Bart Tromplezing over cultuurpolitiek

Bart Tromplezing over cultuurpolitiek

Door Ronald Plasterk op 10 november 2010 Delen  

Als oud-cultuurminister mocht ik vrijdagavond de derde Bart Tromplezing uitspreken. De Volkskrant publiceerde die ochtend al een verkorte versie van de lezing, die dit jaar in teken stond van cultuurpolitiek. Wat is de rol van het sociaaldemocratische cultuurbeleid in de samenleving? Klik op ‘lees verder’ voor de integrale tekst.

 

Do not go gentle into that good night,
Rage, rage against the dying of the light.
Dylan Thomas

During the Second World War, Winston Churchill’s finance minister said Britain should cut arts funding to support the war effort. Churchill’s response: “Then what are we fighting for?”
——————–

Waarom cultuur subsidiëren? (PDF)

 

Ooit was de sociaaldemocratie de politieke beweging die streefde naar ‘volksverheffing’. Grappend werd de SDAP wel aangeduid als de Schoolmeester- Dominee- en Advocaten-Partij. Die notabelen hadden opvattingen over wat goed was voor de mens, en schroomden niet die opvatting in politiek om te zetten. Overigens was dat paternalisme evenzeer te vinden in de andere zuilen.

De Tweede Wereldoorlog leidde met enige vertraging tot de beweging van de jaren zestig die zich verzette tegen paternalisme en gezag, en die na enige tegenstribbelen van de kant van de PvdA zich meester maakte van de linkse politiek. En ook hier was het overigens niet alleen de linkse politiek waar we dit verschijnsel zagen, een klassiek geworden beeld is dat van de stijve CHU-politicus Berend Udink die tussen de hippies op de Dam plaatsnam onder het motto ‘beter langharig dan kortzichtig’.

In deze samenleving, waarin het paternalisme zijn positie had verloren, waar het cultuurrelativisme de norm was, kwam dan ook nog eens de immigratiegolf vanuit het Middellandse Zeegebied en het Caribisch gebied, die mensen bracht met eigen culturele, morele en -in het geval van moslims uit de mediterrane regio- religieuze waarden. Waar een klassieke paternalistische samenleving wellicht in korte tijd de kloof gedicht zou hebben was Nederland cultureel weerloos.

Tenslotte leidt de globalisering in combinatie met de nieuwe media tot een a la carte samenleving, waarin eenieder zijn eigen menu samenstelt, en er geen fysieke of technische redenen zijn om dezelfde muzieksmaak te hebben of dezelfde boeken te kennen als de buurman.

Tegen deze achtergrond staan we nu aan de vooravond van de grootste kaalslag in de cultuursubsidies die ons land gekend heeft, ingezet door rechts, en beargumenteerd vanuit een afkeer van paternalisme (‘de overheid moet terugtreden en mensen weten zelf wel waar ze hun geld aan willen besteden’). De argumenten voor het subsidiëren van kunst zijn in de nu lopende discussie nog onvoldoende gepresenteerd.

Eerst wat historische context. Er is sprake van een zekere omkering der waarden. Uitgerekend in de seventies, de periode waar Nieuw Rechts zich het liefst tegen afzet, vond de woordvoerder cultuur van de PvdA dat het onwenselijk was dat cultuur gesubsidieerd werd. En als er al gesubsidieerd werd zou het geld uitsluitend besteed moeten worden aan linkse kunst. Joop Voogd En M. van Hasselt schreven in 1974 in het tijdschrift Socialisme en Democratie: ‘Het profijtbeginsel mag wat ons betreft worden toegepast op traditionele cultuur teneinde de financiële overheidssteun geleidelijk te beëindigen (ook al zou dat de ondergang van een deel der traditionele cultuur betekenen. ‘De overheid bevordert cultuur niet als waarde op zichzelf, maar als iets dat bijdraagt tot de gewenste maatschappelijke ontwikkeling, namelijk de toenemende sociale gelijkheid en mondiale solidariteit. Principieel gezien vinden wij dit het beste uitgangspunt voor een socialistisch cultuurbeleid’.

