Bedrijfsleven moet nu stoppen met verhogen topinkomens

Bedrijfsleven moet nu stoppen met verhogen topinkomens

Door Jeroen Dijsselbloem op 8 september 2016 Delen  

Terwijl de topinkomens bij bedrijven waarin de staat deelneemt aan banden worden gelegd, zijn de bonussen in het bedrijfsleven aan een opmars bezig. Op dit moment leggen we in het kabinet de laatste hand aan het koopkrachtbeleid. Hoewel het economisch duidelijk beter gaat, houdt de groei van de koopkracht nog niet over.

De beloningen aan de top daarentegen zijn al weer helemaal uit de startblokken. In 2015 stegen de topbeloningen bij Nederlandse bedrijven met 4,25 procent. De Volkskrant noemde deze stijging in zijn jaarlijkse analyse (Ten eerste, 23 juli) ‘gematigd’. Het zegt veel dat we een stijging van drie keer meer dan de cao-loonstijging van 1,4 procent als gematigd omschrijven.

Tegelijkertijd liet de analyse van de Volkskrant zien dat het ingezette overheidsbeleid met maatregelen als de matiging van topbeloningen bij staatsdeelnemingen vruchten begint af te werpen. Het is nu tijd dat deze ontwikkelingen zich doorzetten naar het bedrijfsleven.

Ik wil graag drie trends belichten die bij de ontwikkelingen van topbeloningen te zien zijn. Ten eerste laten de cijfers zien dat de variabele beloning ofwel bonus nog steeds aan een opmars bezig is. Inmiddels is de bonus die topbestuurders jaarlijks krijgen anderhalf keer zo hoog als de vaste beloning. En dat terwijl de meerderheid van de managers zelf zegt niet gemotiveerd te raken van bonussen en we uit de gedragswetenschap weten dat van grote variabele beloningen vaak verkeerd gedrag komt.

Ten tweede blijven de topbeloningen als totaal flink doorstijgen. Sinds de jaren negentig is de gemiddelde topbeloning ten opzichte van het minimumloon meer dan verdubbeld. Ten derde zijn de verhoudingen binnen bedrijven door deze ontwikkelingen uit het lood geslagen. Zo verdienen de topmannen van bedrijven als Ahold, Heineken en Unilever meer dan honderd keer zoveel als de gemiddelde werknemer in hun bedrijf.

In jaren waarin de inkomens van iedereen onder druk hebben gestaan, zijn deze ontwikkelingen niet te verantwoorden. De maatschappelijke kritiek erop is dan ook terecht. Mede als gevolg daarvan heeft het kabinet de afgelopen jaren maatregelen genomen. In de financiële sector is een wet ingevoerd die bonussen beperkt tot 20 procent.

In lijn hiermee zijn met onze staatsdeelnemingen afspraken gemaakt waardoor de bonus ook daar niet hoger is dan 20 procent. Verder beperkt de Wet Normering Topinkomens de beloningen voor (semi-)publieke instellingen tot maximaal 179.000 euro. Sinds 2008 is de topbeloning bij de staatsdeelnemingen gemiddeld met 28 procent versoberd. En er is geen topbestuurder om weggelopen.

In het voorjaar publiceerde de commissie-Van Manen haar conceptrapport voor een nieuwe zogenoemde Corporate Governance Code. Dit rapport over goed bestuur gaat weliswaar in op het beloningsbeleid, maar de maatschappelijke discussie krijgt amper aandacht. De commissie doet geen morele uitspraak en doet nauwelijks voorstellen die de topbeloningen kunnen matigen en meer in verhouding brengen tot die van de werknemers in het bedrijf.

Een gemiste kans wat mij betreft, want er zijn wel degelijk manieren om ook in het bedrijfsleven de beloningen meer in lijn te brengen met wat maatschappelijk te verantwoorden is. Ik geef drie voorbeelden waar de commissie aan zou kunnen denken. Bied openheid en inzicht over de beloningsverhoudingen tussen de top en werknemers in een bedrijf, zoals Amerikaanse bedrijven vanaf volgend jaar moeten doen en Britse bedrijven al doen. Bij de staatsdeelnemingen heb ik als aandeelhouder de bedrijven gevraagd ook over de interne beloningsverhoudingen te gaan rapporteren.

Koppel de stijging van topsalarissen aan de stijging van de lonen in de cao. Volg voor de variabele beloning voor topbestuurders het maximum van 20 procent dat inmiddels geldt in de financiële sector en bij staatsdeelnemingen.

Het maatschappelijk debat hierover zal niet snel verstommen. Integendeel, het raakt aan de onvrede over de kloof tussen ‘de elite’ en de gewone burgers. Als we één samenleving willen blijven vormen, zullen de bestuurders en commissarissen zich rekenschap moeten geven van die onvrede. Daarom juich ik het toe dat grote institutionele beleggers als PGGM zich steeds meer roeren in deze discussie. Het is nu tijd dat het bedrijfsleven volgt. Ik hoop dat de commissie-Van Manen hen daarbij gaat helpen.

Dit opiniestuk verscheen eerder in De Volkskrant.