Armoede bestrijden in middeninkomenslanden

Armoede bestrijden in middeninkomenslanden

Door Marit Maij op 19 april 2013 Delen  

Nederland moet een volwassen, gelijkwaardige relatie met ontwikkelingslanden aangaan. Hulp moeten worden toegespitst op de allerarmste landen en fragiele staten. In de rijkere ontwikkelingshanden zullen handel en investeren de komende jaren een rol gaan spelen. Onderdeel van deze nieuwe en gelijkwaardige relatie is ook regeringen aanspreken op hun verantwoordelijkheden. Regeringen in rijkere ontwikkelingslanden kunnen en moeten publieke voorzieningen zelf verzorgen, niet alleen voor de gelukkige elite, maar voor iedereen.

De wereld is volop in verandering. Het lijkt een open deur, maar het is belangrijk deze constatering voor ogen te houden als we het nieuwe Nederlandse beleid voor internationale samenwerking vormgeven. Nederland zal zijn buitenlandbeleid moeten aanpassen aan de nieuwe mondiale politieke en economische verhoudingen.

Het is een feit dat wereldwijd de armoede afneemt. Armoede is daarnaast al lang niet meer een probleem van alleen arme landen. De meeste arme mensen leven in opkomende, florerende en snel groeiende economieën als India, Pakistan, Brazilië, China, Ethiopië, en Nigeria. Maar 1990 daalde de armoede in China met driekwart, Brazilië zag de armoede met de helft afnemen en India met een derde. Nederland had in die landen 10 jaar geleden nog een ontwikkelingssamenwerkingsprogramma, dat vind ik daar nu echt niet meer aan de orde. Andere landen, veelal fragiele staten in Afrika, blijven echter gevangen in vicieuze cirkels van armoede, slecht bestuur en/of conflict.

De Nederlandse regering moet bilaterale hulprelaties daarom meer toespitsen op deze armste en fragiele landen. Dit zijn bij uitstek de landen die hun armoedeprobleem nog niet zelf kunnen oplossen. Voor de middeninkomenslanden zou er een ander beleid moeten komen. Dit is de groep landen die fors groeien en economieën van formaat zijn geworden. Daar hoort ook stijgende rijkdom bij en meer macht op het wereldtoneel.

De bilaterale OS-relatie in middeninkomenslanden moet dus worden afgebouwd, maar wat kan de Nederlandse regering hier nog wel doen? Voor deze groep van middeninkomenslanden is het probleem niet zozeer dat er te weinig geld is, maar dat rijkdom oneerlijk verdeeld wordt. Je wieg zal maar in een krottenwijk in New Delhi, of op het platteland van Qinghai staan. Daarom moet de nadruk van de Nederlandse steun aan deze armen liggen op de herverdeling van welvaart en welzijn in middeninkomenslanden. Geen financiële steun aan overheden die goed in de slappe was zitten, maar helpen de juiste sociale voorzieningen te ontwikkelen om de groeiende rijkdom eerlijk te delen.

Sommige partners zijn teleurgesteld dat onderwijs geen speerpunt van het Nederlandse OS-beleid meer is. Dat begrijp ik. Nederland zal in noodgevallen in bijvoorbeeld vluchtelingenkampen via noodhulp organisaties als UNHCR scholing voor kinderen daar blijven financieren. Maar Nederland zal geen scholen meer bouwen of salarissen van leraren bekostigen. Wat we wel kunnen doen, is mensen helpen om goed onderwijs op te eisen bij hun regering. Ik zie hierin ook een belangrijke rol voor het Nederlands maatschappelijk middenveld. Zij kunnen achtergestelde groepen in de rijkere ontwikkelingslanden helpen zelf hun rechten op publieke voorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg en sociale zekerheid bij overheden op te eisen.

Vroeger gaven we een vis, toen hielpen we mensen met een hengel en leerden we ze vissen, nu zullen we mensen helpen de hengel bij hun eigen overheid op te eisen.

Een verbonden samenleving

Eerlijke spelregels zijn nodig. Zodat grote bedrijven netjes belasting betalen, net als de bakker op de hoek. Zodat we uitbuiting van werknemers aanpakken. En zodat we minder schreeuwen en beter naar elkaar luisteren.

Lees ons verkiezingsprogramma