Voogd heeft met die opvatting gelukkig geen school gemaakt; in het drie jaar later vastgestelde beginselprogramma van de PvdA staat precies het omgekeerde; dat programma wil dat ‘overgeleverde kunstuitingen zoveel mogelijk worden bewaard’, en geeft een andere invulling aan de maatschappelijke betekenis van kunst, namelijk ‘het betrekken van kunstenaars bij de vormgeving van het woon- en werkklimaat en bij het onderwijs’, niet het verbreiden van linkse opvattingen. Het denken van Voogd was daarmee een incident, en het gaat ook niet terug op eerdere opvattingen in sociaal democratische kring. De theoreticus achter cultuursubsudies is de Amsterdamse SDAP-wethouder Emanuel Boekman; ik heb toen ik aantrad als minister van cultuur zijn proefschrift waarop hij in 1939 promoveerde bij de UvA ‘Overheid en Kunst in Nederland’ als uitgangspunt genomen voor mijn cultuurnota ‘Kunst van Leven’. Overigens stond ook Boekman op de schouders van voorgangers, en hij citeert het SDAP Kamerlid Kleerekoper die in 1919 in een Tweede Kamerdebat, waarin principieel de vraag aan de orde was of de overheid het toneel moest subsidiëren, zei: ‘dat het ogenblik is aangebroken, waarop men gerust kan uitspreken dat de tijd dat de goede kunst object kon zijn van particuliere exploitatie voorbij is, dat de goede kunst is aangewezen op de overheid om haar beoefenaren te kunnen geven wat zij moeten hebben om kunstenaars te kunnen zijn en om de kunst te brengen tot het volk’.

Kortom, de opvatting van het rechtse kabinet anno 2010 gaat veeleer terug op die van de PvdA in de gekke jaren zeventig dan op de traditionele sociaaldemocratie.

Waarom kunst subsidiëren? In het genoemde artikel in Socialisme en Democratie van 1974 werd de vraag geformuleerd met dezelfde scherpte als waarmee de PVV en VVD het vandaag doen: ‘Waarom zouden mensen die niet naar toneel, concerten, musea e.d. gaan toch gebonden zijn via belasting daaraan mee te betalen? Welk belang van de samenleving als geheel is gediend met de verbreiding van traditionele cultuur? Wij kunnen geen bevredigend antwoord geven.’

Voordat ik mijn antwoord geef eerst de vraag: moet je –in moderne campagnetermen- wel ‘mee in dat frame’? Moet je niet met een grandioos gebaar zeggen dat het allemaal gezeur is, gepietepeuter, dat kunst ver verheven is boven zulk gezeur, dat het een schande is om te spreken van een ‘product’, en al helemaal van de ‘consumptie van een product’? Ik meen van niet. Want je kunt wel heel verheven doen, maar als de belastingbetaler voor een concertbezoeker 100 euro bijdraagt aan het kaartje, dan is dat gewoon geld, echt geld, geld dat je ook aan andere mooie doelen zou kunnen besteden. Dus ik vind dat de vraag beslist gesteld kan en moet worden. Maar ik denk tegelijk dat er ook een goed antwoord op is. Als een kaartje voor de opera 160 euro kost, totale kosten, en je gaat er met het gezin heen, dan is dat 640 euro. Zou die prijs aan de deur gevraagd worden, dan zouden weinigen gaan, en zou de uitval van de vraag zo groot zijn dat dat operagezelschap de poorten zou moeten sluiten. (De vergelijking met Londen en Parijs waar men zulke prijzen wel betaalt gaat niet op, omdat men het daar grotendeels moet hebben van buitenlandse toeristen, en op de kosten van een weekje Londen maakt zo’n toegangsprijs dan kennelijk ook niet meer zo veel uit.). Maar als dat zo is, als zelfs de liefhebbers zo’n avond geen 640 euro waard vinden, waarom zouden de niet-liefhebbers dat dan wel moeten vinden? Waarom zouden thriller-lezers moeten meebetalen aan subsidies voor het schrijven van boeken waar ze niets aan vinden?

Dat is de hamvraag, en u kunt het rustig aan de populisten overlaten om die vraag in alle gedaantes steeds weer op te werpen.

Twee politieke opmerkingen vooraf.

