Euthanasie
Euthanasiewet: Op verzoek van de redactie van de Nieuwsbrief van de LAO schreef Rien den Engelsman, arts en lid van de LAO, zijn visie.
Ethiek en Recht
Ouderen hebben het grote voorrecht niet alleen over kennis van de geschiedenis van de mensheid te beschikken, maar ook over die van hun eigen leven en van de periode waarin ze geleefd hebben. Dat onderscheidt hen van de andere generaties. Het is merkwaardig, dat veelal wordt aangenomen, dat na het bereiken van de volwassenheid zich geen noemenswaardige ontwikkelingen meer zouden voordoen.
Voor de maatschappelijke discussie van de laatste decennia met betrekking tot het levenseinde is deze constatering mijns inziens van grote betekenis. Normen en waarden gestoeld op de pijlers van onze cultuur waren voor de ouderen van tegenwoordig richtinggevend met welhaast onwrikbare zekerheid. Betrekkelijk kort na de oorlog, wellicht al in de oorlog, kwam onder invloed van een algemeen beleefde twijfel aan en een zich langzamerhand ontwikkelde afkeer van de autoriteit, een einde aan deze zekerheid. Exponenten van onze christelijke / humanistische cultuur werden door de ouderen van thans tegen het licht gehouden gedurende hun eigen wordingsgeschiedenis.
Het ligt voor de hand dat bij de discussie tegengestelde opvattingen zich zouden voordoen. Geloofsovertuiging en het recht op zelfbeschikking, beide in onze cultuur verankerd, noodzaken tot reflectie wanneer het laatste door een meerderheid gewenst wordt als de manier om op een menswaardige wijze het leven te kunnen verlaten.
Maatschappelijke discussie en juridische toetsing hebben er tenslotte toe geleid, dat artsen die voldeden aan het verlangen van mensen om hun leven te beëindigen, hoewel volgens de wet strafbaar, niet werden vervolgd wanneer hun handelen voldeed aan nauwkeurig omschreven zorgvuldigheidseisen. Artsen waren verplicht aangifte te doen en vervolgens werd hun handelen beoordeeld door het college van procureurs generaal en na goed bevinden werd hun zaak (vaak pas na maanden) geseponeerd.
Dood op verzoek - dát en alleen dát verstaan we onder euthanasie - en hulp bij zelfdoding was volgens de wet moord en alleen justitie kon de dokter uit deze onmogelijke positie bevrijden als hij zich aan de regels had gehouden. Bij het aannemen van de ‘ Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding‘ is daaraan een einde gekomen. Hij gaat nu vrijuit, behalve als hij zich niet aan de afspraken houdt.
Waarom deze wet?
Bij ethische kwesties zijn er altijd, soms tegengestelde, belangen in het spel en zal er naar gestreefd worden, dat partijen een voor een ieder aanvaardbare oplossing bereiken. Voor de vrager is het noodzakelijk , dat hij / zij de zekerheid heeft, dat het verzoek gehoor vindt bij de eigen arts of in het geval van gewetensnood bij een collega. Voor de uitvoerder is de dreiging van vervolging niet acceptabel. In zo’n precaire situatie is het welhaast onmogelijk zo’n evenwicht te bereiken. Het vastleggen van de rechten van de een én van de ander in een wet is dan tenslotte nog de enige mogelijkheid om ook daarin zorgvuldigheid te betrachten.
Om die reden is er nu een wet die toetst of het verzoek om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding voldoet aan de in deze wet omschreven zorgvuldigheidseisen.
Toetsingscommissies bestaande uit een arts, een ethicus en een jurist aangesteld door de overheid moeten iedere aangemelde zaak beoordelen. Niet aanmelden is strafbaar. De zorgvuldigheidseisen zijn: ondraaglijk en uitzichtloos lijden, zoeken naar alternatieven, verzoek van de betrokkene vrijwillig, weloverwogen en persistent, gelijkluidend oordeel van onafhankelijke arts, nauwkeurige verslaglegging en professionele uitvoering. Wanneer aan alle eisen is voldaan wordt door de commissie het openbaar ministerie niet ingelicht en gaat de arts dus vrijuit. Anders volgt vervolging.
De evaluatie van de wet moet ons in de toekomst de zekerheid bieden van een waarborg voor respect en veiligheid. Respect naar de verzoeker, maar evenzeer naar de uitvoerder. Veiligheid als hiermee het kader geboden wordt dat de arts in de eerste plaats niet schaadt en mogelijk ‘ goed’ doet. Dan is ook aan die stelregel van Hippocrates voldaan en hoeven we de kritiek van over de grenzen niet te vrezen. Onze overheid zal ook voldoende argumenten hebben om de ‘ commissie voor de rechten van de mens’ van de VN te overtuigen dat die rechten in Nederland zijn gewaarborgd.
(uit Nieuwsbrief nr. 37)
Rien den Engelsman
