Gesproken woord geldt)

Voorzitter,

2017 wordt een bijzonder jaar. We herdenken dan dat het honderd jaar geleden is dat de basis werd gelegd voor de parlementaire democratie zoals wij die vandaag kennen. Met de Grondwetswijziging van 1917 werd door het kabinet-Cort van der Linden een einde gemaakt aan twee politieke strijdpunten die daarvoor de Nederlandse politiek decennialang verscheurden: de schoolstrijd en de strijd om het algemeen kiesrecht. De vrijheid van onderwijs in de Grondwet werd vastgelegd. Het algemeen kiesrecht voor mannen en passief kiesrecht voor vrouwen werd ingevoerd, de grondwettelijke belemmering voor actief vrouwenkiesrecht werd opgeheven. Het districtenstelsel werd vervangen door evenredige vertegenwoordiging, waardoor voortaan ook kleine minderheden hun stem in het parlement konden laten horen.

Het kabinet Cort van der Linden, met de laatste liberale premier totdat de huidige het Torentje betrok, bestond uit liberale ministers die hun werk konden doen omdat ze gedoogd werden door de SDAP- en regelmatig nog bredere coalities sloten. Zelfs mét gedoogsteun kon het kabinet echter niet rekenen op een meerderheid in de Eerste Kamer. En het kabinet moest een oplossing zien te vinden voor de opvang van 1 miljoen vluchtelingen (op een bevolking van 6,6 miljoen) die een goed heenkomen zochten in het veilige Nederland voor de ongekende slachtpartij die op slechts een dag lopen van onze grens aan de gang was.

De omstandigheden waarin het kabinet Rutte II de afgelopen jaren zijn werk heeft moeten doen, zijn natuurlijk lastig te vergelijken met die van 100 jaar geleden. Maar parallellen zijn er onmiskenbaar. Ook in dit kabinet kozen liberalen en sociaal-democraten om pragmatische redenen en onder druk van omstandigheden voor samenwerking; met elkaar, en met andere politieke partijen en maatschappelijke organisaties. Om politieke tegenstellingen te overbruggen over onderwerpen die soms al decennia sleepten, omdat grote maatschappelijke en internationale problemen voorrang vergden. Belangrijkste opgave voor dit kabinet was natuurlijk om ons land op een verantwoorde manier uit de grootste economische crisis in tachtig jaar te loodsen, en dat binnen de Europese samenwerking die ons land na de Tweede Wereldoorlog zoveel gebracht heeft. De werkgelegenheid herstellen. Perspectief voor mensen doen terugkeren. En opvang regelen voor de tienduizenden mensen die een goed heenkomen zoeken in het veilige Nederland voor de ongekende slachtpartij die op slechts een dag autorijden van onze grens aan de gang is.

De Miljoenennota voor komend jaar laat zien dat het kabinet Rutte II grotendeels in zijn opdracht geslaagd is. Onze economie groeit weer. De werkloosheid neemt gestaag af, gelukkig ook steeds sneller onder ouderen. De overheidsfinanciën zijn weer praktisch in evenwicht. De huizenmarkt groeit, het consumentenvertrouwen zit in de lift. Dankzij maatregelen van het kabinet gaat heel Nederland er volgend jaar in koopkracht op vooruit. Het minimumjeugdloon gaat omhoog.

De coalitie tussen VVD en PvdA is een verstandshuwelijk, maar die zijn niet zelden bestendiger dan meeslepende, hooggolvende romances. Door open te staan voor inbreng vanuit en samenwerking met andere politieke partijen en het maatschappelijk middenveld, heeft politieke stabiliteit voldoende tegenwicht kunnen bieden aan economische turbulentie en onzekerheid.

Wel blijft het allemaal balanceren op het scherpst van de snede. Het herstel is er onmiskenbaar, maar is ook nog onmiskenbaar broos. De aanhoudend lage rente bijvoorbeeld legt onaanvaardbaar veel druk op de koopkracht van ouderen en vooruitzichten van jongeren door de negatieve gevolgen voor pensioenfondsen, maar draagt ook een groot risico in zich voor nieuwe bubbels, bijvoorbeeld op de huizenmarkt.

De kansen voor jongeren op een vaste aanstelling zijn veel te klein, waardoor hen ruimte wordt ontnomen om een solide bestaan op te bouwen met een verantwoorde balans tussen arbeid en zorg.

De werkloosheid onder Nederlanders met een migrantenachtergrond blijft verontrustend hardnekkig en hoog, waardoor mensen van goeie wil op onaanvaardbare wijze buitengesloten raken.

Maar boven alles: te weinig Nederlanders ervaren ook dat het beter gaat met ons land. Recente cijfers van het SCP laten zien dat veel burgers zich zorgen maken. Ze beseffen heel goed dat ze in een bevoorrecht hoekje van de wereld leven, en zijn graag bereid om hard te werken om dat zo te houden. Verreweg de meeste Nederlanders geven aan in hun persoonlijk leven gelukkig te zijn. Maar ze maken zich zorgen over onze samenleving, over hoe we op de wereld en in ons land met elkaar samen leven.

Ze zien de bedreigingen van een turbulente wereld, waarin het optimisme van na de val van de Berlijnse Muur plaats gemaakt heeft voor angst voor gewetenloos geweld, en immoreel of onverantwoordelijk gedrag van sommige –invloedrijke- politieke en economische leiders. Ze voelen zich machteloos tegenover ontwikkelingen als globalisering, robotisering, klimaatverandering en vervuiling. Ze liggen wakker van de kansen voor hun kinderen, de zorg voor hun ouders, en onderlinge verschillen tussen burgers, zowel sociaal-economisch als in normen en waarden, die de potentie in zich dragen om onze samenleving te verscheuren. Zoals het SCP de zorgen van veel mensen samenvat: het gaat wel goed met mij, maar niet met ons.

Als PvdA-fractie zien we ontwikkelingen die de kopzorgen van veel landgenoten heel goed invoelbaar maken. We voelen die zorgen zelf ook. Bijvoorbeeld over de internationale politieke situatie. De oorlog in Syrië, die even uitzichtloos als wanhopig makend is. De internationale gemeenschap slaagt er maar niet in om het geweld te stoppen. Zou Nederland, zou Europa, zo vragen we de minister-president, niet veel actiever positie moeten kiezen om te helpen de burgeroorlog te beëindigen? Daar hebben we ook zelf belang bij; we zien landen als Rusland, die het conflict alleen maar aanwakkeren, niet veel vluchtelingen opvangen. Er lijkt sowieso geen grens te bestaan aan het cynisme waarmee Vladimir Poetin en de zijnen internationale politiek bedrijven. Een oude wijsheid zegt, dat het voor het bestaan van kwaad in de wereld volstaat dat goede mensen niets doen. In zijn eentje richt Nederland weinig uit tegen brandhaarden als in Syrië. Maar Nederland kan wel voluit investeren in de slagkracht van de Europese Unie. Is de minister-president dat met ons eens? Wat kunnen Nederland en Europa nog meer doen? Wordt de urgentie ook in Brussel voldoende gevoeld?

Het verloop van de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen, die zich van dieptepunt naar dieptepunt sleept, maakt veel burgers en bedrijven onzeker, ook in Nederland. Net als de gang van zaken rond het Brexit-referendum, waarin politici the morning after geen plan-B bleken te hebben, of eigenlijk zelfs geen plan-A, en politici uit het leave-kamp pas na de uitslag toegaven dat ze consequent hadden gelogen over de kosten en opbrengsten van een Brexit. Het zal ook veel Nederlanders bezorgd maken over wat politici voor de samenleving nog aan positieve kracht te betekenen hebben. En ja, dat is erg. In een high trust samenleving zoals de Nederlandse nog steeds is, verwachten burgers dat politici zich met waarheidsliefde en idealisme inzetten voor het algemeen belang –wie doet dat anders? Bovendien: de onzekerheid die onverantwoord gedrag van politici veroorzaakt, is ook slecht voor de economie. Zo is de groei in Nederland voor volgend jaar met 0,4 procent naar beneden bijgesteld vanwege de Brexit. Dat is onnodig, en dat maakt het des te pijnlijker.

In die grillige en onvoorspelbare wereld is het zonder meer te prijzen dat minister Koenders heeft aangegeven dat hij zich wil inzetten voor nieuw elan in het kernwapenvrij maken van de wereld. Nucleaire ontwapening is sinds het einde van de Koude Oorlog geen sexy onderwerp meer. Maar het is onverminderd van belang –zeker in de wetenschap dat mannen als Poetin, Kim Jong-Un en mogelijk Trump de rode knoppen beheren. Wij beschouwing de onthouding van ons land vorige week in de Algemene Vergadering van de VN –waar alle andere NAVO-landen tegen een conferentie over het kernwapenvrij maken van de wereld hebben gestemd- dan ook als een positief signaal. Op de website van de VN hebben we echter de verwachting gelezen dat landen die tegen hebben gestemd of zich hebben onthouden eventuele afspraken niet zullen steunen. Die veronderstelling, zo vragen we de minister-president, is toch zeker te kort door de bocht? En zou hij willen toelichten welke concrete stappen het kabinet verder nog hierin gaat zetten?

We vinden het ook goed te begrijpen dat mensen in Nederland zich zorgen maken over de verzorgingsstaat, en of die betaalbaar en bereikbaar blijft voor iedereen. Nederlanders beseffen heel goed dat de verzorgingsstaat van onschatbare waarde is voor de welvaart en de stabiliteit van onze samenleving. Niemand is onkwetsbaar voor de klappen van het leven, maar in Nederland weet je dat die niet alleen hoeft op te vangen. De verzorgingsstaat levert een belangrijke bijdrage aan een eerlijke verdeling van welvaart en heeft de veerkracht van ons land enorm vergroot. Het kabinet Cort van der Linden werd nog geconfronteerd met hongersnood. Dat dat in drie generaties tijd onvoorstelbaar is geworden in ons land, is een geweldige prestatie.

Als PvdA beschouwen we de verzorgingsstaat als het Meesterstuk van de sociaal-democratie. Dat is een belangrijke reden waarom het kabinet Rutte II zoveel aandacht heeft besteed aan het verduurzamen er van. In weerwil van het beeld dat wel eens wordt neergezet, zijn de uitgaven van de Rijksoverheid aan zorg en sociale zekerheid de afgelopen vier jaar alleen maar gestegen. Maar het kabinet heeft de snelheid van die groei wel onder controle gekregen, en dat is van onschatbare waarde. Het zorgt er voor dat we de verzorgingsstaat zullen kunnen doorgeven aan volgende generaties.

De verzorgingsstaat is gegrondvest op solidariteit. Er zijn mensen die dat een ouderwets woord vinden. Wij vinden het juist een opdracht om de actuele waarde van solidariteit steeds opnieuw te verwoorden.

Zo lijkt beheersing van de kosten van de verzorgingsstaat in tegenspraak met solidariteit. Maar dat is juist onmisbaar om de toegankelijkheid van de verzorgingsstaat te borgen. Als de kosten te hoog oplopen, wordt de druk om drempels in te bouwen of eigen bijdragen te innen immers steeds groter.

Voor ons als PvdA staat bovendien vast dat solidariteit nooit alleen kan gaan over mensen die iets nodig hebben of ontvangen, maar ook moet gaan over mensen die een bijdrage leveren, via belastingen en premies. Voor hen mag de verzorgingsstaat geen piramidespel worden, waarin zij wel (moeten) inleggen maar er niet op kunnen rekenen dat zorg en ondersteuning er voor hen ook nog zullen zijn als de tijd daar is. Dat betekent dat solidariteit in de verzorgingsstaat al gauw geborgd moet worden over een tijdspanne van tussen de 45 en 60 jaar; iemand van 25 die nu premie en belasting betaalt, zal niet voor zijn 70e met pensioen gaan en volgens de statistiek gemiddeld niet eerder dan rond zijn 85e een stevig beroep doen op de (langdurige) zorg. Wie de verzorgingsstaat lief is, zal deze lange termijn nooit uit het oog mogen verliezen. En dat is precies wat dit kabinet heeft gedaan.