  1. Deze coalitie van VVD, PVV en CDA is voor de cultuur veruit de slechtst denkbare combinatie. Dat komt omdat de drie partijen ieder een eigen motief hebben, die samen een voor de cultuur levensgevaarlijke mix opleveren. Bij de VVD het profijtbeginsel in combinatie met de wens de overheid terug te dringen. Dus de gebruiker betaalt, en als hij dat niet wil: jammer maar helaas! Bij de PVV leeft een diepe ideologische wrok tegen wat men beschouwt als de intellectuele elite. En het CDA heeft nauwelijks kiezers in de groep burgers die in beeldspraak wordt aangeduid met de ‘grachtengordel’, dus de hoger opgeleide cultuurliefhebbers in de steden, heeft daar weinig sympathie voor, en kiest systematisch voor de regio, voor volkscultuur, voor monumentale kerken, en niet voor literatuur, film, toneel, dans of beeldende kunst. In dit trio staat niemand voor de kunst.
  2. Een tweede politieke opmerking, en hier zet ik even mijn nieuwe pet op als financieel specialist: er is financieel economisch geen enkele noodzaak voor de maatvoering van de bezuinigingen op cultuur. Er wordt over de hele begroting 12 miljard bezuinigd (en 6 miljard lasten verzwaard), dat is pakweg 5,5%. Als je dat evenredig toepast op de cultuursubsidies kom je op nog geen 50 miljoen bezuinigingen. De regering kiest een vier maal zo hoog bedrag, en omdat  men bovendien bijna de helft van de cultuurbegroting op een arbitraire manier buiten haken zet, monumenten en erfgoed, is de korting 40% op de kunst, 7 maal hoger dan een evenredige bijdrage. En dan hebben we het nog niet over de omroeporkesten, de BTW-verhoging, en de korting op het gemeentefonds waarvan je zeker weet dat de gemeentes die ook zullen doorgeven aan de bibliotheken, de schouwburgen, de cultuureducatie.

De kaalslag die dat oplevert is geen economische noodzaak. Zelfs als je 18 miljard wil bezuinigen, dan is wat er nu gebeurt, een puur ideologische keuze. Hier is sprake van revanchisme. Het grote afrekenen is begonnen. ‘Nu zijn wij aan de macht, weg met de linkse hobby’s. Ze zullen de pijn voelen.’ Dat is het doel, de pijn laten voelen. Daarom zijn de reacties op protesten ook voorspelbaar: rechts zal zeggen: voelt u de pijn, mooi, dat was precies de bedoeling. Officieel zullen ze dat natuurlijk niet zeggen, maar met een smoesje komen. Toen de regering de afgelopen week besloot geen Nationaal Historisch Museum te bouwen, ja misschien een website of zo maar geen echt museum, was de motivatie: “’In een tijd dat, ook op de cultuursector, fors bezuinigd moet worden, is het niet reëel aan een dergelijk kostbaar en risicovol project te beginnen’”. Maar dat is hypocriet, want dat “ook” suggereert een gelijkmatige bijdrage aan de bezuinigingen, bovendien wordt net gedaan of de hoogte van de totale bezuiniging een natuurramp was. Het was een keuze die gemaakt is door dezelfde mensen die nu zo’n museum afbreken: de (voormalige) leden van de regeringsfracties. Dus verschuil je niet achter dat regeerakkoord, je bezuinigt hierop omdat je dat wil.

Dat revanchisme, de diepe nijd tegen intellectuelen, tegen wat men ervaart als de elite, tegen cultuur, is werkelijk beangstigend. Er is altijd een tegenstelling te verzinnen op diverse beleidsterreinen, niet alleen cultuur, tussen diverse segmenten van de bevolking, maar dat een ministersploeg zich zo duidelijk partij deelgenoot maakt van die spanning, dat is uniek.

Waarom zou de overheid kunst subsidiëren? Ik loop zes argumenten kort langs:

  1. Er kan sprake zijn van een collectief goed, waarbij men zich niet kan onttrekken aan het genot en er redelijkerwijs niet particulier voor kan betalen. Een beeld in een park, niet individueel te beprijzen. Hier geldt dezelfde argumentatie als bij een brug. Tenzij je tol gaat heffen zouden er geen bruggen of standbeelden zijn zonder dat er collectief voor wordt betaald. Dit geldt ook voor landschapsarchitectuur, en voor de monumentale buitenkant van gebouwen.
  2. Externe effecten: dus baten van de cultuur die niet door de cultuurproducenten zelf worden geïncasseerd, maar door derden. Het CPB is bezig met een studie hierover, en het zal vast niet meevallen om het voor de sector als geheel in harde getallen uit te drukken, maar het is evident dat Bezoekers van Amsterdam betalen niet alleen voor hun museumbezoek maar besteden ook geld in de horeca en in de winkelstraten van Nederland. Eind negentiende eeuw was in de Leidse gemeenteraad een van de argumenten voor subsidie aan de Schouwburg dat zonder schouwburg er wel eens minder studenten naar Leiden zouden kunnen komen. In ruimere zin zijn er externe effecten doordat Nederland in de wereld bekend staat als interessant, creatief, cultureel, vrijdenkend, spannend; dat is voor een groot deel te danken aan de bekendheid van onze beeldende kunst, onze dans, onze musea, onze muziek, en het beïnvloedt ons vestigingsklimaat en onze entree in het buitenland. Het regeerakkoord beleidt dat met woorden: Nederland wil een ambitieus, toonaangevend land zijn in de wereld. Dat argument geldt in steeds sterkere mate. We leven in de tijd van de metropolen. Steden die op wereldschaal om talent concurreren. Bedrijven die zich vestigen waar talent woont, niet andersom. Een steeds groter deel van de economische groei en dynamiek speelt zich af in de stad. In de race om talent speelt de aantrekkelijkheid van een stad door zijn cultuur en architectuur een hoofdrol. Snijden in cultuur is voor de economische dynamiek op langere termijn zeer gevaarlijk. Er is geen toonaangevende econoom te vinden die denkt dat je risicoloos in cultuur kan snijden. Maar ja, zowel de VVD en als de PVV kennen nauwelijks economen onder haar politici.
  3. Dan de merit goods. Soms drukt de koopkrachtige vraag niet werkelijk uit wat goed zou kunnen zijn voor mensen. Het argument is nog het minst discutabel als het gaat om kinderen. Zij denken dat ze alleen van actiefilms houden, maar wij weten dat als we ze vragen de tijd te nemen om poezie te leren waarderen, of dans of klassieke muziek, ze iets meekrijgen waar ze de rest van hun hele leven groot plezier en grote geestelijke rijkdom aan zullen ontlenen. Een kind kan dat niet weten. Ja, het is paternalistisch, maar dat is ook onze taak als grote mensen. Dus voor kinderen is het merit good argument onomstreden. Maar u begrijpt dat dit als het om volwassenen gaat het soort argumenten is waar populisten een rood waas voor ogen van krijgen: ‘wie is de overheid dan wel om te bepalen dat het goed voor mij is dat ik die jengelmuziek hoor etc.’, laatst was er een duo-gemeenteraadslid van het CDA te Amsterdam die in De Volkskrant helemaal los ging in die richting. Let the doors be shut upon him, that he may play the fool nowhere but in his own house, maar ik denk toch dat het argument een paar meer woorden verdient. Boekman, ik citeerde hem net al, had al heel scherp door hoe het zat. Hij schrijft op pagina 187 van zijn proefschrift: ‘Een kuntspolitiek van de overheid moet erop gericht zijn de belangstelling voor kunst te vergroten en, waar zij niet bestaat, te trachten belangstelling voor kunst te wekken’. Boekman bepleit dat de overheid zich tot doel stelt om de kunst te bevorderen om zichzelfs wille, en daarom ook opvoedt tot ontvankelijkheidvoor kunst, en het ook accepteert wanneer uiteindelijk maar een deel van de bevolking musea en concerten bezoekt. Het verschil met het  profijtbeginsel-denken is dat Boekman de smaak van het publiek, vertaald naar koopkrachtige vraag, niet als absoluut gegeven beschouwt, maar als startpunt voor overheidsacties. Maar daarin schuilt de boosheid van populistisch rechts. (Laten we overigens signaleren dat kunstenaars soms zelf hebben bijgedragen aan het epateren van de bourgeoisie door de verheven rol van de kunst te ironiseren.) Er zijn vormen van cultuur die niet direct heel toegankelijk zijn, geen appelmoes, je moet het leren eten, en pas als je met wat moeite de smaak te pakken hebt gekregen realiseer je je wat je anders gemist had. Ik wil benadrukken dat ik – met Boekman- denk dit argument voor sociaal democraten cruciaal is, terwijl er inderdaad een probleem ontstaat wanneer een kring van beroepsgenoten zich te weinig gelegen zou laten aan de smaak van het publiek. Laat ik eerlijk zijn: ik heb me de afgelopen jaren een doodenkele keer gestoord aan een enkeling die meende dat zijn recht op subsidie vanzelf sprak, geen nader betoog behoefde, dat het ordinair was om bezoekersaantallen te tellen, hoe durfde de beoordelende commissie daar iets over te zeggen, etc. Een doodenkele keer. Maar ik zeg u: ik ben drie jaar minister van cultuur geweest, en ik heb overal in het land orkesten gezien die de jeugd de concertzalen intrekken, musea die met spannende sandwich-formules enerzijds grote publieksaantallen trekken en anderzijds de artistieke en cultrurele kwaliteit zeer hoog houden, dansensembles die nieuw publiek aanboren. Dat is de regel, niet de uitzondering. En als er loeihard aan wordt getrokken om mensen ‘tot het hogere te brengen’, als men er alles aan doet om te voorkomen dat voor een steeds kleiner en smaller samengesteld publiek hetzelfde wordt gedraaid, als dat allemaal gebeurd is, dan vind ik het uiteindelijk geen bezwaar dat er soms ook producties zijn voor kleinere groepen liefhebbers. Dan moet je niet bij de deur staan turven wat de sociale samenstelling van het publiek is, om dan heel hard ‘elitair’ te roepen. (Lastig hierbij is overigens dat wanneer het lukt liefde voor bepaalde kunstuitingen over te brengen, er altijd snobs zijn die spreken van een zinkend cultuurgoed, en andere voorkeuren ontwikkelen. Kijk hoe Corneille wordt benaderd. Cobra was hoge kunst, maar toen Corneille badgordijnen ging ontwerpen die goed verkochten, toen was het opeens niet meer zo cool.) Maar het juiste antwoord van progressieve politiek is niet om dan maar de hele cultuur negatief te bejegenen, maar om zelf ook waardering te hebben, en zichtbaar te maken, voor populaire vormen van cultuur. Van Draaksteken in Weesel, tot het Draaiorgelfestival op De Dam, van het Bloemencorso in Noordwijk tot de Brassband kampioenschappen in Groningen, het is cultuur die waardering verdient. Waarom wel in de rij staan om in het Rijksmuseum een opgegraven haarspeld uit Mesopotamie te bewonderen en tegelijk neerkijken op de klederdracht van Scheveningen? Als dat de mentaliteit zou zijn dan wordt de opdracht van Boekman een Sisyphus arbeid: je probeert de mensen tot de hoge kunst te brengen, en als ze er zijn dan is het opeens geen hoge kunst meer en moet je weer opnieuw beginnen.
  4. Een vierde argument is het argument van behoud. Er zijn objecten of tradities waarvan het vast staat dat ze niet verloren mogen gaan. De hunnebedden. Die moeten we behouden, wat er ook gebeurt, ook als de bezoekersaantallen even zouden achterblijven. Daarnaast is er ook een grote categorie waarvan het niet evident of zeker is of we ze eeuwig moeten ondersteunen. Neem als gedachtenvoorbeeld de luit. Er zal alleen nog werk worden gecomponeerd voor de luit als er mensen zijn die er op spelen, en er spelen alleen mensen als er docenten zijn, en er zijn alleen docenten als er concerten worden gegeven, etc. Nu sterven muziekinstrumenten wel eens uit, je kunt niet alle tradities voortzetten, maar wel is het uitsterven bijna zeker onherroepelijk. Voor economen: er is sprake van hysterese, padafhankelijkheid, de weg naar de uitgang kan niet zomaar omgekeerd bewandeld worden als we over een paar jaar weer wat meer geld hebben. Dus het argument van behoud behelst dat subsidie garandeert dat er een fikse vertraging optreedt voordat het wegvallen van publieke interesse ook direct het wegvallen van een kunstuiting betekent; dat schept tijd, die de gelegenheid biedt voor heroverweging, het voorkomt al te snel verdwijnen.
  5. Dan het onderwijs-argument, of investeer-argument: niemand weet van zichzelf of hij of zij een toptalent is, en individueel is de kans zo klein dat je Janine Jansen bent, dat het niet rendeert om een fortuin in je eigen loopbaan te investeren. Dus als we als samenleving toch prijs stellen op die toppers dan moeten we bijspringen. Dat geldt ook voor sectoren waar de succesvolle toppers zonder subsidie toekunnen. Neem André Rieu: die heeft nu echt geen subsidie meer nodig, de mensen zijn gek op zijn muziek en hij doet goede zaken, maar hij heeft wel via het gesubsidieerde conservatorium en het zwaar gesubsidieerde LSO zijn carrière kunnen starten, en je weet niet van tevoren welke leerling of jonge musicus de volgende André Rieu wordt.
  6. Laten we even speciale aandacht geven aan de regionale spreiding van cultuur. Er bestaat een sterke neiging van gelijkgestemden om bij elkaar te gaan wonen, en jonge ambitieuze artistiekelingen gaan daarom gemiddeld vaak naar de grote stad. Zo ontzettend veel grote steden hebben we niet in Nederland, en dus eindigt de helft van de kunstenaars en de kunstproducerende instellingen in Amsterdam, en nog wat plukjes her en der elders, terwijl tegelijk de landelijke subsidies in hoge mate gebruikt worden om juist het regionale kunstleven overeind te houden. Dat levert een zesde argument op om cultuur te subsidiëren, het argument van de regio: het verschil tussen een slaapstad en een vitale stad is cultureel leven. Als je wil voorkomen dat jonge ambitieuze ondernemende mensen de regio verlaten dan moet je ze ook cultureel wat te  bieden hebben, en het hele land hoort er wat voor over te hebben om de leegloop van krimpregio’s te voorkomen. De belastingbetaler betaalt per bezoeker veel meer mee aan het Orkest van het Noorden of het Limburgs Symfonie Orkest dan aan het Concertgebouworkest of het Roterdams Philharmonisch. De orde van grootte is dat bij de laatsten de bezoekers voor een kaartje vijftig euro neertellen en de belastingbetaler ook vijftig euro, terwijl in de regio de bezoeker vijfentwintig euro betaalt en de belastingbetaler honderd. Hoe kan dat dan? Er gaan in de regio minder mensen naar de voorstellingen, en de betaalbereidheid is geringer. Dus ik verwacht dat het CDA, altijd opkomend voor de regio en wat mij betreft dus terecht, bij deze grote bezuinigingen slechts twee mogelijkheden heeft: ofwel het culturele leven in de regio verdwijnt, wandel je moet de asymmetrie die ik net noemde tussen bijdrage per toegangskaartje in Randstad en regio, nog verder vergroten, maar dan kom je in strijd met de ideologie van het profijtbeginsel waar het de rechtse partijen zich achter verschuilen.

Dat zijn zes categorieën van argumenten om cultuur te subsidiëren.

Ik wil specifiek even terugkomen op de kwestie van de verschillende inkomensgroepen. Het SCP heeft ooit in een nota ‘Profijt van de Overheid’ voorgerekend dat er sectoren zijn waar gemiddeld geld loopt van laagbetaalden naar de rijkeren: het hoger onderwijs en de cultuur. Dus zou je kunnen zeggen: ‘Als de notaris zo nodig naar de opera wil, laat hij zelf zijn kaartje betalen, want via subsidie betaalt de groenteboer op de hoek de elitaire uitjes van de rijken. Schaf de subsidie af en maak de kaartjes duurder, dan betalen ze hun eigen hobby’s.’

Laten we allereerst vaststellen dat de overheid niet gaat over de hoogte van de prijskaartjes. Die bepalen de instellingen zelf. Het gekke is dat dezelfde rechtse mensen die altijd de mond vol hebben van het marktmechanisme hier opeens doen alsof er geen markt bestaat. Cultuurproducerende instellingen wier subsidie gehalveerd wordt gaan niet hun prijskaartjes sterk verhogen. Deden ze dat wel dan bleven de bezoekers massaal weg, die moeten toch al kiezen tussen een avond cabaret of bioscoop, of een concert, en ze willen voor dat laatste best wat meer betalen, maar bij te hoge prijzen wordt er minder afgenomen. Nee, wat die instellingen noodgedwongen doen als de subsidie wegvalt, is het aanbod aanpassen. Schouwburgen gaan nog meer cabaret programmeren, nog meer kaskrakers, en wat sneuvelt zijn de experimenten, de starters, de jongere makers, de onderwerpen die net iets minder mainstream zijn. En we weten ook dat alle kaskrakers van nu klein begonnen zijn. Dus het is een sprookje dat je de rijken eenvoudig meer kunt laten betalen voor ‘hun’ cultuurplezier door de subsidie te verlagen en de prijzen te verhogen. Daar komt bij dat we het ook belangrijk vinden dat jongeren, studenten, en mensen met modale inkomens zo af en toe eens kunnen genieten van een concert of opera; duurdere kaartjes zullen de samenstelling van het publiek alleen nog maar eenzijdiger maken, dus nog meer reden om te korten op subsidie, dus nog minder publiek met een kleine portemonnee, net zolang totdat kunst inderdaad een hobby voor rijkelui is. Iets anders is overigens dat je wel meer kunt doen met prijsdifferentiatie, dus je maakt de kaartjes voor de gala-avond duur en voor de vrijdagmiddagvoorstelling goedkoper; dat doen instellingen ook al veelvuldig, maar zou nog meer kunnen gebeuren.

Nee, als je werkelijk de rijken meer wil laten bijdragen aan cultuur dan kun je beter de inkomstenbelasting voor rijken een snippertje verhogen. Als je in deze zware tijden inkomens boven de 150.000 Euro iets meer belasting laat betalen, namelijk voor het deel boven de 150.000 een marginaal tarief van 60% in plaats van 50% is de jaarlijkse opbrengst 250 miljoen euro. Daarvan kun je de gehele korting op de cultuur ongedaan maken! In de verkiezingscampagne riepen rechtse partijen dat deze opbrengst zo gering was dat het ging om een symboolmaatregel, maar realiseert u zich dat dat nog wel meevalt, als die 250 miljoen een symboolmaatregel is, dan is de 200 miljoen korting op de cultuur dat ook. Als je je zo opwindt over profijt dat de hogere inkomens hebben van de overheid dan zou je overigens ook de hypotheekrenteaftrek kunnen beperken. Als je die aan een plafond bindt, bijvoorbeeld de waarde van een gemiddelde woning, dan levert dat tientallen malen zoveel op als wanneer je de bijl zet in de kunstsubsidies. Dus dat inkomensargument is een gelegenheidsargument, het is vals, het verhult dat het werkelijk gaat om iets anders.

Een alternatief voor subsidies zou zijn dat er meer privaat geld gevonden kan worden. Hoe dan? Er komt een ‘Wet Geven’! Wat daar in moet komen te staan is onduidelijk. Twee dingen daarover. Ten eerste schaft de regering nu juist de fiscale behandeling van culturele beleggingen (en trouwens ook van groene beleggingen) af. Dus enerzijds een nieuwe wet, anderzijds het stoppen van een oude wet die het bedoelde effect wel had. Over bestuurlijke drukte gesproken. Het ware beter dat de regering die Wet Geven niet zou indienen en die fiscale behandeling niet afschafte. Hoe zit het dan met het fiscale begunstigen van giften aan culturele instellingen? Giften zij al lang voor de belasting aftrekbaar. Ik heb me als minister bij herhaling beziggehouden met pogingen de fiscale ruimte voor cultuur verder te vergroten, maar stuitte elke keer op een krachtige staatssecretaris van Financiën die wist voor te rekenen dat een verdere verruiming misbruik, strategische constructies, ontwijking en ontduiking zou opleveren. Nee, die Wet Geven is een doekje voor het bloeden.

We moeten hoe dan ook niet meegaan in het  elite-sprookje van rechts. Want los van wat ik al gezegd heb is het ook helemaal niet waar dat die cultuursubsidies zo dramatisch terecht komen bij de hoge inkomens, en dat de bezuinigingen gunstig zijn voor de lager betaalden. De cultuurkaart sneuvelt, terwijl het CJP generaties gewone jongeren net het extra duwtje gaf om eens een museum of theater in te gaan. Het Nationaal Historisch Museum is het eerste project dat koppie onder gaat, dat wordt nu een website in plaats van een museum. Dat was (ook door de locatie, niet gericht op de toerist of standaardmuseumbezoeker in de Randstad maar juist op de gezinnen met kinderen vanuit het hele land die een dagje uitgaan of op bussen met scholieren) nu juist bij uitstek een manier om onze cultuur en  geschiedenis bij alle jonge Nederlanders te brengen. Het budget was 12 miljoen per jaar. De Nederlander heeft voor nog geen euro per jaar een Nationaal Historisch Museum. Wat je voor die paar dubbeltjes krijgt is een museum waar iedereen in zijn leven minimaal een paar keer naar toe zou zijn gegaan. We hebben een premier die historicus is, en een vice-premier die het is, en het eerste wat sneuvelt is het historisch museum! Het voorbeeld laat zien dat het onzin is om met anti-elitaire retoriek te hakken in de cultuur, want het zijn de gewone mensen, de jongeren, de lage inkomens die als gevolg hiervan de weg naar de cultuur niet meer zullen vinden, terwijl de welgestelde yuppen met een stedentripje een weekendje cultuur gaan snuiven in Berlijn of Barcelona.

Ik ben tot dusver zoals aangekondigd meegegaan in het ‘frame’ van de economistische manier van marktdenken. Dat heb ik bewust gedaan, want ik wil dat we elk argument van de Filistijnen, van de Dark Side, van de bewindspersonen die het licht uitdoen, de Horrorsinterklasen van de cultuur, tot in detail kennen, opdat we deze discussie optimaal kunnen voeren. Vandaar dat ik me tot in het uiterste uitdruk in de terminologie die ook rechts zou moeten kunnen aanspreken.

Toch wil ik op het slot ook buiten dat frame denken. Je kunt het gesprek over cultuursubsidies volledig voeren in termen van marginale opbrengst, nut, kosten, en micro-economisch evenwicht. Dat geldt ook in andere sectoren: als je meegaat in de logica waarin je alles aan de individuele gebruiker toerekent, wat is dan eigenlijk de reden om je best te doen voor het behouden van ongerepte natuur waar geen mens komt, van condornesten op de toppen van de Andes waar toch niemand van geniet, tot de pinguïnkolonies op Antarctica? Daar komt geen hond! Moet je uitrekenen wat dat kost per persoon die er wel komt!

Er is een alternatief voor dit boekhoudersdenken. Je kunt ook kijken naar het effect van wat je van plan bent. Economisch hoeft deze bezuiniging op cultuur zoals gezegd niet, er gebeurt niets met de Nederlandse economie als je 150 miljoen minder bezuinigt op kunst en die BTW gewoon laat zoals ze is. Er is niemand die er aan twijfelt dat wat nu wordt voorgesteld leidt tot grote kaalslag, en de PVV is er ook eerlijk over dat men die ook wil, lees het hoofdstuk ‘Linkse Kak’ in het recente boek van Martin Bosma. Dus kijk naar het effect, en je kunt kiezen in wat voor land je wil leven: in een land waar we met zijn allen iets lappen voor cultuur, of in een land waar alles direct op de markt moet kunnen overleven. In een land waar we onze cultuur koesteren, nieuwe experimenten ondersteunen en onze schatten als publiek bezitten koesteren en toegankelijk maken, of in een land waar elk nemen van collectieve verantwoordelijkheid, elke zorg om het publieke domein, onmiddellijk als betutteling wordt weggesabeld. Het is echte een ideologische keuze, en de discussie over cultuur is een pars pro toto.

De winst van de draconische voorstellen van deze regering is dat men niet ontkent dat die keuze voorligt. Het past inderdaad in het verhaal van de meest rechtse regering die ons land ooit gehad heeft (de karakterisering is van coalitiepartner Wilders), om deze keuze te maken. Maar ik vraag hier aan Joop Atsma, die tot zijn staatssecretariaat voorzitter van het Orkest van het Noorden was, door mij op zijn verzoek benoemd, en altijd zeer stevig pleitbezorger van zijn orkest: Joop, ga jij het ze uitleggen? Ga jij ze in het Noorden vertellen dat ze een linkse hobby zijn, en dat er in Nederland nog maar één orkest overblijft? Maxime: ga jij het sneuvelen van het Historisch Museum uitleggen aan al die mensen die je enthousiast gemaakt had met je plannen? Dat we Nederland Nederlandser willen maken, maar nu even niet? Mark Rutte: ga jij de VMBO klassen vertellen dat die cultuurkaart niets voor hun is? Vrienden, willen jullie dit nu echt?

De cultuursector is beter gebekt dan menige andere sector, terwijl elders, denk bij de WSW, harde klappen vallen onder groepen die minder voor zichzelf kunnen opkomen. Dus laat de cultuursector zich volledig terecht druk maken om deze idiote bezuinigingen, maar tegelijk denken over gemeenschapszin, over de publieke sector, over wat we met elkaar willen delen, over wat we willen behouden, mogelijk maken, doorgeven, laat het voorbeeld van de kunst en cultuur een startpunt zijn voor een hernieuwd denken over wat we van waarde vinden, over in wat voor wereld we willen leven. Ik hoop ook bij acties tegen onterechte bezuinigingen elders de steun van de cultureel geïnteresseerden te zullen zien. Zolang we het die bredere strekking geven is het volledig terecht dat we vechten tegen deze gekte.

Laat ik eindigen met een woord van hoop. De coalitie heeft het in de Tweede Kamer vorige week glashelder gemaakt dat men totaal gelukkig is met elkaar, en geen enkele bereidheid heeft buiten de vastgestelde begroting te treden. Maar kijk wel goed naar het tijdspad. De oploop van de bezuinigigng op de cultuur is vanaf 2011 tot 2015: 30, 50, 100, 150 en 200 miljoen euro. De grote klappen komen in de laatste drie jaar. Gemiddeld zitten kabinetten de rit niet uit. Dus laten we hopen, van Limburg tot het Noorden, van de cultuurkaart tot het ballet, van het Historisch Museum tot de muziekschool, van de bibliotheek tot de amateurkunst, laten we hopen dat dit kabinet tijdig valt. Laten we hopen dat er een punt wordt gezet voordat de grootste schade wordt gedaan, zodat we een nieuwe start kunnen maken.

5 november 2010, Rode Hoed, Amsterdam

Delen: