Nijmegen 1.

De NS Fietsenstalling.

Nijmegen 1: de NS-fietsenstalling

Nijmegen.- In het park liggen en zitten jonge mensen. Ze drinken wijn, eten exotische lekkernijen en drie jongens, in de schaduw van een beuk, roken een gemeenschappelijke joint. Zo verleidt het voorjaar in Nijmegen de overwegend jonge, hoogopgeleide bevolking van de oudste stad van het land. Voor hen worden in snel tempo nog eens twintig duizend woningen gebouwd, ten noorden van het oude centrum aan de overkant van de Waal. Met deze ‘Waalsprong’ ontstaat straks een wijk met 35.000 woningen. Daarmee is die ene wijk groter dan steden als Vlissingen of Middelburg en telt Nijmegen meer dan 200.000 inwoners.
De traditionele arbeiders- en fabrieksstad is in enkele decennia ingrijpend van karakter veranderd; fabrieken zijn of worden gesloopt; de meeste banen vind je hier nu in de zorg of het onderwijs. De fiets is het belangrijkste vervoersmiddel, aangevuld met superieure openbaar vervoerverbindingen. Ten zuiden van de stad, in Limburg, ontdek je de keerzijde op het platteland. Daar blijven laag opgeleide, oudere bewoners achter, en verarmt de samenleving in snel tempo. Maar daarover later, in volgende tochten, meer.

Het verhaal van de tocht door Nijmegen begint onder het station, in de fietsenstalling. Tot mij vreugde is hier een bewaakte staling: er zijn mensen. Behalve in Zwolle waren alle andere stations waar ik de voorbije maanden een OV fiets huurde, geautomatiseerd. Dat wil zeggen dat de Nederlandse Spoorwegen anonieme, onaangename of winderige plekken hebben waar je een fiets kunt vinden of stallen en waar mensen zijn vervangen door plastic kaartjes, gesloten deuren en camera’s. Dat is niet leuk, en zelfs onaangenaam. Bovendien is een bewaakte fietsenstalling ook een plek waar je een fiets kunt laten repareren, en je kan er nog allerlei andere diensten onderbrengen, wanneer daar maar oog voor hebt. Het zou mensen volwaardig werk bieden, en perspectief.
Tegen de medewerkster van de stalling, een jonge en stoere vrouw met een open, hartelijk gezicht, zeg ik dan ook dat ik zo blij ben dat ik haar tref. Ze lacht. Anneloes Robben (22 jaar) werkt hier, sinds 4 februari van dit jaar, vertelt ze en voegt ze er direct aan toe: “Het is ook mijn laatste werkdag. Vanavond om zeven uur is mijn dienst voorbij. Ik heb hier een contract van 12 tot 24 uur per week en moet vijf dagen per week beschikbaar zijn. En nu worden mijn uren verminderd… Het heeft geen zin meer.”

Anneloes verdient het minimum loon, negen euro en 82 cent per uur. Er wordt geen loonheffing ingehouden; toen ze ziek een week griep had, was er geen inkomen. Om te kunnen overleven, vertelt ze, heeft ze nog een tweede baantje, in de horeca. Daar is het een zelfde laken, een pak. Ook een zelfde flauwekulcontract, tegen het minimum loon en geen enkele zekerheid. Geen werkloosheidswet, geen ziektewet en al helemaal geen pensioenopbouw. Waarom is er voor de hoogste baas van de Nederlandse Spoorwegen, Rogier van Boxtel (ex topman van ziektekosten verzekering Menzis, en voormalig D66 minister) wel een vast contract, en voor iemand als Anneloes niet, denk ik…

Waarom worden jouw uren bij de NS dan verminderd?
“Ik doe vrijwilligerswerk bij het AZC hier in de stad,” vertelt Anneloes. “Daar geef ik sport en bewegingslessen. Dat is eigenlijk mijn vak; ik vind het leuk en belangrijk om te doen. Dat is op donderdag; die uren wil ik vrij houden. Het gevolg daarvan is, omdat ik dus minder beschikbaar ben voor de NS, dat mijn uren worden verminderd. Nou, dan maar niet.”

Anneloes komt uit Drenthe, uit Odoorn. Ze groeide daar op met de familie, opa en oma, dicht in de buurt. In een klein schooltje deed ze haar best, maar dyslexie hinderde eenvoudig en snel leren. Ze behaalde evenwel het VMBO T en studeerde daarna af aan het MBO 4, de opleiding Sport en Bewegen in Groningen. Haar ogen lichten op wanneer ze vertelt over haar docent Egge Knol, die haar groep meet nam naar Ethiopië, waar ze twaalf dagen gehandicapte kinderen sport en bewegen leerden. “De kinderen waren doof, of blind of hadden het syndroom van Down. Ik heb er zo veel geleerd; het was zo mooi,” zegt ze stralend.

Anneloes Robben

Anneloes heeft een open, helder gezicht, met een vriendelijke lach. Ze is sterk en breed geschouderd. Na de opleiding in Groningen verhuisde ze naar Nijmegen, waar ze ergotherapie wilde studeren aan het HBO, maar kwam er al snel achter dat die opleiding haar niet lag. Een volgende studie viel ook niet mee. “Ik ben meer praktisch; theorie stampen is niets voor mij.”
Via opa en oma, die verslingerd waren aan de watersport, leerde ze zeilen. Ze monsterde aan op een klipper en raakte zo verzeild op de chartervaart op het IJsselmeer en de Wadden. Dat werk is leuk voor even, maar biedt ook geen perspectief, en al helemaal niet in de lijn van haar opleiding en passie. “Ik wil dat vrijwilligerswerk bij het AZC niet opgeven,” zegt ze nogmaals. “Ik vind het belangrijk; het is leuk en het is goed voor mijn CV. Al weet ik dat er weinig werk is voor me.. Maar daarom stop ik hier bij de NS; ik kan niet alsmaar beschikbaar moeten zijn en geen uren krijgen. Dan maar alleen de horeca. Ik ben om zeven uur vanavond klaar. Om tien uur ga ik verder, tot vijf uur morgenochtend.”

Het verhaal van Anneloes staat symbool voor verhoudingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt: meerdere baantjes tegen een uurloon waarvan je niet kan leven, geen sociale zekerheid, wonen tegen woekertarieven in een hippe, grote stad. En wie (na een middelbare beroepsopleiding) door leert en pech heeft zoals Anneloes, bouwt een grote schuld op, nog voor het leven gaat beginnen.

Stof tot nadenken

  • Is dit, studieschuld, een wenselijke ontwikkeling?
  • Waarom wordt onderwijs niet volledig betaald uit de inkomensbelasting?
  • Aan wie leggen onderwijsbestuurders verantwoording af voor de besteding van belastinggeld?
Delen:

Word lid

Samen kunnen we onze idealen waarmaken. Doe mee!

Word nu lid