PvdA de partij

PVDA - Ouderen, onderwijs en cultuur

MijnPvdA
Rode roos

Ouderen, onderwijs en cultuur

"Als je niet leeft alsof het leven eindeloos is, wat dan?"

In het Tijdschrift voor Psychotherapie van april 1999 werd verslag gedaan van een interview door Janneke de Moer en Leo Cahn met Hans Weterman. Hans (82) sprak openhartig over zijn leven in neerdalende lijn. Terugkijkend op een leven van studeren, filosoferen, maar ook het op vele fronten leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van het ouderenbeleid in Nederland,verklaarde hij: "Als je niet leeft alsof het leven eindeloos is, wat dan? Ga je dan je eigen leven afbouwen? Ik doe het dus niet ! Die neerdalende lijn geeft niet alles weer. Er zijn processen die doorgaan." Hans schreef in verband met de komende verkiezingen onderstaande bijdrage over zijn zienswijze over onderwijs en cultuur met betrekking tot ouderen.

Educatie

Uitgangspunt moet m.i zijn de actieve (jongere) oudere "senior" als een maatschappelijk nieuw fenomeen. Als een eigen levensfase te onderscheiden van de ‘bejaarde’, die de regie van zijn leven steeds meer uit handen moet geven en object van zorg wordt en anderzijds van de levensfase van de volwassenen, nu de deelname aan het betaalde arbeidsproces is afgesloten, de kinderen de deur uit zijn en tegelijkertijd de eindigheid van het leven zich veel existentiëler laat voelen dan te voren (vergelijk de verraderlijke woordjes ‘al’ en ‘nog’). Er moeten nieuwe maatschappelijke rollen worden bedacht (en toegestaan) en voor de samenleving is het van groot belang welke richting in deze leerprocessen daarbij dominant gaat worden: egocentrisch consumeren ( nu het voor vele ouderen ‘goed gaat’) of zich inzetten voor betaald werk, vrijwilligerswerk en informeel onbetaald werk.

Educatief gerichte overheidsbemoeienis is juist daarvoor nodig (zoals op dit moment ook duidelijk waarneembaar is in de ondersteuning, die gegeven wordt om een achterstand t.a.v. de nieuwe informatiemaatschappij te repareren en voorkomen). Dit geldt des te sterker naar mate de betrokken oudere het zelf niet breed heeft en de activiteit waarom het in concreto gaat duidelijker maatschappelijk relevant is. De P.v.d.A. heeft nog te veel de neiging om overheidsbemoeiing met educatie eenzijdig te beperken tot scholing voor het arbeidsbestel De nieuwe creativiteit die broodnodig is om hét "geschenk van de vorige eeuw" te activeren krijgt dan te weinig voeding. Het gaat er daarbij niet alleen om de oudere als leerling in een leerrijke situatie te plaatsen maar minstens evenzeer om zijn/ haar mogelijkheden als leraar uit te buiten

Maar ook in de laatste, de vierde levensfase speelt er meer dan alleen de vraag om adequate en humane zorg. Er spelen ook dan (af)leerprocessen, met name rond ultieme zingevingsvragen. De wijze waarop onze huidige maatschappij dergelijke bejaarden ’opbergt’ in eenzaamheid, in verborgen angsten en in een ‘leerarme’ situatie zonder werkelijke levensstimulansen, is beschamend. Er zal nog veel creativiteit en ook overheidssteun nodig zijn om in onze geseculariseerde en ‘postchristelijke’ cultuur meer ruimte te scheppen voor een waardige gang naar het levenseinde.

Cultuur

De ‘rode familie’ rond de vroegere S.D.A.P. had een rijke culturele uitstraling. Het heimwee daarnaar onder oudere P.v.d.A-leden maakt het verlies kenbaar ( dat tegelijk in die vorm onherstelbaar is). Na het verwijderen van de ‘ideologische veren’ blijven we toch met een wat kale kip zitten. Aan de huidige P.v.d.A. wordt niet ten onrechte een zeker cultuurminimalisme verweten.

Als signaal kan dienen de onder A gememoreerde utilitaire inperking van educatieve ondersteuning tot datgene wat heenleidt tot of bijspringt in de deelname aan het betaalde arbeidsbestel. "Terwijl voorheen het vormingselement voorop stond (althans wezenlijk was, H.W.),wordt onderwijs nu in de eerste plaats gezien als een opleiding in de zin van een voorbereiding op de arbeidsmarkt, stelt Coos Huysen in S&D 2000,n.5. Arjo Klamer (eveneens aldaar) spreekt van een zorgwekkende gemis aan aandacht voor wat hij (overigens ook al weer in een economisch getinte terminologie) ons gezamenlijke (inter)culturele kapitaal noemt. ‘Ons cultureel kapitaal bepaalt wat wij aan kunnen met de grootste maar ook met de kleinste evenementen in ons bestaan, hoe we omgaan met geboorte, dood en liefde, wat we in staat zijn te zien in eenmoderen kunstwerk of te horen in klassieke muziek. Het culturele kapitaal bepaalt ons vermogen tot het beleven van mysteries, tot verwondering ook. In combinatie met ons sociaal kapitaal vormt ons cultureel kapitaal onze morele gevoelens waardoor we in staat zijn te handelen volgens waarden die niet direct ons enge eigenbelang dienen." Bij een eenzijdig aanspreken op cognitieve vaardigheden gaat de cultuurintroducerende en cultuuroverdragende opdracht van het onderwijs verloren. Bij de interculturele problematiek van Nederland als immigratieland met veel cultureel ontheemde leerlingen (en leraren) speelt dit alles dubbel.

De te vergaande commercialisering en economisering van onze cultuur doordrenkt ook allerlei andere sectoren van ons samenleven – en het lijkt er op, dat de P.v.d.A. ook daar onvoldoende weerstand weet te bieden. Overheidsondersteuning in het sociaal-culturele werk mikt op in de tijd begrensde ‘projecten’, die op hun (meetbare!! ‘output’ worden ‘afgerekend’. Opbouwwerk ziet zichzelf als sociaal ondernemersschap, productgericht. En werkend als managers in een bedrijf. Alles wordt steeds meer in termen van efficiëntie en economisch-zuinige doelmatigheid uitgedrukt en beoordeeld. Dat wat werkt in de richting van de rationeel- technocratische dominantie (zoals het leren gebruiken van informatica en audiovisuele middelen) wordt veel eerder ondersteund dan wat op andere wijze bijdraagt tot het (her)vinden van culturele identiteit.

Dit alles geldt niet specifiek voor de (on)mogelijkheden van cultuurbeleving door ouderen , maar zij zijn wel – met name in hun vierde levensfase - degenen wier positie het verst afstaat van het kunnen profiteren van deelname aan het marktgebeuren en er in hun derde levensfase worden verleid om er puur consumerend in te treden.

Het onbehagen over de genoemde tendens vond onlangs een uitlaatklep in het pamflet van de stichting "Stop de uitverkoop van de beschaving". Aan een artikel, dat dit initiatief verdedigt (NRC /Handelsblad van 9.6.2001) ontleen ik een interessante omschrijving van het nogal meerduidige begrip cultuur/ beschaving op het voetspoor van T.S.Eliot. Hij beschouwde beschaving als een kwestie van ‘mind’,’ ’manners’and ‘language’. Mind slaat dan op het collectieve bewustzijn ( thans sterk gedomineerd door economische rationaliteit en technologische doematigheid); manners verwijst naar aantasting van de sociale moraal door "de contractuele moraal die zo karakteristiek is voor de markt"; language duidt op het feit, dat "aan de ene kant de taal verzakelijkt en aan de andere kant trivialiseert, waardoor het steeds moeilijker wordt om immateriële zaken als verlangen, gevoel, of het ‘grote’ verhaal te verwoorden".

Toch is het hier ook oppassen geblazen voor een overdrijven naar de andere kant. Roel Janssen wijst in de NRC van 14 juni j.l. op de nauwe banden van de genoemde stichting met het populisme van de S.P. "In dit discours van neo-socialisme bestaat geen begrip voor elementaire beginselen van de markteconomie en de rol die ondernemingen spelen in de welvaartsschepping…Dus "grossieren de ondertekenaars van het manifest met gevoelens uit de onderbuik, met hele en halve waarheden over alles wat er mis is in de wereld door de harteloze marktwerking die de paarse politieke parijen nastreven. Weg met gecompliceerde feiten, leve de utopie." Misschien maak ik me daar ook zelf nog te veel schuldig aan, denk ik wel eens in mijn perioden van twijfels. Maar de zoektocht naar een antwoord op het "nieuwe onbehagen" moet toch leiden naar het meer bijeenbrengen van zingeving en democratische politiek, naar een terugvinden van bezieling.

Hans Weterman