Toch blijven er ook voor een volgend kabinet nog opgaven over. We zien bijvoorbeeld hoe de verzorgingsstaat schepje voor schepje uitgehold wordt door de enorme opmars van flexibel en zelfstandig werk. Die groei gaat in ons land veel sneller gaat dan in de landen om ons heen, en laat zich ook niet verklaren uit de algehele ontwikkeling van de werkgelegenheid en de economie. Maar ze ondermijnt wel stukje bij beetje de welvaart en veerkracht die we de laatste decennia gewoon zijn gaan vinden. Dat zien we bijvoorbeeld bij AOW en pensioenen: ZZP’ers kunnen mensen in vaste dienst wegconcurreren omdat ze al gauw 20 procent goedkoper zijn als ze geen pensioenafdracht of arbeidsongeschiktheidsrisico in hun tarieven doorberekenen. Maar als zij zelf met werken willen of moeten stoppen, valt hun koopkracht dramatisch terug omdat ze het met alleen AOW of bijstand moeten doen. Waar mensen in vaste dienst dan weer meer belasting voor hebben betaald, omdat zij niet profiteren van zelfstandigenaftrek.

Deze ontwikkeling valt naar onze overtuiging alleen maar een halt toe te roepen door zelfstandigen en mensen in loondienst gelijker te gaan behandelen. Een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor iedereen. Gelijke fiscale behandeling van zelfstandigen en mensen in loondienst. En verplichte pensioenopbouw voor ZZP’ers tot anderhalf keer modaal.

Niet om mensen onnodig te betuttelen. Maar omdat goed voor elkaar zorgen onze samenleving zo veel sterker heeft gemaakt. Omdat mensen rustiger slapen als ze weten dat ze er in tijden van tegenslag niet alleen voor staan.

Daarom maakt onze fractie zich zorgen over het besluit van het kabinet om de doorsneesystematiek in ons pensioenstelsel om te bouwen naar een individuelere opbouw. Dat kost zeer veel geld; klopt het dat het kabinet daar maar liefst 40 miljard euro aan wil bijdragen? Is dat probleem echt zo groot dat het zo’n bedrag rechtvaardigt? Kan dat geld niet beter aan andere doelen worden besteed, bijvoorbeeld de transitie naar duurzame energie, of investeringen in (beroeps)onderwijs en onderzoek, of betaalbare woningen en onderhoud van infrastructuur? En hoe zal het kabinet omgaan met de dreigende kortingen op de pensioenen? Het is toch niet uit te leggen dat de fondsen meer geld in kas hebben dan ooit, en toch wellicht moeten gaan afstempelen? Wat gaat het kabinet doen, zo vragen we de minister-president, om dat te voorkomen?

Een laatste punt van grote zorg voor veel mensen waar ik vandaag op wil ingaan is de manier waarop we met elkaar omgaan. In de tijd van Cort van der Linden waren sociale omgangsvormen voorspelbaar. Iedereen diende zijn plaats te kennen, zoals dat heette. Maar dat was alleen positief voor wie aan de top van de berg geboren werd. Voor alle andere mensen waren die rotsvaste sociale structuren verstikkend, en ontnamen veel te veel mensen alle ruimte voor persoonlijke ontplooiing.

Individualisering en emancipatie hebben ons daarna onnoemelijk veel gebracht. Maar het maakt mensen ook onzeker, omdat het stukken lastiger is geworden om te bepalen waar je thuis hoort, en te doorgronden waar medemensen nog op aanspreekbaar zijn.

Daar komen hedendaagse ontwikkelingen nog bij. Sociale media maken verbindingen mogelijk die nog maar 20 jaar geleden ondenkbaar waren, maar bieden ook een platform voor anoniem schelden, dreigen en roddelen. En ze maken het simpeler voor mensen om zich terug te trekken in hun eigen wereldje, waarin iedereen hetzelfde vindt en leeft, net als in de verzuiling van honderd jaar terug.

Geweld is in onze samenleving aanzienlijk teruggelopen, maar komt als het gebeurt des te harder aan. Van uitgaansgeweld, tot geweld tegen publieke dienstverleners als ambulancepersoneel, brandweerlieden, conducteurs en buschauffeurs, tot de dreiging van terrorisme: het jaagt mensen angst aan.

Dat de komst van vluchtelingen in deze tijd mensen bezorgd maakt, is daarom heel begrijpelijk. Het spreekt voor ons vanzelf dat Nederland een veilige haven biedt aan wie dat nodig heeft. Maar dat betekent ook de confrontatie met weer een nieuwe groep mensen die onze samenleving mee gaat vorm geven, zonder dat we een idee hebben welke kant dat op zal gaan. Nieuwe Nederlanders hebben de afgelopen vijftig jaar ons land verrijkt en hard meegewerkt aan economische voorspoed. Maar ze overschrijden soms ook grenzen die voor verreweg de meeste Nederlanders juist absoluut zijn.

Het is daarom belangrijk dat overheden heel helder en duidelijk zijn over die grenzen. Bijvoorbeeld: om mee te kunnen doen in ons land, moet iedereen Nederlands beheersen en onze geschiedenis kennen. En: de gelijkheid tussen man en vrouw of transgender; tussen homo en hetero of bi; tussen wit en zwart of koffiekleur; tussen gelovig en atheïst of ietsist; tussen jong en oud of middelbaar; tussen werkend en gepensioneerd of werkzoekend; tussen arm en rijk of middenklasse; tussen ziek en gezond of levend met een beperking, is ononderhandelbaar. Dat is overigens soms ook voor mensen die hier al generaties wonen goed om nog eens te benadrukken.

Juist het helder trekken van grenzen schept ruimte voor het zoeken van verbinding.  Om open en nieuwsgierig naar elkaar te zijn, en dat zijn de beste remedies tegen angst en wantrouwen. We hoeven niet overal begrip voor te hebben, maar we moeten wel willen begrijpen. Als we een samenleving willen waarin iedereen zijn eigen levenspad mag kiezen, dan moeten we allemaal kunnen en willen omgaan met verschillen.

Dat leren, daar kun je niet jong genoeg mee beginnen. Goed met elkaar leren samenleven is anno 2016 geen eenvoudige klus. Daarom zouden we alle kinderen moeten leren hoe je dat doet. Zouden burgerschap en maatschappijleer, zo vragen we de minister-president, geen verplichte (eindexamen)vakken moeten worden in basis- en voorgezet onderwijs? Zodat elke jongere leert wat er van hem of haar verwacht wordt als volwassene? En leert hoe je dat doet: vreedzaam samenleven, omgaan met verschillen, onderhandelen, compromissen sluiten, participeren, je recht uitoefenen? Is dat voor de kwaliteit van onze samenleving, met zoveel verschillende mensen in zo’n klein land, niet onmisbaar? We hebben niet de illusie dat zo’n verplicht schoolvak alles oplost. Maar we zijn er wel van overtuigd dat het helpen zal, om de boel een beetje bij elkaar te houden.

Ik kom tot een afronding. Het kabinet-Cort van der Linden heeft, met de Grote Pacificatie van 1917, ons land wezenlijk veranderd en de 20e eeuw in gebracht. Wij zijn er van overtuigd dat het kabinet Rutte II onmisbare stappen heeft gezet om de grote vraagstukken van de 21e eeuw beter aan te kunnen. Maar we zijn er nog niet. Zichtbare investeringen in ‘ons’ en ons allemaal zijn nodig om alle Nederlanders weer vertrouwen in de toekomst te geven. Wij willen daarom graag verder werken aan groei en ontwikkeling, verbinden en versterken. In zulke onzekere tijden is politieke stabiliteit onmisbaar voor economische groei en een sterke samenleving. Het zou goed zijn als Nederland ook daarin een positieve uitzondering in de wereld blijft in 2017.

Delen: