Thuisverpleging ouderen, een groot probleem
In 1994 verscheen het advies “Ouderenzorg met toekomst”, ook wel het rapport Welschen genoemd, naar haar voorzitter Rein Welschen. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om te komen tot één wetgeving op het gebied van zorg en verpleging. (het opheffen van de WBO en het moderniseren van de AWBZ) Door wonen, welzijn en zorg beter op elkaar af te stemmen zouden de populaties van bewoners van verpleeghuizen en verzorgingshuizen een metamorfose ondergaan. De commissie stelt daarover: “Op dit moment verblijven in verpleeghuizen echter mensen die ook in een bejaardenoord kunnen worden geholpen, vaak overigens met inzet van meer en deskundig personeel. Een deel van de huidige bewoners van bejaardenoorden zou langer thuis kunnen blijven wonen, mits met extra thuiszorg.”
Volgens de grafiek in het rapport zou het, in 1994, gaan om 59% van de populatie van de bejaardenoorden die met extra zorg vanuit de thuiszorg evengoed thuis verzorgd kunnen worden.
De commissie beseft dat dit impliceert betekent dat nadere eisen aan de woningen moeten worden gesteld in relatie tot de vertrekking van de zorg aan huis. Zij stelt daarover: “De commissie wil meer aandacht voor de mogelijkheden van de bestaande voorraad. Kwantitatieve gegevens met betrekking tot de investeringsbehoefte, zijn slecht fragmentarisch voorhanden. De commissie pleit met name gerichter onderzoek op lokaal niveau. Verder is het wenselijk dat woningbouwverenigingen hun dienstenpakket uitbreiden.”
Beleidsinitiatieven VWS.
In hoofdlijnen is het advies overgenomen. Zo heeft VWS inmiddels initiatieven genomen om de WBO te doen opgaan in de gemoderniseerde AWBZ. Deze wet die, naar verwachting op 1 april 2003 in werking treden. De gemoderniseerde AWBZ gaat uit van mondige mensen, die weten wat zij willen en daarnaar ook handelen. De functionele zorg wordt omschrijven in 7 themavelden waarop indicatie zal plaats vinden. Deze velden zijn: huishoudelijke zorg, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding, verblijf en behandeling. De indicaties door de Regionale Indicatie Organen (RIO) zullen objectief, onafhankelijk en integraal zijn. Dit laatste betekent dat de RIO’s ook voor de, mogelijk nodige, WVG-voorzieningen zullen indiceren. Het centraal geregelde regime van instellingsgebonden budgettering en financiering maakt plaats voor een stelsel waarbij de middelen aan cliënten worden gehecht in de vorm van persoonsgebonden dan wel persoonsvolgende budgetten. Dit betekent dat zorgvragers individueel op zorgzwaarte gewogen zullen worden door de RIO’s en een daarbij passend individueel budget meekrijgen van het regionaal Zorgkantoor. Indien de zorgvrager voor het Persoonsvolgend Budget (PVB) kiest contracteert het Zorgkantoor vervolgens de zorg namens de zorgvrager, bij het PGB doet de zorgvrager dit zelf. Veel vaker dan nu het geval is zal de functie ‘verblijf’ niet meer meegefinancierd worden vanuit de AWBZ. Bij het PGB is dit zelfs per definitie niet meer mogelijk. Dit zal een versnelling opleveren van het proces van scheiden van wonen en zorg, mede door het verbouwen en renoveren van bestaande instellingen. Bij deze verbouw activiteiten vormt men veelal twee verblijfseenheden om tot z.g. “inleunwoningen”. De capaciteit van de instelling wordt dan gereduceerd tot ca. 50% van de oorspronkelijke capaciteit. In deze nieuwe situatie betaald de bewoner de huur en kan de zorg zowel in natura of via een PGB ontvangen.
Beleidsinitiatieven VROM.
Ook VROM heeft haar beleid in de richting van het advies bijgesteld. Zo verscheen in 1997 de beleidsbrief ouderenhuisvesting, waarin de investeringsopgave voor het opplussen van de oude woningvoorraad wordt genoemd. Deze investeringsopgave voor de periode 1995 – 2005 beslaat in totaal € 1,1 miljard. Deze investeringen zijn overwegend gericht op het beter toegankelijk en bereikbaar maken van woningen. Het gaat daarbij overwegend om het plaatsen van liften bij woongebouwen. Het wegwerken van niveauverschillen bij de toegang van woningen, als galerijophogingen etc. Het verbreden van toegangsdeuren en het verwijderen van drempels in de woningen. VROM kwam vervolgens in 2000, na veel studie, met de nota “Mensen, wensen, wonen”. In deze nota wordt in hoofdstuk 7 “Wonen en zorg: Inspelen op de toekomst” veel aandacht geschonken aan de vergrijzing, het zelfstandig wonen van ouderen en de zorg die daarbij aan huis verleend zal moeten worden. Ook wordt het z.g. zesde prestatieveld voor woningcorporaties aangekondigd. Zowel VWS als VROM beogen een afstemming van wonen en zorg in ons land, een intersectorale afstemmingopdracht voor aanbieders van wonen en zorg.Illustratief voor deze afstemmingsopgave is de omschrijving van VROM van dit nieuwe, zesde prestatieveld voor de volkshuisvesting namelijk de afstemming van wonen en zorg (VROM 2000) Zo worden op landelijk niveau beletselen in de financiering en regelgeving voor innovatieve oplossingen uit de weg geruimd. Daarnaast wordt de woonzorgstimuleringsregeling in het leven geroepen om innovaties door actoren op gemeentelijk of regionaal niveau uit te lokken. In het beleidsplan voor de zorgsector “regiovisie” en in de, volkshuisvestelijke beleidsplannen van gemeenten en corporaties dient de afstemming zichtbaar te worden.
Verpleging thuis.
Het resultaat van al deze beleidsactiviteiten is, dat ook ouderen met een meer langdurige verpleegbehoefte langer thuis zullen moeten worden verzorgd. Immers er komen meer ouderen en het aantal intramurale plaatsen is reeds beduidend minder dan in 1994. Maar naast een verbeterde toegankelijkheid en bereikbaarheid van de woning, stelt dit ook nadere eisen voor de mogelijkheden van verzorging en verpleging. Wil de zorg op een efficiënte wijze in de thuissituatie verleend kunnen worden, dan dient de woning daartoe voldoende mogelijkheden te bieden. Vanuit de zorg/verpleegoptiek dient de ziekenkamer (meestal de z.g ouderslaapkamer) te voldoen aan de eisen van de ARBO-wetgeving.
Zo zal de kamer voldoende ruim van afmetingen dienen te zijn. Dit betekent dat het bed driezijdig benaderbaar moet zijn, terwijl daarnaast ruimte aanwezig moet zijn voor het opstellen van een tillift en een rolstoel. Indien geen toilet op dezelfde woonlaag aanwezig is, dient er ook nog voldoende ruimte te zijn voor het plaatsen van een toiletstoel. Voor de lichamelijke hygiëne is de aanwezigheid van een bad\doucheruimte gewenst. Deze bad\doucheruimte moet, bij voorkeur, een goede relatie hebben met de ziekenkamer, terwijl de afmetingen van deze ruimte een adequate verzorging van de zorgvrager mogelijk moet maken. Vanuit welzijnsoptiek zal de ziekenkamer ook mogelijkheden moeten bieden tot verstrooiing, als televisiekijken, muziek luisteren etc. Ook een goede relatie met een nevenvertrek is van belang, waardoor de partner (of de mantelzorger) niet gedwongen wordt steeds in de ziekenkamer te moeten vertoeven.
De Kwalitatieve Woningregistratie 2000
In september 2000 verscheen het vijfde, grootschalige landelijke onderzoek naar de kwaliteit van de Nederlandse woningvoorraad. Het KWR bestaat uit een verslag in drie delen,t.w.:
Ø De stadsvernieuwing gemeten
Ø Kwaliteit van stedelijke vernieuwingswijken
Ø Kwaliteit voor doelgroepen.
Uit deze rapporten blijkt dat er veel is geïnvesteerd in verbetering van het leefmilieu in de oude woonwijken. Het KWR stelt dat de stadsvernieuwingsoperatie is geslaagd en stelt daarbij dat een enorme vooruitgang is geboekt op het gebied van de bouwtechnische kwaliteit van de woningvoorraad. Deze bouwtechnische verbetering is vooral bereikt door:
Ø Door het bouwen van bijna 800.000 woningen in de periode 1995 – 2000
Ø Door het slopen van ruim 60.000 oude en slechte woningen
Ø Door het uitvoeren van groot onderhoud aan bestaande woningen
Binnen deze kaders is veel aandacht geschonken aan het beter toegankelijk maken van bestaande woningen. Uit het onderzoek blijkt dat de oude woningvoorraad steeds toegankelijker wordt, al valt er veel op af te dingen als men de toegankelijkheidscriteria van het seniorenlabel als basis neemt. Woongebouwen scoren op dit punt het best. De toegankelijkheid van woningen, in het kader van wonen en zorg, is gericht op mensen met fysieke beperkingen, waaronder veel ouderen. Toegankelijkheid heeft betrekking op zowel de externe als op de interne toegankelijkheid. De externe toegankelijkheid houdt in dat de woning en\of het woongebouw zonder traplopen te bereiken is, de interne toegankelijkheid betekent dat de belangrijkste vertrekken op één woonlaag zijn gelegen en dus zonder niveau verschillen te bereiken zijn. De leden van de doelgroep van het beleid, waaronder veel ouderen, wonen overwegend in huur woningen. Ouderen met en laag inkomen wonen gemiddeld genomen in minder geschikte woningen en zijn ook minder tevreden over hun woonsituatie. Ook geeft het KWR aan dat aan de grootte van de woning veelal en prijskaartje hangt, om die reden is het dan ook niet verbazingwekkend dat de aandachtsgroep wat minder ruim behuisd is dan de overige huishoudens.
De bouwtechnische kwaliteit, noch de (verbeterde) toegankelijkheid, zegt echter iets over de bruikbaarheid van de woning en de woonvertrekken in relatie tot langdurige thuisverpleging. Evenmin geeft het KWR enige informatie over de afmetingen van vertrekken en de mogelijke bruikbaarheid daarvan in relatie tot thuisverpleging.
6. Cijfers over wonen 2002.
De VROM-nota “Cijfers over wonen 2002” geeft een inzicht van de woningvoorraad naar bouwperiode. Indien we deze cijfers leggen naast de bouwtechnische kenmerken van de woningvoorraad ontstaat een beeld van de (on)mogelijkheden van de woningvoorraad in relatie tot het aanpassen van de woningen ten behoeve van langdurige thuisverpleging.
Bouwtechnische kenmerken
Woningen gebouwd tot 1960 zijn overwegend traditioneel gebouwd. D.w.z. het zijn overwegend z.g 1,5 beuk woningen, hetgeen zeggen wil dat de binnenmuren balkdragend zijn. Dit gegeven bemoeilijkt het om doormiddel van verbouw de slaapkamers meer geschikt te maken voor langdurige thuisverpleging. De afmeting van vertrekken in deze woningen zijn overwegend klein. Een slaapkamer van voldoende afmetingen, die voldoet aan de eisen van de ARBO zal vrijwel nooit aanwezig zijn en zal ook vrijwel niet tegen redelijke kosten te maken zijn. Dit door de aanwezigheid van balkdragende muren.
De (hoofd-) toegang van deze woningen bestaat veelal uit een deurmaat <80 cm. waarachter een smalle gang.
Ca. 200.000 van deze woningen zijn later van een doucheruimte voorzien, overwegend betreft dat de woningen van corporaties. De relatie tussen slaapkamer en badkamer zal veelal veel te wensen overlaten. Een tweede toilet op de slaapverdieping is meestal niet aanwezig.
In de grote steden komen veel gestapelde woningen voor. De toegankelijkheid van deze woningen is niet geschikt voor het gebruik van rollators, rolstoelen en electro-scooters. Vaak ontbreekt hier ook adequate bergingsmogelijkheden voor deze hulpmiddelen.In de kleinere steden en in de meer landelijke gebieden is de situatie niet veel beter. De vooroorlogse eengezinswoningen hebben veelal een, op verdiepingshoogte gelegen muurplaat, waardoor de vrije stahoogte ernstig wordt belemmerd door de schuine kapwanden. In andere gevallen komen veel z.g. mansarde kappen voor. In de dorpen staan de vooroorlogse woningen veelal op wat grotere kavels en vaak twee onder één kap. Voor de woningen gebouwd in de periode 1945 – 1960 geldt nog dat in de eengezinswoningen overwegend trappen met twee kwarten zijn toegepast. Het plaatsen van trapliften is hier vaak zeer problematisch. Dit mede door het ontbreken van voldoende ruimte voor het hefplateau, zowel bij de trapopgang als op de verdieping.
Van de voorraad tot 1945 zijn ca. 10% of 1.500.000 woningen eigendom van corporaties. Van de naoorlogse voorraad ca. 35 % in handen van de corporaties en is ca. 15% particuliere huurwoning en is ca. 50 % in handen van eigenaren-bewoners.
Van de totale woningvoorraad is ca. 50% koop en ca. 50 % huur. Woningcorporaties hebben ca. 2.257.000 huurwoningen in eigendom, waarvan ca. 150.000 gebouwd in de periode 1901 – 1945.
De woningvoorraad.
Cijfers per 31 dec. 2001. (VROM)
Tot 1945 21% = 1.396.000
1945 – 1959 12% = 798.000
1960 – 1970 18% = 1.196.820
1971 – 1980 18% = 1.196.820
1981 – 1990 17% = 1.130330
1991 – later 14% = 930.860
Totale voorraad 100% 6.649.000
Verdeling over de provincies van de woningen gebouwd voor 1960:
Periode: < 1945 1946 - 1960
Groningen 68.000 28.000
Friesland 66.000 27.000
Drenthe 32.000 24.000
Overijssel 85.000 52.000
Gelderland 143.000 91.000
Utrecht 85.000 46.000
Noord-Holland 337.000 124.000
Zuid-Holland 353.000 178.000
Zeeland 36.000 24.000
Noord-Brabant 208.000 114.000
Limburg 76.000 77.000
Flevoland 0 7.000
Waarvan in:
Amsterdam 164.000 37.300
Rotterdam 96.800 39.800
Den Haag 97.200 36.700
Utrecht 40.000 13.300
Totaal: 298.000 127.800
21,4% VO 15,9%
Bijna een kwart van de VO-voorraad staat in de vier grote steden.
Oordeel over woningen in de bestaande voorraad.
De gehele vooroorlogse woningvoorraad is vrijwel geheel ongeschikt om tot een effectieve aanpassing te komen. Mogelijke uitzonderingen zijn, bijv. de woningen in de tuinsteden gebouwd omstreeks 1937.
Van de woningvoorraad, gebouwd in de periode 1945- 1960/1962, is de geschiktheid om tot aanpassing te komen, zeer twijfelachtig.
De bestaande voorraad gebouwd na 1960 biedt meer kansen voor een adequate aanpassing. Vooral de woningen gebouwd met grote overspanningen. (Grote elementenbouw en de betongietbouw) biedt kansen. Deze woningen hebben geen dragende binnenmuren en daardoor goede mogelijkheden om tot herindeling te komen.
Uitzonderingen vormen de z.g portiek-etagewoningen. Ook smalle woningen (≤ 540 cm) breed zullen overwegend ernstige problemen geven om tot een adequate aanpassing te kunnen komen.
Conclusie:
De woningen gebouwd tot 1960, totaal ca. 2.200.000 zijn, in principe, niet geschikt en niet geschikt te maken voor langdurige huisvesting van ouderen met progressieve ouderdomsverschijnselen.
Van de woningen, gebouwd na 1960, zal een deel eveneens ernstige probelemen geven bij gewenste aanpassingen. Hieronder vallen de z.g. portiek-etagewoningen en de zeer smalle woningen (≤ 540 cm) Geschat zijn dit min. ca. 800.000 woningen. Samengevat betekent dit dat slechts ca. 50% van de bestaande woningvoorraad adequate huisvesting kan bieden aan langer zelfstandig wonende, thuis verpleegd wordende, ouderen. Zetten we deze conclusie af tegen het afbouwen van het aantal intramurale plaatsen in de verzorgingshuizen, dan ontstaat het volgende beeld:
De huren van de aldus ontstane ‘inleunwoningen” zullen voor ouderen, met een laag inkomen, ook na aftrek van de Individuele Huursubsidie te hoog blijken te zijn, zij zullen langer zelfstandig moet blijven wonen, ook als het eigenlijk niet langer kan. Ouderen, met een verpleegbehoefte, wonend in een ongeschikte woning, zullen in ernstige problemen komen als op basis van de ARBO wet verpleging thuis niet geleverd mag worden. Indien aanpassing van de woning al mogelijk is, zal blijken dat dit excessief veel geld zal kosten. De vraag is of de gemeenten bereid zijn dit
op basis van de Wet Voorzieningen Gehandicapten (Wvg) te vergoeden. Een opname in een verpleeghuis, waar “zorg en verpleging, inclusief verblijf” is dan het perspectief voor deze ouderen. De druk op de wachtlijsten voor deze instellingen zal ongekend groeien. Tevens zal dit leiden tot een ongewenste tweedeling binnen de ouderen populatie.
Auteur; Ing. W. Revet
Adviseur wonen ANBO- CSO
Lid LAO - PvdA
Biddinghuizen,3-12-02
